De Regelname

‘Ik weet dat de taal gebroken is’ – Coen Cornelis over Boris Ryzji, wat niet in woorden past, en de melancholie van ‘nog’

Beeld: Evelien Cambre

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. We vragen een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.

In deze aflevering: Coen Cornelis. Hij schrijft poëzie en toneel, en draagt geregeld voor op verscheidene Nederlandse (poëzie)podia. In 2013 studeerde hij af aan de HKU met een stuk waarin toneel en poëzie samensmolten tot één geheel – Bijtend Stof, Trillend Licht. Hij is woonachtig in Utrecht. Lees hier het bijbehorende gedicht.

‘Als ik terugkom uit Nederland, geef ik je Lego,
en dan bouwen we samen een prachtig kasteel.’

‘Je kunt jaren en mensen tot terugkeer bewegen,
en ook liefde, wat zeg ik, er is nog zo veel.’

Uit: ‘Afscheid van Rusland’ van Boris Ryzji

Opinie

‘Zij, die deel is van de uitbuiters’ – Over de naïeve kritiek op engagement, of: Het wachten is op Jezus Christus, onze Heiland

Na lezing van het debuut van Dominique De Groen, Shop Girl, bleef ik met een wat leeg en knagend gevoel achter. Dat begint al bij de titel, die op zijn minst dubbelzinnig is: het gaat om een ‘winkelmeisje’, zoveel is zeker, maar gaat het daarbij om een meisje dat in/voor een winkel(keten) werkt, of om een meisje dat graag shopt? Het eerste is het geval (zo blijkt al uit het achterplat), maar mogelijk het tweede (naar ik vrees) eveneens. Is het niet, op zijn minst, een kokette, vette knipoog naar de cultuur van het shoppen, het kopen van hippe kleding, (deels) vermomd als engagement?

Aldus opent de wat mij betreft exemplarisch kortzichtige bespreking van Shop Girl in de recente Poëziekrant (2018/2), geschreven door Willem Thies. Laat ik, na die zin en bij wijze van disclaimer, meteen maar benadrukken er niet op uit te zijn een of ander wraakstuk te schrijven, en evenmin een polemiekje op gang te brengen – in feite is Thies’ bespreking in waarover ik het wil hebben slechts een voorbeeld-van, en ik zie nu eenmaal geen goede mogelijkheid om het buiten zo’n voorbeeld om te hebben over de vorm van als kritische blik optredende naïviteit die typerend lijkt voor veel van ons huidige denken.

Waarom zouden we bundels recenseren als we niet aan durven te nemen dat de dichters ook hebben gezien wat wij zien?

Die naïviteit begint in dit geval al in de aangehaalde openingsalinea, en bevindt zich bijvoorbeeld in het ‘naar ik vrees’, in het vragende ‘is het niet, op zijn minst’, en in de afsluitende opmerking dat bij het maken van een ‘kokette, vette knipoog naar de cultuur van het shoppen’, het engagement dat daarmee mogelijk gepaard gaat slechts de vermomming is.

De Regelname

‘een soort van knooppunt (of wormgat?)’ – Dominique De Groen over Hiromi Itō, losse regels en narratief

Beeld door Roos Vink

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. We vragen een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.

In deze aflevering: Dominique De Groen, die recent debuteerde bij uitgeverij het balanseer met de bundel Shop Girl (gebaseerd op ervaringen als werknemer van de Primark). Een interview over de aard van narratieve poëzie, niet-lineaire lezingen en een landbouwleerdicht van Vergilius. Lees het bijbehorende gedicht: ‘Rites for an abortive Spring’.

Even as a corpse, her calling was still to protect children

Uit: Wild Grass on the Riverbank van Hiromi Itō

Bespreking

‘het programma dat u probeert af te sluiten / is in gebruik.’ – Daniël Vis’ Insect Redux en het 21e-eeuws sublieme

Detail uit Anish Kapoors 'Flayed' (2016)

Hoe doet de wereld zich aan ons voor?

Is dat een goede vraag? We zouden hem kunnen proberen te herformuleren, bijvoorbeeld als: Hoe ervaren wij de wereld? Maar daarmee zien we meteen al een deel van een antwoord – een mogelijk antwoord. De wereld doet zich voor, in dat geval, als een iets dat wij al dan niet ervaren.

Wanneer Heidegger in het begin van de twintigste eeuw Zijn en tijd schrijft, stelt hij dat de westerse filosofie elk ‘iets’ heeft beschouwd als een object. Een object is een ding met eigenschappen: een hamer is zwaar, de zon is heet, een hamster is schattig. Hij beschouwt dat niet zozeer als een fout, maar wel als een beperkte blik. Een hamer is, voordat wij het als object kunnen beschouwen, iets dat we ter hand kunnen nemen – een hamer is iets waarmee we timmeren.

Intussen zet juist de aldus bedreigde mens een hoge borst op en waant hij zich de heer der aarde.

We hebben die beperkte blik ook op onszelf gericht. De mens valt dan op twee manieren te bekijken: ofwel als degene die kijkt (en al die objecten tegenover zich ziet), ofwel als een van die objecten. Dat begint al bij de Griekse filosofie: een mens is ‘een dier met rede.’ Of, bijvoorbeeld bij Plato, een mens is een dier dat kan dansen. (Wat op hetzelfde neerkomt: Plato beschouwt dansen als het redelijk organiseren, sorteren, van bij dieren ongecontroleerde bewegingen; net als zingen voor hem het organiseren van een dierlijk roepen is.)

Bespreking

‘een woord dat vlees vindt’ – Joost Decortes Stalker en de grein van het schrijven

Detail uit Andreus Vesalius (Andries van Wesele) – De humani corporis fabrica

‘Als men zich een esthetica van het tekstplezier zou kunnen indenken,’ schrijft Roland Barthes in Het plezier van de tekst, ‘zou men daarin moeten opnemen: het hardop schrijven.’ Dat is niet, zegt hij, ‘spreken’, en hij schrijft er slechts over alsof het bestaat. Wat niet wil zeggen dat Barthes maar wat aan het fantaseren is – sommige dingen laten zich misschien niet anders bespreken dan onder de suspensie van zo’n ‘alsof’. Het hardop schrijven is niet ‘expressief’, het laat ‘de uitdrukking’ over aan ‘de feno-tekst, aan de vaste code van communicatie’ – de bestaande vormen van grammatica, spelling, begrijpelijkheid, enzovoort; wat we al met al ‘cultuur’ zouden kunnen noemen. ‘Zelf behoort het veel meer tot de geno-tekst, tot de betekening; het wordt niet door de dramatische stembuigingen, de boosaardige intonaties, door de welwillende accenten gedragen, maar door het grein van de stem, dat een erotisch mengsel is van timbre en taal.’ Even verderop: ‘Wat de klanken van de taal betreft is het hardop schrijven niet fonologisch maar fonetisch; het doel ervan is niet de helderheid van de boodschappen, het theater van de emoties; het zoekt veeleer (in een streven naar genot) de driftbewegingen, de met huid bedekte taal, een tekst waarin men het grein van de keel, het patina van de medeklinkers, de wellust van de klinkers, een hele stereofonie van de diepte van het vlees kan horen: de articulatie van lichaam en taal, niet die van betekenis en taalgebruik.’ Het gaat erom de woorden in hun materialiteit, zinnelijkheid, om met de ademtocht, de rauwheid, ‘het vlees van de lippen, heel de uitstraling van de menselijke bek’ te laten horen. Niet de klanken met het oog op hun isolatie tot betekenisvolle elementen van een taal, maar de klanken in het verlangen naar het lichaam dat ze draagt.

De Regelname

‘Toen ik deze regel voor het eerst las, heb ik gelijk de bundel weggelegd’ – Wout Waanders over Charl-Pierre Naudé, verlies en beweging

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. We vragen een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.

In deze aflevering: Wout Waanders, dichter, stiftdichter en schrijver. In 2015 verscheen zijn chapbook Olifantopia bij wat toen nog Wintertuin heette (nu De Nieuwe Oost). Een interview over dat je iets kwijt kunt raken door het terug te krijgen en poëzie die je in beweging brengt. Lees het bijbehorende gedicht: ‘fideldumdum-nana’.

‘Dus nu heb ik je weer terug’

Uit: ‘Nu’ van Charl-Pierre Naudé

Bespreking

‘ik bedoel zij maken een wereld / die hun werd onthouden / door hem te bevolken’ – Over nalatenschap, restanten, overleven en -leveren

Detail uit 'A view of Vesuvius from Posillipo, Naples', Joseph Wright of Derby

Ik zag laatst A Ghost Story, een trage film over rouw, voortleven, herinneren (enzovoort). Casey Affleck speelt het grootste deel van de film een zwijgend lakenspook dat ziet hoe zijn vriendin na een tijdje vertrekt uit het huis waar ze samen woonden, hoe een ander gezin intrekt, ook weer weggaat. Op een zeker moment wordt er in dat huis een feestje gevierd door een stel jonge mensen, en houdt een bebuikte, bebaarde gast na zijn zoveelste biertje een monoloog over, ja, iets als: de zin van het leven, niveau tiener-die-een-half-kantje-Nietzsche-heeft-gelezen-en-nu-de-wereld-snapt.

De strekking is zo’n beetje: God bestaat niet en we gaan allemaal dood, dus niets heeft zin. Met name kinderen en kunstwerken niet. (Op naar het volgende biertje.)

Het is altijd een beetje een tegenstrijdige beweging: heel graag de zinloosheid willen evangeliseren. Toch is de vraag misschien het vragen waard: waarom het gedicht? Waar schrijf je het voor? Voor wie? Moet het overleven? Hoe lang? (Enzovoort.) (In mijn achterhoofd echoot een zin uit Jeroen Mettes’ poëtica bij ‘N30’: ‘Het probleem is dat een gedicht niet kan worden gerechtvaardigd. Er is geen excuus voor.’)

De Regelname

‘Van ooit een keer gehoord zinnetje tot ooit een keer gehoord zinnetje’ – Martin Rombouts over Monica Rinck, knippen en conventies

Illustratie door Stefaan Van Hyfte

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. We vragen een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht. 

In deze aflevering: Martin Rombouts, schrijver, performer en organisator, die dit jaar afstudeert aan de schrijversopleiding van ArtEZ met het autobiografische I want to climb the mountain. Een interview over knippen en plakken, literaire conventies en pompoensoep. Lees hier het bijbehorende gedicht: Watch me explode (d-d-d-dynamite)’.

‘Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen’

Uit: Honingprotocollen – Monica Rinck 

Overzicht

Zomervakantie, of: Klecks verzameld I

Detail uit 'De Theems dichtbij Marble Hill, Twickenham' (1762) van Richard Wilson

Nu de zomer in volle gang begint te komen – met verlossende onweersbuien en al – is het voor Klecks ook tijd voor een aantal weken vakantie. Daarom hebben we, naast de reeksen over Ben Lerner en, recent, over Tsjêbbe Hettiga, alle stukken verzameld waarmee we het hele oeuvre (tot nu toe) van een dichter hebben besproken. Voor wie nog niet genoeg te lezen heeft op het strand.

SchroomruilMichel Bartosik

Van deze Vlaamse pink poet bespraken we het verzameld werk Schroomruil dat in 2013 bij het Poëziecentrum verscheen (de vierde bespreking ooit). Schroomruil is een prachtige uitgave voor een toch vrij onbekende dichter, die vroeg stierf en maar drie bundels publiceerde. In het stuk proberen we een lezing te geven van wat er met Bartosiks poëzie gebeurde toen hij over de dood van zijn vader ging schrijven. (HHtN)

> ‘En strek onbeschaamd vertrouwend’ – Door de dood van een vader

Bespreking

‘je kind smelt / dat is ook de natuur’ – Maartje Smits onderzoekt persoonlijk wat er van de natuur overblijft

Filmstill uit 'poldernostalgie' (2016) van Maartje Smits

Als God de schepping heeft voltooid, stelt hij de dieren die hij heeft gemaakt stuk voor stuk voor aan de eerste mens, Adam, zodat hij ze een naam kan geven. ‘En zoals de mens elk levend wezen noemen zou, zo zou het heten,’ Genesis 2:19. Zo zullen ze heten – maar voor wie? De meeste dieren trekken zich weinig aan van de soortnamen die wij ze geven. Geen wonder dat God meteen na deze doopmarathon een tweede mens schept.

Maartje Smits stelt die vraag naar de namen scherp in haar nieuwe bundel Hoe ik een bos begon in mijn badkamer (2017). Ze schets de situatie van de laatste mens, een vrouw die nooit meer baren zal in een van de laatste gedichten uit de bundel. De vrouw heeft melkklieren ‘waar generaties in zijn verschrompeld’. Dit is de laatste strofe van het gedicht:

dit is toch geen plek om uit te sterven
de laatste mens tekent hokjes in het zand
om zich thuis te voelen
ze kent alle namen van dieren en andere
begrippen die in onbruik zijn geraakt