Bespreking

‘Geachte bedachte / zie ons aan’ – Visioenen, het onbeschrijfelijke en de grap

Detail uit 'Lezende mannen' of 'De lezing' ('La Lectura') – Francisco Goya
Detail uit 'Lezende mannen' of 'De lezing' ('La Lectura') – Francisco Goya

Deze week verscheen Het moet nog ergens liggen, de nieuwe dichtbundel van Joke van Leeuwen. Op de voorkant zien we een kruk met verbogen poten, getekend door Van Leeuwen zelf, en in de bundel vinden we nog twee vreemde stoelen – de eerste balanceert bijvoorbeeld op één ‘been’.

Door die verbuigingen beginnen de poten op poten te lijken. Ik bedoel natuurlijk: als van dieren. Maar misschien kun je het ook bekijken zoals ik het zeg: door de vervreemding leer je de poten als poten zien – noch van een kruk, noch van een dier. Of andersom: als van beide.

Hoe het ook zij, de manier waarop de afbeeldingen je leren kijken verschilt niet veel van een paar momenten in de bundel zelf. En ook het figuur van de stoel komt terug, in het eerste gedicht, ‘Binnenkomst’, dat aan de vier afdelingen van de bundel voorafgaat:

Een gast die voor het eerst jouw te
bekende kamer ziet en jij moet
wennen aan haar ogen, ziet zelf
als nieuw dat wezenloze werkje
aan de wand, de ingedrongen
vegen op de vloer, dat rommelbakje
ooit gekregen, zonde om het weg
te doen, de foto van een ooit nog
pasgeborene, die op z’n kop begon

en blindelings hier buiten beeld twee
tepels op kon sporen, nog geen
bezit dan dat en zijn aanwezigheid.
Haast alles kreeg een vaste plek om
niet meer over na te denken en van
nog niet blijft het besef dat het wel
ergens is. De gast vraagt of het past
gaat zitten op een stoel alsof zo’n ding
dat stoel heet net is uitgevonden.

Het gedicht introduceert al veel van wat er in de bundel gethematiseerd wordt. Er is dus dat vervreemdende, in dit geval veroorzaakt door onverwacht bezoek: ‘jij moet / wennen aan haar ogen, ziet zelf / als nieuw’. Ze ‘gaat zitten op een stoel alsof zo’n ding / dat stoel heet net is uitgevonden.’ Een gast laat als nieuw zien wat ‘een vaste plek’ kreeg, ‘om / niet meer over na te denken’, met alleen nog ‘het besef dat het wel / ergens is.’

Als ander / als nieuw

Het ‘kijken als een ander’ komt in de bundel veel terug. De vierde afdeling draagt zelfs de titel ‘Visioenen’, in een (met behulp van de achterflap) expliciete verwijzing naar de visioenen van de dertiende-eeuwse mystica Hadewijch.

Andere ogen zorgen er niet voor dat je als die ogen gaat kijken, maar dat je zelf ‘als nieuw’ gaat zien

Een van de dingen die in Hadewijchs visioenen aan bod komt, is het verlangen één te zijn met God. Dat verlangen heeft precies hetzelfde probleem als het idee ‘als de ander’ te kijken. Zoals Meister Eckhart schrijft: je moet niet de wil van God willen doen, want juist dat willen is te veel je eigen wil. Op dezelfde manier zou het verschil tussen ‘één willen zijn met God’ en ‘God willen zijn’ wegvallen als het verlangen ingelost zou worden. ‘Eén willen zijn’ kan alleen als je nog twee bent, om ‘als een ander’ te kijken moet je jezelf blijven. Van Leeuwen schrijft zelf, in het korte gedicht ‘PS’: ‘Het knopje van het licht vinden / is nodig in het donker / maar lastig zonder licht.’

Zoals in ‘Binnenkomst’ duidelijk wordt, zorgen andere ogen er dus niet zozeer voor dat je als specifiek die ogen gaat kijken, maar vooral dat je zelf ‘als nieuw’ gaat zien. Een stoel wordt als een nieuwe uitvinding, over alles moet weer worden nagedacht.

Zie ons aan

Verwijzingen naar religie beperken zich niet tot de vierde afdeling; in een eerder gedicht, ‘Overlevering’, lezen we al: ‘Ouders kwamen aangedragen met wat zij van hun ouders kregen / zoals een onbereikbaar wezen en het handige van schortjes’. En de bundel sluit af met het lange gedicht ‘Erbarm u’. In dat laatste gedicht vindt de vervreemding plaats door een religieuze en moderne toon tegen elkaar af te zetten:

geachte bedachte
zie ons aan
(…)
zie ons in onze gepimpte staat
dagelijks aangetast door propaganda
(…)
zie ons aan in ons geploeter
onder onze modekapsels
zie ons onszelf vastleggen, vastpinnen
zie ons houvast zoeken met selfies
selfies op een stok, o onvindbare

erbarm u

(…)
zie ons almaar een draagvlak implementeren
voor het optimaliseren van ons commitment
voor een win-winsituatie
zie onze door vreemden geweven kleren
met wasvoorschriften, o onbeschrijfelijke

erbarm u

Het werkt beide kanten op. Het is niet alleen grappig om over onze modekapsels en wasvoorschriften te lezen alsof het een gebed is, het is ook, of eigenlijk tegelijkertijd – want één en dezelfde grap – lollig om het religieuze banaal te zien worden door de moderne ‘verwoording’. De ‘selfies op een stok’ kunnen bijvoorbeeld prima gelezen worden als de kruisjes met Jezus, God’s ‘selfie’ bij uitstek.

Wat volgens mij belangrijk is, is het besef dat je met zo’n soort grap niet het ene door het andere verwoordt. Er is geen religieuze ‘inhoud’, los van een religieuze manier van spreken, die hier in organisatiejargon ‘vorm’ krijgt, of andersom. We moeten niet gaan fantaseren over een inhoud die aan de vormen voorafgaat, over een oersoep die de dichter voor ons organiseert. Onze taal gaat aan ons vooraf – zowel aan de dichter als de lezer – maar juist daarom zijn grappen, waarmee de knotten van de taal worden benadrukt en uitgebuit, zo’n scherp middel.

Het is maar een grapje

Zo’n soort werking van een grap wordt door Jochem Dijkstra uitgewerkt in dit stuk over Wittgenstein en Herman Finkers. De verschillende manieren waarop we spreken – de verschillende taalspelen – volgen allemaal hun eigen regels. Met grappen kunnen we de vermeende objectiviteit van zo’n taalspel ondermijnen, de schijn van voor-eens-en-voor-altijd ‘kloppende’ beschrijvingen gaat in rook op. Dijkstra haalt bijvoorbeeld het volgende citaat van Finkers aan:

Humor is een moment van inzicht waarbij tegenstellingen in het leven heel even zijn opgelost. Dus: in humor ligt de waarheid; niet in het serieuze. Dit meen ik niet serieus; het is maar een grapje. Want anders is het niet waar. Als ik dus zeg ‘de waarheid ligt in het niet-serieuze’, dan is dat slechts waar als ik het niet meen. Maar wél waar.

Het is niet precies dat we ons met de grap buiten de taalspelen weten te bewegen, maar we blijven er ook niet precies binnen zitten. We leren het taalspel als taalspel zien, de vanzelfsprekendheid waarmee we onze woorden meestal langs ons heen laten glippen is even verdwenen.

We zien dat ook gebeuren in het gedicht ‘Rijzen’, waarin een stem de uitspraak van een ander ‘corrigeert’:

wilt jij koffie?
wilt jij soeiker?
ik heb ook broed gebakt
gebakt?
ik heb ook broed
brood
ik heb ook brood
maar ik heb het gedingest
hoe heet dat
laten rijzen
laten rijzen
in een schone doek
mijn brood smaakt naar
waasmiddel?
wasmiddel
wat zal ik noe duun
nu doen
brood met wasmiddel eten
het hele brood
ik ga gewast zijn vanbinnen
al dat hoe zeg je dat
poein?
puin
peun.

Waarom is het ‘brood’ en niet ‘broed’? Omdat we aan bepaalde uitspraken vasthouden, en omdat mensen bereid zijn verbeterd te worden (of zichzelf te verbeteren: de regel ‘nu doen’ is een geval van zelf-correctie). Tegelijkertijd is correctie zoals we ‘m hier lezen alleen maar mogelijk als je denkt te weten wat er bedoeld wordt, als je dus in feite al verstaat wat iemand probeert te zeggen – als het taalspel al werkt. En kleine afwijkingen zeggen iets misschien wel beter. Als we de religieuze lijn door de bundel blijven volgen, kunnen we brood met waasmiddel lezen als het sacrement van het Heilig Avondmaal. Het brood als het lichaam van Christus, als een symbool dat daar als een ‘waas’ voorhangt, en dat de gelovige moet herinneren aan het feit dat zijn zonden vergeven zijn door dat lichaam – moet herinneren aan het feit dat hij of zij gewast is vanbinnen.

Vrij van ‘poein? / puin / peun.’

De grap vestigt de aandacht op die ‘regels’, en het feit dat ze misschien minder natuurlijk zijn dan gedacht – zoals die van de uitspraak van woorden. Als je een grap echter te serieus neemt, zou je misschien het idee krijgen dat je de waarheid nu dan, eindelijk, bereikt hebt. Dan zie je over het hoofd dat ook die nieuwe beschrijving maar een beschrijving is. De horizon is alleen maar opgeschoven. Maar er is wel iets veranderd. Om bij die laatste vergelijking te blijven: als je denkt dat het doel is de horizon te bereiken, kom je steeds weer bedrogen uit, maar in de richting van de horizon blijven bewegen helpt je wel elke vorige plek in perspectief te zien. Dijkstra schrijft dat humor ‘naar het onuitspreekbare [verwijst] door de feilbaarheid van het uitspreekbare bloot te leggen’. Dat onuitspreekbare is niet een mystiek, aan-alle-ervaring-voorafgaande wereld, het is puur het feit dat er altijd iets onuitspreekbaars zal blijven, ook als je nieuwe dingen leert zeggen. Er is geen moment waarop je eindelijk alles in elk perspectief ziet (als ware je één geworden met God).

De uitspraken zijn waar zolang we ze niet menen.

We horen hier ook de bundeltitel klinken: Het moet nog ergens liggen. Niet omdat ‘het’ er sinds de eeuwigheid lag, niet omdat het aan alles voorafging, maar omdat we ons herinneren dat we het ergens hebben neergelegd – we weten alleen niet meer waar. (Op een soortgelijke manier schrijft Rutger Kopland ook in een gedicht over geluk.)

Deze gedichten en de grappen erin meten ons een houding aan met betrekking tot zo’n term als ‘waarheid’. De uitspraken zijn waar zolang we ze niet menen. En mocht je denken dat je daarmee in nihilisme vervalt – dan vat je het iets te serieus op.

Of, zoals Van Leeuwen het zelf in ‘Xperience’ zegt (waarbij we ons het moeilijk-te-vinden lichtknopje nog kunnen herinneren): ‘botsen is lachen, in het donker mag je / schrikken, is ook lachen, anderen die schrikken / want die blikken, echt. Jammer dat we dit / aan niemand kunnen doorvertellen, omdat we / er allemaal bij zijn, we weten het allemaal al.’

Visioenen

De titelpagina van de afdeling ‘Visioenen’ bevat de derde stoel, waarvan de rugleuning tot een ladder is vergroeid. De ladder stijgt het schijnsel van de hemelen in. Ik wil het vijfde en zevende visioen citeren, om de tot nu toe aangehaalde thema’s daarin tot uiting te zien komen.

*

Ik loop op een helling, een berg zonder
wegwijzers, hopend dat ik zo de top zie.
Ik vind op een kruispunt van eendere
paden een kleine patrouille van jeugdige
mannen die mij met gebaren doen stoppen.
Ze lijken verkleed, zo verkleed dat ikzelf wel
verkleed lijk, ze hebben geweren van hout
en ze stappen naar voren, ze zeggen dat ik
hun moet zeggen wat zij willen horen.
Niet wetend wat zij willen horen begin ik
te praten, ik zeg goedemiddag en
grondverzet, vrede en aardappels
communicerende vaten en braadpannen
prachtpak, versiering, bied aan om een
liedje te zingen, maar wat ik ook zeg
elke keer roepen zij dat mijn uiting niet
klopt. Ik moet weer terug, ik verweer me
vijf paden, niet een ervan mag ik betreden?
Geloof dat maar zelf. En toch loop ik terug
maak een olifantspad tussen bomen
ik stamp allemachtig, het lukt nog niet
goed hoe een olifant moet, maar dan komt
iemand helpen, die stampt met me mee, zegt
het uitzicht daarboven is prachtig.

*

Ik zit in een zaal van een treurig theater
twee mannen bewaken elkaar en de
trekken, er hangt een decor in de lucht
tussen lappen, dat ooit iets bedoelde
toen iets hier nog speelde, het daalt
niet meer neer. En koopjespubliek
dringt nieuwsgierig naar binnen.
Tien staan op de bühne, ze buigen
onhandig, ze willen iets weten, ze
denken te snappen, de lucht wordt
gekust en ik wenk: ga maar door.
Het stof blijft niet liggen, de motten
zijn wakker, de mannen verdrijven
wie net op de bühne, ze moeten de zaal
in en stoelen bezetten, ik moet op de
bühne, ze zeggen me: speel. Ze
gesticuleren, ik moet iets proberen
dus doe ik een bloem na die zich wil
ontvouwen, het rood van mijn mouwen
het wit van mijn haar. Doe liever
iets geks, schreeuwt de zaal, om te
lachen! Ik buig en zie dan een souffleur
die een hoofd heeft, papier in zijn
handen ook, nergens een tekst.

Laat ik mezelf niet te veel herhalen, en licht aanstippen waar ik op doel. Bijvoorbeeld in het vijfde visioen het ‘uitzicht daarboven’ dat prachtig zou zijn, terwijl het enjambement van de eerste regel – ‘Ik loop op een helling, een berg zonder’ – bij mij in eerste instantie het woord ‘top’ deed verwachten, alsof juist dat ‘daarboven’ ontbreekt. Of het beeld van het olifantspad, dat in eerste instantie avontuurlijk is, maar na genoeg gebruik net zo’n wijzerloze weg is als de paden waarlangs de ‘ik’ eerder al liep. De vreemden die ‘zo verkleed’ lijken ‘dat ikzelf wel / verkleed lijk’, waarin we iets terugzien van de invloed van een een ander in hoe we onszelf kunnen bekijken.

Geen voor eens en voor altijd geopenbaarde waarheid – liever de grap

Of hoe in het zevende de eerdere verhouding van taalspelen, waarbij de ene de ander niet ‘bezit’, ook verbeeld wordt door dat ‘twee mannen bewaken elkaar’. De ik die vervolgens gezegd wordt te moeten spelen.

En misschien vooral het einde: in plaats van een ontvouwende bloem roept de zaal om ‘iets geks’, iets dat ze niet begrijpen, ‘om te lachen!’

Geen voor eens en voor altijd geopenbaarde waarheid, als een opengevouwen bloem. Liever de grap – die ons niet zegt wat we al kunnen zeggen, die niet verwoordt is zoals we al praten. De ik buigt zich naar de souffleur, maar er valt niets voor te zeggen of fluisteren, niets wat al klaarligt. Hij is wel in het bezit van een hoofd, heeft ‘papier in zijn / handen ook’, maar ‘nergens een tekst’. De grap leert ons anders spreken, nieuw spreken in hoe het ons praten gek maakt. Daarmee laat het iets zien van wat waar is – voor even, terwijl het ons de vanzelfsprekendheid ontneemt. Daarna is de grap als een olifantspad, te vaak herhaald is het avontuurlijke er wel van af, zoeken we weer iets anders dat in het donker botsen kan.

Joke van Leeuwen - Het moet nog ergens liggenJoke van Leeuwen
Het moet nog ergens liggen
(Amsterdam: Querido, 2016)

Website van Joke van Leeuwen
Website van Querido

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel is schrijver en wiskundige, en volgt momenteel een onderzoeksmaster wetenschapsfilosofie. Hij debuteerde in 2014 met Constellaties en was het jaar daarop laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium. In het najaar van 2017 verscheen zijn roman Het leven zelf.

Een gedachte over “‘Geachte bedachte / zie ons aan’ – Visioenen, het onbeschrijfelijke en de grap”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *