Bespreking

‘Ik geloof in de dood’ – Van rouw & zombiewording

Cheselden, William - Osteographia, or The anatomy of the bones

In 2013 debuteerde Maarten van der Graaff (1987) met Vluchtautogedichten, waarvoor hij in 2014 de C. Buddingh’-prijs ontving. Twee jaar later, in 2015, publiceerde hij Dood werk. Die laatste bundel bestaat uit twee afdelingen, één met lijsten, één met geklokte gedichten.

Het klokken is niet beperkt tot de gedichten daar. ‘In 2013’, ‘in 2014’, ‘in 2015’ – ik klok net vlug een stuk van Van der Graaffs leven. Van zijn leven? Van zijn leven in de mate waarin hij zich opschrijft, waarin hij zich literair produceert of literair geproduceerd wordt, wat eigenlijk vooral wil zeggen: zijn leven in de mate waarin hij dood is. Die notie komt ook langs in het vierentwintigste geklokte gedicht (‘waarin sectie wordt gepleegd’): ’20:28 Ik ben al dood en teken op / hoe ik heb geleefd.’

Hoe kunnen we Maarten van der Graaffs dood begrijpen?

De auteur is (on)dood

Er zou me nu verweten kunnen worden dat ik de auteur en de ik-persoon (of -personen) gelijkstel, en daarmee een literair-kritische doodzonde bega. Daar zou ik graag tegenin willen brengen dat misschien juist die verhouding onder druk staat, wanneer we over Maarten van der Graaff als dode denken. Degene, die mensen verstaan onder de naam ‘Maarten van der Graaff’, die voordraagt op poëzieavonden of op zijn bank televisie kijkt, is (vooralsnog) niet dood. Hem willen we niet begrijpen. Het is juist een literair-kritische gemeenplaats te worden te spreken over de ‘dode auteur’ – waarbij het daadwerkelijk lezen van Barthes’ essay vaak voor het gemak achterwege gelaten wordt. Daarin komt dat als volgt naar voren: aan de ene kant stelt Barthes dat literatuur de plaats is waar we de vraag, wie er aan het woord is, niet meer kunnen beantwoorden. Hij schrijft dus niet dat een tekst geen auteur heeft, dat er niemand ‘achter’ zit –maar dat we deze persoon nooit zonder meer als de spreker van wat er staat kunnen aanwijzen. Een alinea verder schrijft hij dat dit verlies van een oorsprong, waardoor het schrijven bevrijd wordt van een eenduidige spreker, plaatsvindt doordat de auteur zijn dood binnentreedt. In dat geval is het precies Maarten van der Graaff, de dode, die ik aan de ik-persoon of -personen gelijk moet stellen – we moeten hem alleen niet verwarren met een eenduidige, levende spreker.

Het is een dood die Maarten van der Graaff er niet van weerhoudt daarna opnieuw te sterven.

Wie of wat is hij dan wel? We kunnen eerst lezen wat hij zelf te schrijven heeft over zijn toestand.

In de ‘Lijst met openbaarmakingen’ omschrijft hij wat hij doet als ‘het dode werk van een dode plant’. Een dode plant, een geplukte plant misschien, die groeit niet meer. Die wordt gedroogd, of weggegeven, of zoals in de ‘Lijst met mooie geluiden’ ‘als door een valwind, / overrompeld worden’. En in het openingsgedicht, ‘Lijst met feiten’, staat: ‘Het is een feit dat ik op het platteland dood / werd geboren en daarna nogmaals, stedelijk, / doodgeboren ben.’ Het is een dood die Maarten van der Graaff er niet van weerhoudt daarna opnieuw te sterven.

Om iets dichterbij te komen, wil ik drie fragmenten aanhalen waartussen een spanning bestaat die misschien van dienst kan zijn. Uit de ‘Lijst met bedekkingen’:

Nederland, ik schrijf dit niet zomaar,
ik zoek naar je dood en gemeenschap.
Ik zoek naar je waarheid en haat.
Ik schrijf gedichten.
Ik ben in de war.
Ik zoek naar je lichaam.
Ik ben oppervlakkig.

Uit de ‘Lijst met handelingen waar ik van hou’:

Alles in mijn kamer is goed. Ik hoef alleen maar
plaats te nemen.
Het is een geschikt moment

maar ik laat het voorbijgaan.
Alles is er klaar voor
maar ik kom niet opdagen.

En ten slotte uit de ‘Lijst met mensen op de koude steen’:

Ik geloof in herhaling
en ruik de stille adem van de catastrofe.

Het is precies herhaling waarin Van der Graaff geloven moet, wil hij met enige kans van slagen zoeken naar waarheid. Want precies waarheid is wat herhaalbaar zou moeten zijn, als het zelfs al één keer voor kan komen. Waarheid is wat niet zou moeten kunnen vergaan, niet aangetast zou moeten worden door de dagelijkse, door feiten vermurwde werkelijkheid.

Maar hoe kunnen we ons dat voorstellen? Een waarheid die zich wel in de werkelijkheid zou mengen, in een zin of een gebeurtenis, maar daardoor niet wordt aangetast?

Een tweede voorwaarde, dan. Willen we met enige hoop blijven zoeken naar waarheid, dan moeten we de geschikte momenten voorbij laten gaan. Want wil waarheid niet voorbijgaan, dan moet zij deel hebben aan het voorbijgaan zelf. En daar ‘ruik [ik] de stille adem van de catastrofe’ – van de ramp die de natuur zichzelf aandoet, de omverwerpingen die de natuur in zichzelf teweegbrengt. Ik bedoel dit: in de catastrofe komt de waarheid tot uiting, als datgene wat daaraan niet ten onder gaat.

Het is intuïtief de waarheid dan te zien als datgene wat niet sterft, wat keer op keer overleeft. De wereld vergaat, de waarheid blijft ervan over. Maar Dood werk kan ons misschien aansporen het omgekeerde te denken. De andere kant van verandering: waarheid is misschien juist datgene wat dood blijft terwijl de wereld zich hernieuwt. Ik bedoel dit: zoals de zin ‘ik ben in leven’ leesbaar (en betekenisvol) zou blijven, ook als de auteur ervan gestorven is, zo is de zin ‘ik ben al dood’ al leesbaar en betekenisvol terwijl hij nog leeft.

En wat zo’n zin betekent, zouden we kunnen lezen in de ‘Lijst met jou’:

Lijst met jou

De aarde is belangrijk en de bus komt tot zijn halte,
komt tot zijn halte, verwezenlijkt zich
en brengt mij bij jou.

Straks ben ik al helemaal niet mooi meer.
Ik kan nu, beklemd door verkeer,
echt uitkijken naar dat moment.
Je moet niet gaan slapen want ik wil jou iets aandoen.
Zombiewording, doodswording:
alles is reëel,
maar ik wil je vertrouwen.

Hoe kijk jij naar neoconceptuele kunstwerken?
Ik geloof er niet in.
Ik vertrouw ze niet.
Maar wat dan, wat geloof ik dan?
Ik geloof in de dood
en dat wij het persoonlijke
opnieuw moeten belichamen
met ons dode vlees.

Nu ik dit aan jou verteld heb
is er geen weg terug.

Zombiewording, het persoonlijke met dood vlees belichamen. ‘[A]lles is reëel, maar’ – maar wat? Máár misschien is er een manier waarop we, ondanks ons altijd te reële bestaan, deel zouden kunnen hebben aan iets wat waar is. Het persoonlijke waar maken door het met dood vlees te belichamen, waarheid vinden in doodswording. Alleen een dode Maarten van der Graaff kan jou iets aandoen, kan bij jou gebracht worden, kan met jou intiem zijn. Alleen de Maarten van der Graaff die al niet meer vergaat, die zich al op het punt bevindt vanwaar er geen weg terug meer is: het punt van wegneming.

Zegt het niet iets, de manier waarop we zombies ondood noemen, zonder ze daarmee tot de levenden te willen rekenen? Zombiewording als je bewegen in je dood, waarmee je iets blijvends zou kunnen zijn.

Een manier waarop Van der Graaff ook God zou kunnen behouden, zoals in de ‘Lijst met wegnemingen’:

Mijn geloof is Jezus is weggenomen door Jezus,
met zijn droevige koppetje.
Zijn wegneming en weigering
zitten ’s nachts met bebloede snuit
op mijn bed.

Het zijn de wegneming en weigering van Jezus die achterblijven; van Jezus die, in Johannes 14:6, ‘de Weg, de Waarheid en het Leven’ zegt te zijn. Het is wat mij betreft veelzeggend dat Jezus zelf het geloof in Hem wegneemt – juist het dode laat zich herhalen, dat wat geweigerd en weggenomen op je bed ligt wordt door de werkelijkheid niet aangetast – omdat het er niet als zodanig is.

We kunnen ons tot de waarheid verhouden door een vorm van rouw.

Elke andere tijd

Ik heb nu, op de losse zin uit de inleiding na, alleen delen uit de eerste afdeling gelezen. Wat de geklokte gedichten uit de tweede afdeling precies zijn, legt een van die gedichten zelf aan ons uit:

Twaalfde geklokte gedicht, waarin ik het uitleg

16:24 Hoe maak je een geklokt gedicht?
Kijk op de klok. Noteer de tijd.

16:25 Schrijf een gedicht.
Wanneer je stopt met schrijven en even zit te lummelen
moet je daarna, wanneer je verdergaat, de tijd noteren.
Als je naar de wc moet of naar buiten wil
is het gedicht af.
Verander er niets meer aan (of bijna niets).
Doe dit de dag erna weer.
Ik bedoel: schrijf de dag erna weer een geklokt gedicht
en verander de dag erna weer niets (of bijna niets).
Nummer het geklokte gedicht.
Voeg eventueel een titel toe.
Doe dit in de stijl van negentiende-eeuwse hoofdstuktitels.

16:27 Nu ben je een dichter. Creatief en ondernemend.
Je hebt jezelf gedisciplineerd en gerealiseerd en elke andere tijd
is ondenkbaar geworden.
Je bent een efficiënt spook van het modernisme.

Waar ik eerst met enig gemak de ‘ik(ken)’ uit de bundel Maarten van der Graaff noemde – zij het een dode variant – zou ik er nu voor op willen passen de ‘je’ zonder meer gelijk te stellen aan de lezer. Wat bijvoorbeeld te denken van de opdracht het geklokte gedicht te nummeren. Ieder voor zich? Doortellen waar de bundel stopt? Hopen dat niemand anders je favoriete priemgetal al met een vers bezet houdt?

We kunnen de uitleg hoe een geklokt gedicht te schrijven lezen als een oefening in zombiewording.

Als het de dode Maarten van der Graaff is die in de bundel aan het woord is, hoeven we voor de aangesproken ‘je’ niet de lezer in het algemeen in te vullen, maar kan dat ook de nog levende Van der Graaff zijn.

We kunnen de uitleg hoe een geklokt gedicht te schrijven lezen als een oefening in zombiewording. De schrijvende dichter is bezig een ‘efficiënt spook’ te worden door zich te disciplineren, door zich van elke levende tijd te ontdoen en over te blijven als inscripties in een kantlijn, als herhaalbare tijden, 16:34, 12:09, die slechts aangeven hoe er tijdens dat schrijven door iemand gelummeld werd, die aangeven hoe lang het duurde voor iemand toch echt moest plassen. Het leven blijft over als iets dat heeft geduurd. Het wordt ‘opgetekend’ en de dichter is ‘oppervlakkig’. In het twintigste geklokte gedicht (‘waarin Simone Weil verschijnt’) staat het zo:

17:11 Ik word de klok,
gedicteerd, besmet en omgeven
door mijn dode geliefden,
uiteengevallen tot
onvorm en wangestalte.
17:14 Tot ruis gebracht en
opgenomen in een ruisen.

Simone Weil is dan ook geen willekeurige verschijning. ‘We willen dat de toekomst er is zonder te stoppen toekomst te zijn. Dit is een absurditeit waarvan alleen eeuwigheid de genezing is’, schrijft ze. De dichter moet zich vereeuwigen om de lezer, die altijd zal blijven toekomen, te kunnen bereiken. Weil schrijft nog meer dat niet ver van Van der Graaff af lijkt te staan: ‘Een zuiveringsmethode: tot God te bidden, niet alleen in het geheim zover het de mensen betreft, maar met de gedachte dat God niet bestaat. Vroomheid met betrekking tot de doden: alles te doen voor wat niet bestaat.’

Aan God te bidden als wie geweigerd en weggenomen is, met zijn bloedende snuit nog op je bed.

We zien het misschien ook in hoe Van der Graaff zijn bruidegom bezingt, in het tweeëntwintigste geklokte gedicht (‘waarin mijn bruidegom komt’) en het drieëntwintigste (zonder titel), waarin zijn bruidegom over het fietspad en door het bos naar hem toe komt, naast hem zal komen liggen, hem aan zal kijken en ze zullen eten van hun uiteenvallende vlees. ’18:05 Mijn dode werk is mijn bruidegom. / Ik eet van mijn werk. / Uit mijn binnenste komt het / omhoog.’ Dat in schril contrast met herinneringen aan Flakkee, in het gedicht dat erop volgt:

21:00 Vanuit de grond schrijf ik
over de vroege eenentwintigste eeuw op Flakkee.
Het eiland was stil, de straten betekenden niets.
Alsof er geen figuur was, geen wet.
Ik zie de melancholische tics van religie,
het gezinsleven.
Wat kan het betekenen
dat ik altijd dezelfde gedachte heb:
toen was ik nog buiten de orde.
Mijn psyche, geslachtskenmerken, motoriek:
niet opgenomen in de tijd
waarin ik nu moet werken.
21:12 Mijn lijk is in de jaren nul
gecodeerd en opgebloeid.
Dit inwendig onderzoek
verlamt me.

Dat alles in het verleden, niet in de tijd opgenomen zoals nu, gestorven zoals nu – een lijk dat nog op kon bloeien, nog niet het werk deed van de dode plant. Alleen het dode werk blijft over. Aan het einde van het eerste geklokte gedicht (‘waarin gepraat wordt met Jack Spicer en de Noordzeegedichten verschijnen’):

13:34 Logica en tegenwoordigheid
en dood met enorme adem.
Alles wordt ons afgenomen
en niets zal worden gespaard.

Niets zal worden gespaard – en we hebben er steeds meer en meer van, de dood ademt door. De dood ontneemt ons alles en spaart niets, zodat wij er blijvend om kunnen rouwen, en daarvan iets waar zou kunnen zijn.

Dood werk - Maarten van der GraaffMaarten van der Graaff
Dood werk
(Amsterdam: Atlas Contact, 2015)

De website van Maarten van der Graaff
De website van Atlas Contact

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel is schrijver en wiskundige, en volgt momenteel een onderzoeksmaster wetenschapsfilosofie. Hij debuteerde in 2014 met Constellaties en was het jaar daarop laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium. In het najaar van 2017 verscheen zijn roman Het leven zelf.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *