Opinie

Doorheengaan, voorbijgaan – Na ‘het’ postmodernisme

Camille Corot - The Burning of Sodom

Dit jaar verscheen Dichters van het nieuwe millenium, onder redactie van Jeroen Dera, Sarah Posman en Kila van der Starre – via Facebook kreeg ik er het een en ander van mee. Wat me benieuwd maakte waren vooral ook (negatieve) reacties van mensen op de inleiding, of zelfs maar op de titel. Ik heb net als die mensen inmiddels de titel en de inleiding gelezen, dus zie ik mijn kans schoon om ook een mening te hebben – maar dan over die reacties zelf.

‘Wat ze in feite altijd heeft gedaan’

Er is daar bijvoorbeeld Huub Beurskens, die zich verbaast over de titel van het boek. Hij schrijft:

Wat mij verbaast: de eenentwintigste eeuw is pas 16 jaar en 6 maanden oud en heeft dus nog maar liefst 83 jaar en 6 maanden te gaan, en nu zijn er al (beschouwelijke) bloemlezingen verschenen van literatuur van deze eeuw. (…) Het lijkt me een typisch verschijnsel van deze tijd, waarin men het nieuwste en het nieuws met het nog nieuwere nieuws vóór wil zijn, waarin de journaalbulletins van vandaag al vooruit kijken naar de actualiteit van morgen, waarin gasten van praatprogramma’s op de televisie of ‘actueel’ of non-existent zijn.

Een wat mij betreft nogal misplaatste reactie. Ten eerste omdat iets het nieuwe millennium noemen, volgens mij al duidelijk zegt dat je het juist over een kort tijdsbestek hebt. Iemand uit 2200 gaat het millennium niet meer nieuw noemen. Iemand uit 2999 nog minder. Maar daarnaast omdat in de inleiding van het boek zelf ook gereflecteerd wordt op de titel, waar de redactie schrijft: ‘De titel geeft onze postpostmoderne nostalgische inslag prijs (wie heeft het in 2016 nog over het nieuwe millenium?), drukt ons enthousiasme uit over de toekomst van de Nederlandstalige poëzie, en dient, door te herinneren aan het feit dat we er nog geen duizend jaar geschreven Nederlandstalige poëzie op hebben zitten, als voornemen niet te klein te kijken, niet te twisten op een vloertegel.’ Wellicht was het voor Beurskens een idee geweest om het boek eerst open te slaan voordat hij de titels bekritiseert om hun vermeende poging ‘een voorschot te nemen op de geschiedenis (…) voordat ongetwijfeld zal blijken hoe ijdel, armzalig en dus onnozel het plakken van zulke etiketten geweest is.’ Als hij de inleiding had gelezen, had hij in elk geval zijn eigen etiket niet hoeven plakken.

Heel iets anders – Beurskens sluit af met de volgende alinea:

Maar vooral staat dit alles haaks op wat ik hoop dat nieuwe ware literatuur vandaag de dag kan doen, namelijk wat ze in feite altijd heeft gedaan: uit wezenlijke vanzelfsprekendheid haaks staan op de waan van de zichzelf actualiserende actualiteit.

Hoeveel pretentieuzer is het niet, meer nog dan het pogen de literatuur van een onvoltooid millennium samen te vatten (wat de schrijvers van de bundel niet beogen), te denken samen te kunnen vatten wat de ware literatuur in feite altijd heeft gedaan? Volgens mij is het een nogal hedendaags idee dat literatuur ‘uit wezenlijke vanzelfsprekendheid [in tegenstelling tot accidentele vanzelfsprekendheid?] haaks staat op de waan van de zichzelf actualiserende actualiteit’. Sowieso denk ik dat je zo’n manier van denken, de ‘zichzelf actualiserende actualiteit’, niet vóór 1960 tegenkomt.

Het idee dat dichters van vóór 2000 op hun debuteerdatum worden ‘afgerekend’, dat Beurskens omschrijft als discriminatie van vrijwel gelijke aard als seksisme en racisme, lijkt me ook nogal buitensporig.

TOEVOEGING: Na het schrijven ontdekte ik dat Beurskens een postscriptum heeft toegevoegd. Daarbij bekritiseert hij nu met name de ondertitel, al citeert hij die eerst nog verkeerd (het is niet ‘van de 21e eeuw’, maar ‘in de 21e eeuw’, waarmee de mening dat er van die titel een idee van afsluiting en uitsluiting uitgaat, wat mij betreft misplaatst is). Ook zijn andere kritiek (‘Wat me niet aanstaat, is het denken in en vanuit ogenschijnlijk objectieve kaders en criteria, zoals in dit geval dat van de gregoriaanse kalender’) had hij achterwege kunnen laten als hij de inleiding had gelezen, waar de samenstellers zelf al zeggen: ‘Het nieuwe millenium vatten we daarbij niet op als groot breukmoment, maar als coup-de-dés-vorm – de fruitmachine geeft 2000 aan: wat met de poëzie?’ Nergens de bewering dat dit een ‘objectief kader’ vormt. Het idee dat dichters van vóór 2000 op hun debuteerdatum worden ‘afgerekend’, dat Beurskens omschrijft als discriminatie van vrijwel gelijke aard als seksisme en racisme, lijkt me ook nogal buitensporig. Ik bedoel, what the heck, de afbeelding op de voorkant (met het ‘stiftgedicht’) en de inleiding van de inleiding gaan al in op het probleem van wie er allemaal wel niet worden weggelaten door de keuzes van zo’n bundel.

‘Hoewel ik al door het post-modernisme ben heengegaan’

Een andere reactie komt uit de hoek van Chretien Breukers, in inmiddels twee blogs. Breukers komt een beetje op me over als de Geert Wilders van de poëziekritiek. Hij wil geenszins horen bij de intelligentsia, sterker nog, hij ontmaskert haar (‘Zo is het maar net, al is dat natuurlijk een vorm van luiheid die zich verschuilt achter theoretische handigheidjes.’). Tegelijkertijd is het van belang dat we te horen krijgen dat hij zelf, daarentegen, boven al dat academische geneuzel staat, zoals dat spreekt uit iets als dit:

De plek die beide dichters in DvhNM innemen bewijst dat de samenstellers grotendeels hebben ingezoomd op een ‘veld’ dat zo klein is dat de gemiddelde lezer (en, vooruit, Van Oostendorp is een iets meer dan gemiddelde lezer) nooit ziet. Niet alleen omdat het te klein is. Hij ziet het niet omdat het er gewoon niet is. Hun wetenschap wordt daardoor een vorm van fictie. Iets wat ik, hoewel ik al door het post-modernisme ben heengegaan, in bepaalde gemoedstoestanden misschien wel kan waarderen.

Breukers is door ‘het’ post-modernisme heengegaan. Wees niet bang, mensen die zich ‘er’ nog in bevinden: het is een fase. Ik moet bij zulke zinnen altijd denken aan het voorwoord van Kierkegaards Vrees en beven (die, gezien de publicatie in 1843, zeker níet door het post-modernisme is heengegaan, hoewel je dat in vergelijking met Breukers niet zou zeggen):

Iedere speculatieve marqueur [puntenteller], die gewetensvol de belangwekkende ontwikkelingen van de nieuwere filosofie bijhoudt, (…) iedere vreemdeling en iedere ingezetene in de filosofie blijft er niet bij staan aan alles te twijfelen, maar gaat verder. Het is misschien voorbarig en ongepast hen te vragen waar ze eigenlijk naar op weg zijn, maar wel is het hoffelijk en bescheiden het als een uitgemaakte zaak te beschouwen dat ze aan alles getwijfeld hebben. Anders is dat ‘verder gaan’ wel een vreemde manier van spreken. Deze beginbeweging hebben ze dus allemaal gemaakt en waarschijnlijk met zoveel gemak, dat zij het niet nodig vinden ook maar een woord vuil te maken aan het hoe.

Hoewel het misschien voorbarig en ongepast is, ben ik erg benieuwd waar Breukers uitkwam, toen hij weer uit het post-modernisme, aan de achterkant, naar buiten kwam. Het heeft er in elk geval voor gezorgd dat hij geen zin meer weet te schrijven zonder die eerst in ironie te drenken (iets wat veel mensen dan juist weer met het post-modernisme associëren). Ik doe even een bloemlezing van zijn verdere argumenten.

jonge wetenschappers in zelf-volgeschreven boekjes

Als je anderen je boekjes laat volschrijven, zijn het meestal niet jouw-door-anderen-volgeschreven boekjes, maar de zelf-volgeschreven boekjes van die anderen.

‘Deze uitgave werd mede mogelijk gemaakt door de gewaardeerde financiële ondersteuning van het Poëziecentrum en OSL (Onderzoeksschool voor Literatuurwetenschap).’ Heel aardig, van beide instituten, maar op bladzijde 67 staat een artikel van Carl de Strycker, directeur van (hela) het Poëziecentrum.

Wat is hier het probleem? Dat de directeur van het Poëziecentrum ook poëziekritiek bedrijft? Dat het instituut waar hij directeur van is een boek subsidieert waar hij een stuk voor heeft geschreven? Komt de ‘journalistieke integriteit’ in het geding? Is zijn mening nu biased? Moet een directeur van zo’n instituut vooral alleen opgenomen worden in bundels waar het instituut waarvan hij directeur is subsidie aan weigert te verstrekken?

Ach ja, Jeroen Mettes. Een korte poos was hij de lieveling van poëticaal Nederland, maar ja: de jongen bewees over weinig uithoudingsvermogen te beschikken en koos al redelijk snel voor het eeuwige leven. Op zich geen verwerpelijke keuze, al heb ik persoonlijk een lijst met namen van mensen die dat wat mij betreft beter hadden kunnen, of mogen, doen. Zijn losse notities en ‘gedichten’ werden uit de kluisters van hun internetomgeving bevrijd en in een boek samengebracht. Dat boek wordt tot op de dag van vandaag vooral genoemd, maar door niemand gelezen.

Het is makkelijk schieten op de doden. Het getuigt wat mij betreft simpelweg van wansmaak lekker ironisch te tieren op zelfmoord, zeker nadat je degene die het gepleegd heeft op je eigen blog van morele misstappen beschuldigt, nadat je een artikel over Stalin compleet verkeerd gelezen hebt.

Ik zou door kunnen gaan, maar onderaan die blogpost vatte Mettes de houding van Breukers al erg goed samen: ‘Sarcasme werkt alleen als je begrepen hebt waar je sarcastisch over bent. Zo niet: kom je dom over, of kwaadwillend, wie weet.’

Breukers laat op alle vlakken doorschijnen dat hij niets van dit gedachtegoed heeft meegekregen, of, als hij er al ‘in’ heeft gezeten, er niet ‘doorheen’ is gegaan maar uit terug is gevallen.

En met die zin kom ik op een ander punt. Kan iemand, die zonder moeite kan zeggen dat hij ‘door het postmodernisme heengegaan is’, begrepen hebben welk denken die term samen probeert te vatten? Want wat is eigenlijk ‘het’ postmodernisme? Het zijn bij uitstek de denkers die daarmee worden bedoeld, die als eerste het idee zouden bekritiseren dat hun onderling niet conflictloze gedachtegoed als een geheel op te vatten is, waar je vervolgens in zijn totaliteit ‘doorheen’ of ‘voorbij’ kunt.

Wat mij betreft is dat ook ‘het’ kenmerk aan ‘het’ postmodernisme waardoor je niet kunt spreken van een opvolger van ‘dat’ postmodernisme. Want juist het idee van die tijdperken van het denken komt onder druk te staan – en dat dat geen gedachte is die ‘pas’ ‘in’ ‘het’ postmodernisme tot uiting komt, laat het Kierkegaard-citaat van 100 jaar vóór dat postmodernisme ook zien.

Breukers laat op alle vlakken doorschijnen dat hij niets van dit gedachtegoed heeft meegekregen, of, als hij er al ‘in’ heeft gezeten, er niet ‘doorheen’ is gegaan maar uit terug is gevallen. (Terug naar waar? Ik heb geen idee, wat mij betreft snijdt de ruimtelijke beschrijving überhaupt geen hout.)

Een zin als ‘Hun wetenschap wordt daardoor een vorm van fictie’, die hij als postmodern opvat. Alsof niet juist het onderscheid tussen fictie en non-fictie het probleem is. Veel kritiek van mensen die zogenaamd ‘buiten’ het postmodernisme zouden staan, vervormt dat gedachtegoed tot een soort nihilisme (waarin alles fictie is, geen waarheid is, etc.), wat vooral aantoont hoe die mensen vormen van relativisme alleen weten te denken door dan dat relativisme zelf absoluut te maken. Er is óf wel kennis óf niet. Óf non-fictie, óf niet. Op die manier komt Breukers ook tot dit soort wanstaltige beschrijvingen:

Ziedaar de onoplosbare paradox van deze wetenschappers, die geen wetenschap kunnen bedrijven omdat zij niet in staat zijn zonder ongeschreven wetten en voorschriften te kijken naar de vijftien jaar die ze zeggen objectief te willen beschrijven.

Het getuigt van weinig idee van wat wetenschap dan eigenlijk is. (Sinds wanneer zijn literatuurwetenschappers tegenwoordig bezig met het ‘objectief beschrijven’ van tijdperken? Heeft Breukers ook maar een zin uit de inleiding, die hij bekritiseert, gelezen? Bijvoorbeeld de zin van de door hem zo makkelijk opzijgeschoven Mettes, ‘Nothing has less street cred than representation’, waar precies dat beschrijven, dat de wetenschappers zogenaamd zouden doen, wordt afgewezen?)

Ik vraag me daarnaast af of Breukers probeert te insinueren dat hij wel zonder ongeschreven wetten en voorschriften naar tijd kan kijken, (iets wat hij in de eerste blogpost lijkt te doen door te zeggen dat hij ‘erbij’ was: ‘Ik heb met eigen ogen gezien hoe de wereld van de Nederlandstalige poëzie in die jaren vorm kreeg, of een nieuwe vorm kreeg.’).

De opvolging van welk postmodernisme, waar, door wie eenduidig verwoord? Hoe daarna?

Postpost-

Nu moet ik deze opmerkingen ook doortrekken naar de redacteuren van de bundel zelf; die het (zoals uit het citaat al bleek) hebben over ‘postpostmoderne’ nostalgie. Ook spreekt uit sommige fragmenten de opvatting die ‘postmodernisme’ zou samenvatten met het enkel kunnen aannemen van een ironische houding:

Anders dan hun (post)moderne voorgangers, echter, verkennen de dichters van de 21e eeuw niet alleen de dieptes van de ironie, ze spelen ook met een postpostmoderne nostalgie naar ‘echte’ en oprechte ervaring.

Juist het feit, dat deze mensen het woord echte niet zonder aanhalingstekens kunnen schrijven, en de hang naar oprechtheid beschrijven als nostalgie, laat zien hoe wat er gezegd wordt zich nog steeds binnen de perken bevindt van dat denken waaraan ze voorbijgegaan zouden willen zijn. Het zijn inderdaad de ‘(post)moderne voorgangers’, met ‘post’ tussen haakjes, omdat iemand die op een modernist zou volgen, die ‘een postmodernist’ zou zijn, nooit zou kunnen spreken van ‘het’ modernisme als een eenduidige verzameling opvattingen, en van zichzelf dus nooit zonder meer kan zeggen dat hij of zij die opvolgt; en omdat iemand die zou willen zeggen te ontsnappen aan ‘het’ postmodernisme, er alleen op kan volgen na het erkennen dat er niet zoiets is als ‘dat’ postmodernisme, niet meer kan erkennen dat gedachtegoed de vorm aanneemt van totalen die elkaar kunnen opvolgen. Want de opvolging van welk postmodernisme, waar, door wie eenduidig verwoord? Hoe daarna?

Hoe daarna, inderdaad – ik kijk hoe dan ook uit naar het verder lezen in de bundel. Hopelijk zet het ook naderhand aan tot (gedeelde) reflectie.

Dichters van het nieuwe millenium Jeroen Dera, Sarah Postman en Kila van der Starre (red.)
Dichters van het nieuwe millenium: Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw
(Nijmegen: Vantilt, 2016)

De website van Uitgeverij Vantilt

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel is schrijver en wiskundige, en volgt momenteel een onderzoeksmaster wetenschapsfilosofie. Hij debuteerde in 2014 met Constellaties en was het jaar daarop laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium. In het najaar van 2017 verscheen zijn roman Het leven zelf.

Een gedachte over “Doorheengaan, voorbijgaan – Na ‘het’ postmodernisme”

Reacties zijn gesloten.