Bespreking

‘En wat in godsnaam kan mijn kleine / met een tiental metaforen’ – Idwer de la Parra over wat een vader zijn kinderen geeft

Detail uit 'Kruisiging' (1490) van Carlo Crivelli

Once more the storm is howling, and half hid
Under this cradle-hood and coverlid
My child sleeps on.  There is no obstacle
But Gregory’s wood and one bare hill
Whereby the haystack- and roof-levelling wind,
Bred on the Atlantic, can be stayed;
And for an hour I have walked and prayed
Because of the great gloom that is in my mind.

Dit is de eerste strofe van misschien wel het bekendste gedicht over vaderschap uit de Engelse literatuur, ‘A Prayer for My Daughter’ van W.B. Yeats. Onder een storm die zijn gemoed en karakter externaliseert, piekert de dichter over de meest archetypische vraag van het ouderschap: wat wil ik voor mijn kind en hoe kan in het haar geven? Het antwoord dat hij geeft, schijnt mij toe als het typische antwoord van een vader. In de rol van opvoeder en verantwoordelijke besluit de onstuimige Yeats dat hij een rustig leven wil voor zijn dochter, dat ze een bestendige plek voor zichzelf vindt, dat ze vriendelijk zal zijn en goedlachs, een groene laurier op een goede plek:

O may she live like some green laurel
Rooted in one dear perpetual place

De druilerige en donderende Yeats hoopt, simpeler gezegd, dat zijn dochter hebben kan wat hij niet had. Dat ze een ander leven zal leiden dan hij.

Idwer de la Parra lijkt ook een onrustig, ongericht leven achter de rug te hebben. Dan hebben we het, voor de duidelijkheid, over het poëtische ik uit zijn debuutbundel Grond (2016). Dat leven bracht ook, soms per ongeluk lijkt het, kinderen voort. De la Parra vraagt, directer dan Yeats: ‘Hoe te leven? // Wat mijn zoon te zeggen?’ Specifieker nog, in een gedicht waarin hij zijn dochter troost, als zij inmiddels alweer is vergeten waarom ze huilde, vraagt de dichter: ‘Kan ik haar geven wat ik / zelf niet had?’

Bespreking

Over doden, auteurschap, vertalen, vrijheid en de Bibliotheek

Detail uit 'Sonnenblumen' (1911) van Egon Schiele

In ’s Middags zwem ik in de Noordzee (2014) nam Wim Brands een aantal gedichten op die geschreven waren ‘vrij naar’ andere dichters. Het geval wilde dat ik één ervan herkende, dat wil zeggen, werkelijk herkende, herkende als een ander gedicht, het gedicht waarnaar het geschreven zou zijn. Ik leek het simpelweg voor het eerst ‘in het Nederlands’ te lezen. Initieel maakte ik me daar ietwat kwaad over – waarom zou je zeggen dat je iets ‘vrij’ naar een andere dichter schreef, als wat je ervan gemaakt hebt ook door zou kunnen gaan voor een vertaling? Gevoelsmatig vond daarmee een bepaald soort toe-eigenen plaats, een bepaalde transgressie.

Inmiddels is mijn reactie omgeslagen in een vraag, en wil ik een poging doen beter na te denken over wat daar gebeurt. Een poging misschien méér te lezen in wat dat ‘vrij naar’ zou kunnen betekenen. Het zou ook, bedacht ik me bijvoorbeeld, een poging kunnen zijn niet te beweren dat het je gelukt is iets te vertalen, een poging om afstand tot het origineel te houden. Niet om het origineel weg te duwen, maar om wat je daar zelf van maakte er niet aan gelijk te stellen.

Hoe het ook zij: er bestaan nu twee gedichten die in een vreemde verhouding tot elkaar staan, elkaar erg nabij maar op een nadrukkelijk geschapen afstand. Wat brengt dat aan het licht?

Bespreking

‘Als ik een heldere gedachte opschrijf, vliegt er een auto in brand’ – De waarachtigheid van het aforisme bij Hannah van Binsbergen

Een detail uit 'Self-portrait of You + Me (David Bowie)' (2007) van Douglas Gordon

In zijn recensie op De Reactor vat Lodewijk Verduin het strijdtoneel van Kwaad gesternte, de VSB-winnende debuutbundel van Hannah van Binsbergen, als volgt samen:

Er komen verschillende segmenten van aangenomen identiteiten en gezichten voorbij; nu eens zijn dat kattebelletjes, dan weer volledige bekentenissen. Deze fracties van identiteiten staan vaak haaks op elkaar. Wanneer je de bundel achter elkaar leest valt dan ook op hoe veelzijdig, en daardoor inconsistent, de vertellende dichter is. Het beschreven subject wisselt tussen kwetsbaar en almachtig, wat haar tegelijkertijd kenbaar en ongrijpbaar maakt.

Van Binsbergens eerste bundel thematiseert een meervoudige identiteit, onverenigbaar tot één coherent persoon – tenminste, als we als we vasthouden aan een idee van identiteit waarin tegendelen onverenigbaar zijn. Zo’n idee lijkt in Kwaad gesternte juist op het spel te staan.

Bespreking

‘o kraai, wat doe je in mijn binnenplaats?’ – Noemer en het risico op een ander bij Joost Baars

Detail uit 'Kraai op een wilgentak', Okuhara Seiko

Wat betekent het om afwezig te zijn? Hoe ben je dat? En hoe verhoudt je afwezigheid zich tot je naam? Dat zijn vragen waarop ik ten minste deels een antwoord wil formuleren voor ik Joost Baars’ Binnenplaats zou kunnen beginnen te bespreken. (Tegelijkertijd is het stellen van die vragen al een bepaald begin, omdat de vragen bij me spelen vanwege het lezen van die bundel, ze stellen is onderdeel van het lezen zelf.)

Wat ik maar gezegd wil hebben: deze bespreking volgt een omweg. Een besliste omweg, geloof ik – geen omzwerving – maar toch. Ik hoop dat er mensen bereid zijn mee te bewegen, omdat ik denk dat de omweg ons brengt op een plek waar Baars’ gedichten sterker resoneren dan daarvoor, luider kunnen klinken dan eerst.

Voor enig houvast, eerst even de feiten. Binnenplaats opent na een motto met een los gedicht, ‘Kosmologie van het tapijt’. Daarna volgen vier afdelingen, die alle behalve de derde een eigen motto meekrijgen. ‘Binnenplaats’ bevat gedichten elk geschreven aan een Jij (met een hoofdletter die persoonsnamen niet krijgen), ‘Meer dan aan elkaar’ bestaat uit een grotere variatie aan gedichten, vervolgens komt ‘Waar ik niet heen wil gaan’, een afdeling vertalingen van sonnetten van Gerard Manley Hopkins, en ten slotte ‘Het dal van Spoleto’, een reeks gedichten geschreven aan verschillende vogels of vogelsoorten. Het laatste gedicht wordt in de inhoudsopgave gerekend tot die laatste afdeling, maar staat in de bundel wel na een leeg gelaten bladzijde.

Bespreking

‘waar is la última?’ – De urgentie van de vertaling in Tijl Nuyts’ Anagrammen van een blote keizer

Een detail uit 'Bileam en de ezel' (1626) van Rembrandt van Rijn

De achterflap van Tijl Nuyts’ (1993) debuutbundel stelt ‘dat Anagrammen van een blote keizer de kunst van het heldere denken tot lyrische hoogten voert.’ Dat zijn zorgvuldig gekozen woorden, waarin een vlugge lezer zich nog wel eens zou kunnen vergissen. Misschien verwacht je namelijk op basis van zo’n tagline een abstracte, conceptuele poëzie, opgebouwd uit precies geformuleerde stellingen. Maar die ‘lyrische hoogten’ zijn geen krachtterm, veeleer een beschrijving. En met die lyriek is Nuyts wel degelijk na aan het denken, maar het is een denken van een wereld aan verschil. Verschillen tussen mensen, gedachten en talen – en ga zo maar even door.

Het is bovenal een lyriek die een verhaal vertelt – hoe tegenstrijdig dat ook mag klinken voor iemand die een beetje onderlegt is in het verschil tussen lyrische en narratieve poëzie. Nuyts voert personages op en ontwikkelt ze, zij zijn het die spreken, denken en voelen. Zoiets schrijft Nuyts ook het gedicht ‘La última’:

in de mond van een personage dat niet de dichter is
klinken woorden van vrouwen, knechten, dronkaards
als duiven die koeren tussen de takken

Al het denken dat de gedichten doen, gebeurt via deze personages, die zich ergens ophouden tussen vleesgeworden concepten en gemythologiseerde bekenden. Een gedicht uit de bundel voelt daarom enerzijds aan als een verhalend denken en anderzijds als een soort geabstraheerde anekdote. Misschien kunnen we dit zelfs in een meer literatuurwetenschappelijke zin samenvatten als de spanning tussen lyriek en narratief.

Op deze manier staan wij lezers, om het met een citaat van Wittgenstein te zeggen, ‘als de os voor de pas geverfde staldeur.’ En dat lijkt precies de plek te zijn waar Nuyts ons wil hebben.

Bespreking

‘en iedereen lag in een deuk’ – Poëzie en punchlines in Griffioen (en Wijnberg)

Jan Steen – Detail uit Dorpsschool

Eind 2015 verscheen Wijk, het debuut van Jonathan Griffioen, dat afgelopen lente werd genomineerd voor de C. Buddingh-prijs. Een deel van de regels (of fragmenten van regels) kreeg ik eerder te lezen, nadat ik Griffioen leerde kennen tijdens het finaleweekeind van Write Now! 2012. Het voelt dan ook soms vreemd de bundel in zijn ‘uiteindelijke’ vorm te lezen: hier en daar spoken nog schimmen van gedichten rond die, in zekere zin, niet meer bestaan. Anders gezegd: ik ben me bij het lezen van Wijk bewuster dat bepaalde associaties door anderen niet zullen worden gemaakt, bewust van mijn persoonlijke context – hoewel die bij welke andere bundel dan ook een rol zal spelen.

Tegelijkertijd is poëzie misschien bij uitstek het soort taalgebruik dat zoiets zou moeten kunnen overleven – en daarin komt het overeen met een goede grap. (Een grap maakt op een soortgelijke manier gebruik van het impliciete, terwijl dat impliciete op een bepaalde manier gedeeld moet worden, wil de grap werken.) In ‘Wanneer wordt het grappig op iets te wachten?’, een gedicht uit Nachoem Wijnbergs Nog een grap, lezen we ook over het omgekeerde:

Ik herinnerde mij
dat het grappiger was,
maar je moet veel weten
om het grappig te vinden,
en bijna niemand weet meer zoveel.

Een grap in poëzie komt soms over als gevaarlijk. Het komt voor dat mensen iets ‘geen poëzie meer vinden’ omdat het ‘te grappig’ is, te veel op een mop lijkt, doet lachen. Ik weet niet of ik erachter kom waar dat ‘m in zit, maar ik ben wel benieuwd: wat doen grappen in en met een gedicht? Wat doen ze in Wijk?

Bespreking

‘Een vorm van ondergang, maar gloeiend’ – Ester Naomi Perquin en het verhongerende, messiaanse gedicht

Giovanni Lanfrancon – Detail

In januari verscheen Ester Naomi Perquins vierde bundel, Meervoudig afwezig, en sinds twee weken is ze ook onze nieuwe Dichter des Vaderlands. Als ze die rol een soortgelijke invulling weet te geven als haar Rotterdamse stadsdichterschap – waar ik in oktober al over schreef, toen ik al Perquins werk tot dan toe besprak – staat ons de komende twee jaar nog veel goeds te wachten.

In het interview dat naar aanleiding van haar benoeming verscheen in het NRC, gaf ze het volgende antwoord op de vraag of het belang van taal wordt onderschat:

Steeds meer mensen hebben, of gebruiken, een heel beperkt jargon. Ik hoorde dat ooit van een psychotherapeut, die veel ongelukkige mensen sprak. Een groot deel van zijn clientèle, ook hoogopleide mensen dus, drukte zich uit in termen als ‘kut’ of ‘toppie’. Meer smaken waren er niet. Wanneer dat de enige stemmingen zijn die je tot je beschikking hebt, dan beperkt dat je. En dan valt je stemming al gauw naar ‘kut’.

Bespreking

‘Een gedicht maken / dat groter is dan past’ – Over hopen op waar je vertrouwen in hebt

Detail uit 'Vier bomen' van Egon Schiele (1917)

Aurelius Augustinus begint zijn Belijdenissen met een gebed waarin hij God vraagt bij hem binnen te komen, hem te vullen. Hij wil zo dicht mogelijk bij God zijn. Augustinus bidt zo in de volle wetenschap van de moeilijkheden die dat verlangen tekenen. Waar zou God, eeuwig en alomvattend, zich immers op moeten houden in een eindig mens? Augustinus gaat, al biddend, een aantal mogelijke antwoorden na op die vraag – hij belijdt, zogezegd, ook zijn ideeën – maar hij eindigt uiteindelijk toch weer met een bede: ‘Het huis van mijn ziel is te klein om u binnen te laten, maak het ruimer.’

De antwoorden die Augustinus heeft, zijn blijkbaar niet zeker genoeg om zijn gebed overbodig te maken. Enerzijds roept hij: ‘Alles is uit u, alles is door u en alles is in u. Zo is het, ja Heer, zo is het!’ En anderzijds blijft hij die God die overal is toch bidden om eindelijk ruimte te maken voor zichzelf. Twijfelt Augustinus dan of hij God wel echt in zijn hart heeft gesloten? Waarschijnlijk – maar ik denk niet dat deze gebed over zulke twijfels gaat. Dit is denk ik geen uitzondering; we krijgen hier iets mee van het verband tussen geloven en bidden. Tussen iets als vertrouwen en hopen, als we het meer seculier willen vertalen. Namelijk: je bidt juist voor waar je in gelooft.

Geloven is, los van of dat nou in God is of in iemands liefde voor jou, een activiteit. Je moet voortduren blijven geloven. En dat is waar iets als een gebed een rol begint te spelen. Of misschien niet het gebed als een genre, maar het vragende en onbevestigde karakter van het gebed. Als een vraag die ruimte maakt voor de toekomst.

In die hoedanigheid vind ik het gebed tenminste terug in veel van de poëzie die ik lees. Een dichtregel heeft het vermogen om ruimte te laten voor meer dan wat er verwoord kan worden, voor wat we kunnen benoemen, om een vraag te laten bestaan.

Bespreking

‘we jaagden altijd al op elkaar in onszelf’ – Hoe liefde vergaat in Charlotte van den Broecks Nachtroer

Piet Mondriaan - Compositie met rood, geel en blauw (1942)

In haar essay Twee gaten (Gids #6, 2016) noemt Lieke Marsman het gedeelde bed ‘de plek bij uitstek waar ons symbiotische liefdesideaal werkelijkheid wordt’. Dat bed is tegelijk de plek waar duidelijk wordt dat zo’n verlangen naar eenwording niet volledige vervuld kan worden, want ‘zodra de dag aanbreekt gaat ieder zijns weegs.’ Wat onder de lakens een en hetzelfde zou kunnen zijn, dat Shakespeareaanse beest met de twee ruggen, splits ’s ochtends weer op in twee afzonderlijke personen.

Charlotte van den Broecks plaatst haar tweede bundel Nachtroer (2017) in de lijn van gedachten als die van Marsman als ze die in Opiums radioprogramma afzet tegen haar eersteling Kameleon (2015): ‘In de eerste bundel was het een zoektocht naar symbiose, met het eigen lichaam, met andere lichamen. Dat was heel hoopvol. En nu is die symbiose toch wel gefaald in de tweede bundel.’ Dit wordt al duidelijk in het eerste gedicht van de openingsafdeling, waarin niet alleen het bed, maar heel het huis wordt verdeeld tussen scheidende geliefden ‘in bananendozen en bezittelijk voornaamwoorden / de boekenkast in links en rechts’.

Zo begint de reconstructie van een ontbonden relatie.

Bespreking

‘je huid is een instrument dat huivert’ – Foto’s en poses in Vicky Franckens Röntgenfotomodel

Detail uit de 'eerste' medische röntgenfoto: de hand van Wilhelm Röntgens vrouw, Anna Bertha Ludwig

Tijdens het herhaaldelijk lezen van Vicky Franckens pas verschenen debuut Röntgenfotomodel begon ik me af te vragen wat ik versta onder ‘beeldende poëzie’.

Wat maakt een regel tot een beeld?

Hoewel we in dagelijkse gesprekken ook beschrijvingen gebruiken, draagt het feit dat een beschrijving in een gedicht staat bij aan de mogelijkheid tot een poëtisch beeld  – waarvan ik een preciezere definitie verder uit zou willen stellen. Dat de omgeving van een beschrijving bijdraagt is volgens mij wat duidelijk wordt wanneer kunstenaars readymades gebruiken. Misschien is het goed te beginnen bij readymades.