Bespreking

‘ik bedoel zij maken een wereld / die hun werd onthouden / door hem te bevolken’ – Over nalatenschap, restanten, overleven en -leveren

Detail uit 'A view of Vesuvius from Posillipo, Naples', Joseph Wright of Derby

Ik zag laatst A Ghost Story, een trage film over rouw, voortleven, herinneren (enzovoort). Casey Affleck speelt het grootste deel van de film een zwijgend lakenspook dat ziet hoe zijn vriendin na een tijdje vertrekt uit het huis waar ze samen woonden, hoe een ander gezin intrekt, ook weer weggaat. Op een zeker moment wordt er in dat huis een feestje gevierd door een stel jonge mensen, en houdt een bebuikte, bebaarde gast na zijn zoveelste biertje een monoloog over, ja, iets als: de zin van het leven, niveau tiener-die-een-half-kantje-Nietzsche-heeft-gelezen-en-nu-de-wereld-snapt.

De strekking is zo’n beetje: God bestaat niet en we gaan allemaal dood, dus niets heeft zin. Met name kinderen en kunstwerken niet. (Op naar het volgende biertje.)

Het is altijd een beetje een tegenstrijdige beweging: heel graag de zinloosheid willen evangeliseren. Toch is de vraag misschien het vragen waard: waarom het gedicht? Waar schrijf je het voor? Voor wie? Moet het overleven? Hoe lang? (Enzovoort.) (In mijn achterhoofd echoot een zin uit Jeroen Mettes’ poëtica bij ‘N30’: ‘Het probleem is dat een gedicht niet kan worden gerechtvaardigd. Er is geen excuus voor.’)

De Regelname

‘Van ooit een keer gehoord zinnetje tot ooit een keer gehoord zinnetje’ – Martin Rombouts over Monica Rinck, knippen en conventies

Illustratie door Stefaan Van Hyfte

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. We vragen een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht. 

In deze aflevering: Martin Rombouts, schrijver, performer en organisator, die dit jaar afstudeert aan de schrijversopleiding van ArtEZ met het autobiografische I want to climb the mountain. Een interview over knippen en plakken, literaire conventies en pompoensoep. Lees hier het bijbehorende gedicht: Watch me explode (d-d-d-dynamite)’.

‘Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen’

Uit: Honingprotocollen – Monica Rinck 

Overzicht

Zomervakantie, of: Klecks verzameld I

Detail uit 'De Theems dichtbij Marble Hill, Twickenham' (1762) van Richard Wilson

Nu de zomer in volle gang begint te komen – met verlossende onweersbuien en al – is het voor Klecks ook tijd voor een aantal weken vakantie. Daarom hebben we, naast de reeksen over Ben Lerner en, recent, over Tsjêbbe Hettiga, alle stukken verzameld waarmee we het hele oeuvre (tot nu toe) van een dichter hebben besproken. Voor wie nog niet genoeg te lezen heeft op het strand.

SchroomruilMichel Bartosik

Van deze Vlaamse pink poet bespraken we het verzameld werk Schroomruil dat in 2013 bij het Poëziecentrum verscheen (de vierde bespreking ooit). Schroomruil is een prachtige uitgave voor een toch vrij onbekende dichter, die vroeg stierf en maar drie bundels publiceerde. In het stuk proberen we een lezing te geven van wat er met Bartosiks poëzie gebeurde toen hij over de dood van zijn vader ging schrijven. (HHtN)

> ‘En strek onbeschaamd vertrouwend’ – Door de dood van een vader

Bespreking

‘je kind smelt / dat is ook de natuur’ – Maartje Smits onderzoekt persoonlijk wat er van de natuur overblijft

Filmstill uit 'poldernostalgie' (2016) van Maartje Smits

Als God de schepping heeft voltooid, stelt hij de dieren die hij heeft gemaakt stuk voor stuk voor aan de eerste mens, Adam, zodat hij ze een naam kan geven. ‘En zoals de mens elk levend wezen noemen zou, zo zou het heten,’ Genesis 2:19. Zo zullen ze heten – maar voor wie? De meeste dieren trekken zich weinig aan van de soortnamen die wij ze geven. Geen wonder dat God meteen na deze doopmarathon een tweede mens schept.

Maartje Smits stelt die vraag naar de namen scherp in haar nieuwe bundel Hoe ik een bos begon in mijn badkamer (2017). Ze schets de situatie van de laatste mens, een vrouw die nooit meer baren zal in een van de laatste gedichten uit de bundel. De vrouw heeft melkklieren ‘waar generaties in zijn verschrompeld’. Dit is de laatste strofe van het gedicht:

dit is toch geen plek om uit te sterven
de laatste mens tekent hokjes in het zand
om zich thuis te voelen
ze kent alle namen van dieren en andere
begrippen die in onbruik zijn geraakt

De Regelname

‘Het is eigenlijk een Grote Vraag, verstopt onder een kleine vraag’ – Maarten Buser over Jana Prikryl, het geheugen en terloopsheid

Beeld door Anath Junge

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. Eens per maand vragen we een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.

Met in deze eerste aflevering: Maarten Buser, dichter, criticus en journalist, die begin 2016 debuteerde met zijn bundel Club Brancuzzi. Een interview over herinneren, anekdotische poëzie die je besluipt en anderstalige invloeden. Lees hier het bijbehorende gedicht ‘Eindeloos scrollen’.

Who remembers where the juice was spat?

Uit: ‘Inverted Poem for the Fluoride Ladies of Pleasant Valley School’ – Jana Prikryl

Bespreking

‘op dit hân-skip hear en fiel ik ferheard oan / en sjoch it wurdt freonskip’ – Poëzie als een handelend spreken

Bileam en de engel – Detail van een illustratie uit de Holman Bijbel (1890)

In Tusken de bedriuwen troch is âlderdom (1981) opent Tsjêbbe Hettinga een gedicht met de volgende regels:

nei de lange boatreis ta it fleis bin ik by har belâne
lân lyk in minske wetterich widzjend en fol geheimen noch
fee en flinter de winter de baas befolkje it fredich fjild
en as kabouter op dit hân-skip hear en fiel ik ferheard oan

en sjoch it wurdt freonskip

[na de lange bootreis naar het vlees ben ik bij hen beland
land als een mens waterig wiegend en vol geheimen nog
vee en vlinder de winter de baas bevolken het vredige veld
en als kabouter op dit handschap hoor en voel ik verwondering

en zie het wordt vriendschap]

En daarin beginnen al een aantal onderwerpen waarover ik het zou willen hebben. Laat ik ze voor nu samenvatten in twee ideeën: 1) dat van een handschap, van het land als een handschap, en 2) dat van een blinde die ons vraagt te zien, een blinde die ons zegt: zie het wordt vriendschap. Met die blinde bedoel ik niet Hettinga, of óók, maar daar gaat het me niet om – ik bedoel dat het gedicht niet zien kan waar het ons op wil wijzen.

Bespreking

‘Wurdt wjerljocht byldtaal’ – Over de droom in het late werk van Tsjêbbe Hettinga

Detail uit 'Jacobs droom' (1614) - Domenico Fetti

De dood heeft een eind gemaakt aan Tsjêbbe Hettinga’s oeuvre. Dat wil zeggen: er komen geen gedichten meer bij, we kunnen hoogstens nog onbekend werk ontdekken. Zo’n overzicht – op het omslag van It faderpaard (2017) staat het absolute ‘Alle gedichten’ – is verleidelijk. De compleetheid ervan maakt het aanlokkelijk om Hettinga’s dichterschap ook samen te vatten en een definitief oordeel te vellen over zijn werk. Maar de dood, hoe beslist ook, beëindigt wel maar voltooit niets.

Bespreking, Opinie

‘Hettinga weigert.’ – Over autobiografie, projectie, en het bespreken van levenswerk

Detail uit een scherm van Hasegawa Tōhaku, afbeelding van dennenbomen.

Op zaterdag 13 mei plaatste de Volkskrant naar mijn weten als het eerste landelijke dagblad een recensie van Het vaderpaard / It faderpaard, het recent verschenen verzamelde werk van Tsjêbbe Hettinga. De recensie is geschreven door Maria Barnas, neemt de helft van bladzijde 23 van Sir Edmund in beslag – op de bovenste helft siert een foto van schapen in een door mist bedekt weiland. Hij telt 507 woorden, waarvan 59 aan geciteerde poëzie. Naast de recensie staat informatie over het boek; vertaler(s), uitgeverij, verkoopprijs, het aantal bladzijden (832), het genre, de titel, en gelukkig ook het aantal sterren dat deze bundeling gedichten verdient.

Hoe beoordeel je het werk van een man die, beginnend bij zijn vierentwintigste levensjaar, tot na zijn vierenzestigste – zijn laatste bundel werd postuum op zijn computer gevonden – poëzie publiceerde?

Bijvoorbeeld met een score van 3 uit 5.

Laat ik meteen zeggen aan te nemen dat Barnas die sterren liever ook achterwege zou laten. (Ik heb geen idee hoeveel vrijheid een recensent zou hebben zo’n beoordeling te weigeren.) Laat ik, voordat ik verder ga, ook benadrukken dat ik in zekere zin opkijk naar mensen die zich in staat voelen tot het op zo’n manier beoordelen van poëzie, in dit geval van een geheel oeuvre. Hoewel ik achter de ideeën staan waarmee er hier op Klecks stukken geplaatst worden, is het natuurlijk evengoed te zien als een vlucht om poëzie meer te bespreken dan echt te recenseren. Desalniettemin rijst de vraag: hoe moet je zo’n enorme hoeveelheid poëzie in zo’n kleine ruimte behandelen?

Bespreking

‘And yet:’ – Over relativisme, oprechtheid en ironie

Detail uit 'Jeanne d'Arc' (1879) van Jules Bastien-Lepage

Alle bezoekers van de laatste Gidslezing, gegeven door Ben Lerner, konden een cahier mee naar huis nemen met daarin een lang gedicht van Lerner, inclusief vertaling en een inleiding door Piet Gerbrandy: The Dark Threw Patches Upon Me Also. De lezing vormde een mooie gelegenheid voor De Gids om zowel op papier als online over de Amerikaanse dichter de publiceren, wat onder andere een mooi lang stuk van weer Gerbrandy opleverde, waarin hij No Art (2017) leest, Lerners recent verzamelde poëtische oeuvre.

Lerner gaf, in zijn vlugge maar erg verstaanbare Amerikaans, een indrukwekkende lezing, waarin hij ook weer blijk gaf van zijn blijvende interesse in authenticiteit en maatschappelijk engagement. Gerbrandy stipt die onderwerpen ook aan in zijn stuk en zijn inleiding. Het zijn begrippen die, samen met bijvoorbeeld ironie, inmiddels al even centraal staan binnen wat je het literaire gesprek zou kunnen noemen – of zeg maar gerust het culturele gesprek. In zijn lange gedicht problematiseert bijvoorbeeld Lerner de oprechtheid waarmee we voor een gemeenschap zouden kunnen spreken.

Binnen dat gesprek, ook in de manier waarop Lerner veelal wordt gelezen, is postmodern relativisme of al dan niet postmoderne ironie vaak de antagonist. En dat perspectief is een beetje gevaarlijk. Het neigt er namelijk naar de problematiek van een dichter als Lerner terug te brengen tot een sociaal-culturele modegril, in plaats van een fundamenteel probleem van denken, taal en literatuur. Waarbij het probleem ook is dat die twee niet per se gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn.

Overzicht

Klecks-bundelvooruitzicht 2017 – Zomer

Detail uit 'Zeegezicht bij Les Saintes-Maries-de-la-Mer' (1888) van Vincent van Gogh

Het is traditioneel niet de drukste periode, wat poëzie betreft – de zomer. Toch zijn er in de hier en daar verschenen zomeraanbiedingen wel wat bundels op te sporen. Klecks vat de komende maanden aan verschijningen (wat we weten over juni, juli, augustus en zelfs september) weer even voor je samen.

Juni

Jeroen van Kan, De wereld onleesbaar

Twintig jaar schreef hij onder pseudoniem Wesley Albstmeyer, maar de nu co-presentator van Boeken laat De wereld onleesbaar onder eigen naam verschijnen.

Het is een bundel van een ‘machteloze betekenisjarger’, aldus de uitgever, die ‘tegen beter weten in voortdurend jacht blijft maken’ op houvast, die hij onvindbaar weet. Het valt natuurlijk te hopen dat de inhoud zich minder gaat bedienen van gemeenplaatsen dan zijn flaptekst. (Daar gaan we in elk geval vanuit.)

Wat dat betreft krijgen we de volgende regels alvast mee: ‘kijk het lijk van de wereld daar eens liggen op die tafel / al dat ongepaste bloesemen alleen nog een dode belofte van niks / de wreedheid van april voorgoed vergolden’. (RtN)