Bespreking

‘Een vorm van ondergang, maar gloeiend’ – Ester Naomi Perquin en het verhongerende, messiaanse gedicht

Giovanni Lanfrancon – Detail
Giovanni Lanfrancon – Detail

In januari verscheen Ester Naomi Perquins vierde bundel, Meervoudig afwezig, en sinds twee weken is ze ook onze nieuwe Dichter des Vaderlands. Als ze die rol een soortgelijke invulling weet te geven als haar Rotterdamse stadsdichterschap – waar ik in oktober al over schreef, toen ik al Perquins werk tot dan toe besprak – staat ons de komende twee jaar nog veel goeds te wachten.

In het interview dat naar aanleiding van haar benoeming verscheen in het NRC, gaf ze het volgende antwoord op de vraag of het belang van taal wordt onderschat:

Steeds meer mensen hebben, of gebruiken, een heel beperkt jargon. Ik hoorde dat ooit van een psychotherapeut, die veel ongelukkige mensen sprak. Een groot deel van zijn clientèle, ook hoogopleide mensen dus, drukte zich uit in termen als ‘kut’ of ‘toppie’. Meer smaken waren er niet. Wanneer dat de enige stemmingen zijn die je tot je beschikking hebt, dan beperkt dat je. En dan valt je stemming al gauw naar ‘kut’.

Dat deed me denken aan een fragment uit Mark Z. Danielewski’s The Promise of Meaning. Nadat hij ietwat polemisch stelt dat schrijvers (zoals dichters, historici, schrijvers van wetten, oordelen, voorschriften, blogs, en boodschappenlijstjes) die geen poëzie lezen, niet serieus te nemen zijn, vraagt iemand of hij dat meent.

ANSWER: What might indicate any answer to the contrary?
QUESTION: Grocery lists?
ANSWER: Without knowing how to read closely we cannot say adequately and therefore can never heed accurately what we need.
QUESTION: So people who read poetry eat better?
ANSWER: Suddenly the possibility is there.

Het is een verfrissende manier van denken. Op de vraag of poëzie zich moet rechtvaardigen, antwoord Perquin dat het daar al snel op uitloopt, omdat de kunsten afgerekend worden op hun nut. ‘Maar het is fundamenteel dat mensen zich goed, speels uit kunnen drukken en de volle ruimte van de taal benutten, niet alleen meegaan in het jargonnetje waarin ze opgroeien. Een taxichauffeur die mooie verhalen vertelt, gaat anders om met zijn klanten. Dat is wezenlijk.’ Een poëzie die ons helpt op te merken wat er op te merken is, die sterker nog de wereld uitbreidt omdat het steeds meer in het leven roept wat je überhaupt op zou kunnen merken. Dat ziet Perquin ook als een mogelijke taak voor de poëzie, zonder dat het mensen per se tot liefhebbers hoeft te maken:

Ik heb bijvoorbeeld niks met voetbal, maar als ik een jongetje van twaalf een bal zie hooghouden, dan blijf ik even kijken omdat het mooi is. Zo werkt poëzie ook. Je hoeft niets met poëzie te hebben om daar even bij in te kunnen haken, mee te bewegen en er dan weer uit te stappen.

Als je op het station loopt en er tussen de hamburgerreclames een gedicht hangt, dan knap je daar van op. Niet omdat je ineens met een nieuw wereldbeeld op het perron staat, maar omdat het niks van je vraagt. We zijn in bijna alles klant geworden: politici, organisaties – iedereen wil ons iets verkopen of aanpraten. Een gedicht hoeft niets van je.

Een gedicht geeft zich, maar op een manier die jou in bezit kan weten te nemen. De zinnen waarmee je wordt geconfronteerd zijn niet alleen middelen, die je in kunt zetten – ze tasten je aan. Ze maken wat je zeggen kan anders – soms, in ieder geval.

Nee, anders

Zoiets vraagt een poëzie die zich begeeft in de buurt van een bepaalde spreektaal, maar daar geen genoegen mee neemt. Die iets anders zegt. In het eerste gedicht dat ze in haar nieuwe hoedanigheid schreef, geeft Perquin ons daarom even een uitleg.

Korte cursus

Begin. Gewoon noteren wat je hebt gezien. Sinds je van huis
vertrok op weg naar dit moment, naar deze woorden.
Of beter nog: sinds je werd geboren.

Nee, doe dat maar niet. Begin op het punt dat iemand je riep
en jij deed alsof je iemand anders was en alleen een beetje
op jezelf leek, heel toevallig.

Schrijf op wat er gebeurde toen je niet keek. Hoe achter je rug,
een uur nadat je passeerde, de groenteboer een krat omkeerde
waarin zich één mandarijn verborgen hield.

Hoe die vervolgens over de stoep de straat op rolde, hoe de groenteboer
(vlak voor een Mercedes langs) achter die mandarijn aan holde,
er zelfs naar floot als naar een hond –

Schrijf over wat je hebt gemist. Nee, anders. Begin eerst te noteren
wat er aan de hand was op de dag dat je begon: hoe je zomaar,
zonder idee van nuttigheid, een zin opschreef

en zelf niet eens wist wat je bedoelde. De rest van de tijd ook
niets noemenswaardigs voelde. Hoe steeds
die zin zich in je zeggen bleef.

De tweede strofe haakt aan bij de thematiek die Perquin ook in haar eerdere bundels sterk uitwerkte, over identiteit, de persoon met wie je (niet) samenvalt, zoals hier het ‘toevallig op jezelf lijken’. In Meervoudig aanwezig komt daar, naar mijn idee, iets bij – iets dat zich in dit gedicht met name in de laatste twee strofen uit. ‘Schrijf over wat je hebt gemist. Nee, anders.’ Wat je gemist hebt is ‘een zin’ waarvan je ‘zelf niet eens wist wat je bedoelde’, een zin die zich desalniettemin steeds ‘in je zeggen bleef’. Een zin die je meer maakt dan je was. Het is het schrijven met een bepaalde mate van kans, met een bepaald risico: gedichten die ruimte maken waar de wereld – misschien – in zou kunnen trekken.

Maar wat zoekraakt laat in elk geval resten achter, laat een naam achter.

Ook wijzelf worden gemist (in ‘Troost’): ‘Mocht het helpen: we bestaan massaal niet. (…) We leven tussen de bepaling van een plaats / en een gedachte. // De duur hiervan is puur geluk.’ Maar wat mist blijft ook rondhangen. In een gedicht dat begint met de aankondiging dat het zal gaan ‘Over wat zoek raakt’, lezen we:

Ik bedoel daarom dit: van echte bergen, de bergen zoals die
verrijzen op de blanco zijde van een ansichtkaart, de bergen
waarvan wij nooit hebben geweten,

de bergen die pikkedonker tegen pikkedonker afgetekend staan;
ze zijn ons aangeboren, ingesleten. Van wat zoekraakt
onthoud je tenminste hardnekkig de resten,
nog altijd de ligging, de naam.

De bergen aan de blanco zijde van de ansichtkaart, aan de zijde waar we schrijven, formuleren. Ik ben geïnteresseerd in dit zoekraken, waarin ik iets lees van hoe de poëzie ook moet overleven. Een nieuwe verwoording, een nieuw op te merken inzicht – het is geen permanente overwinning, wat we er ooit opeens mee wisten te zeggen, raakt weer zoek. Maar wat zoekraakt laat in elk geval resten achter, laat een naam achter. Wat zoekraakt is beter dan wat er nooit is geweest.

‘een heel behoorlijk eind’

Een van de gedichten die dat dichterbij brengt is deze:

Er waren hoge noten in de lucht die dag en kleine gele vlinders.
Er waren dansende paren, stram van jicht, licht van ouderdom,
in het park waren hollende honden met ballen met stippen
met jongetjes, struikelend, daarachteraan.

Er was doorlopend vers brood, de geur van vers brood dat iemand
deelde, dat iemand anders at. Een perzik zonder pit: een wonder.
Er is een flink stuk van de zomer over, zeiden wij,
een heel behoorlijk eind.

En boven alles hing de dood waaraan je dacht alsof dat
er al deel van was – wat achteraf bekeken altijd klopt.
Een vorm van ondergang, maar gloeiend
als de volle zomerzon voor hij
in zee verdwijnt.

Bij dit gedicht bleef ik, tijdens mijn eerste lezing, hangen. Het voelt zo vol aan. De struikelende jongetjes ‘daarachteraan’, die zich precies gevangen weten in een bijzin die erachteraan struikelt. En dat ‘flink stuk van de zomer’ dat ‘over’ is, een ‘behoorlijk eind’ in een zin die, in feite, volledig om kan slaan. Aan de ene kant staat er dat er nog een heel stuk over is, een ‘heel behoorlijk eind’ dat we nog af moeten leggen. Tegelijkertijd staat er dat een flink stuk over is, als in: we hebben al een heel behoorlijk eind gehad.

Een gedachte die in de laatste strofe verder lijkt te gaan, met de dood die overal boven hangt, die je kunt zien alsof hij er al deel van is, hoewel zich dat nog moet vervullen – maar wat vanaf een ‘achteraf’ altijd klopt.

Je deelt je uit aan steeds weer anderen, en je vergaat, want ze weten jou niet mee te nemen, maar slechts het brood dat aan jou herinneren moet

Dat brengt me ook bij dat brood. Dat ‘doorlopend vers brood, de geur van vers brood dat iemand /
deelde, dat iemand anders at’, kan ik niet anders dan verbinden aan het verhaal waarin Jezus een enorme schare mensen te eten geeft. Het wonder is dat hij vijf broden op blijft breken tot iedereen genoeg heeft, er blijft zelfs over. Het doet ook denken aan het brood dat Jezus uitdeelt bij het Laatste Avondmaal, waarvan hij zegt dat het zijn lichaam is, zodat men hem zou herinneren: brood dat iemand deelde. Iemand wordt opgedeeld in stukken, iemand deelt zich uit, aan anderen, die het brood tot een symbool kunnen maken, het anders eten. De eerste keer deelt Jezus het brood uit als brood, de tweede keer als lichaam, de eerste keer als voedsel, de tweede keer als herinnering.

Zo raak je misschien ook meervoudig afwezig. Je deelt je uit aan steeds weer anderen, en je vergaat, want ze weten jou niet mee te nemen, maar slechts het brood dat aan jou herinneren moet, dat aan jou herinnert zolang het op een andere manier gegeten wordt. Of, zoals het in ‘Gast’ staat:

Eén lichaam per persoon – maar steeds vaker blijft er
iemand achter. (…)

(…)

Al die moeite los te raken en vermist, zich hebben
moeten delen in evenzoveel handen en blikken
van vreemden zegt ze en dan nog;
niet weten wie er over is.

Het brood dat je deelt, het teken dat het is, moet steeds worden vernieuwd. In een ander gedicht, waarin de schepping (haast per ongeluk) wordt gevormd:

Geloven is de echo, niet de knal. We zeggen hoe we
zoeken naar de rede maar dan vinden we
een woord en daarin zit dan mooi
een tweede, enzovoort.

Nu al weer

Het is vast goed mogelijk deze gedachtegangen op een andere manier te volgen, ‘aardser’, misschien – maar de messias is bruikbaar figuur, het kan ons helpen denken over wat komt, over hoe we ons verlost zouden kunnen weten.

Ook de messias komt, om terug te grijpen op het zomerzongedicht, wanneer iets over is – en misschien hoeven we niet zo snel te beslissen op welke manier we dat woord moeten lezen. Misschien is een messias precies diegene die dat woord in beide zinnen spreekt, tegelijkertijd. Is verlossing niet dat wat overging, alsnog over is gebleven? Dat wie zich heeft opgedeeld daarin is achtergebleven? Walter Benjamin schrijft in zijn essay ‘Over het begrip van de geschiedenis’ dat ‘niets van wat ooit is gebeurd voor de geschiedenis als verloren mag worden beschouwd. Wel is het zo dat pas aan de verloste mensheid haar verleden voluit ten deel valt. Dat wil zeggen: pas voor de verloste mensheid is haar verleden in elk van haar momenten citeerbaar geworden.’

Perquin zei al dat een gedicht niets van je vraagt – en toch kan het je weten te vervullen, zoals de zin in de ‘Korte cursus’ die ‘zich in je zeggen bleef’

Zoals Perquin schrijft over wat er rest van wat zoekraakte, de naam, de herhaalbaarheid ervan – ten minste in nagedachtenis.

Het is een wat onuitgewerkte gedachte, maar ik vraag me af of we de poëzie niet zouden kunnen zien als dat wat ons probeert te verlossen. Perquin zei al dat een gedicht niets van je vraagt – en toch kan het je weten te vervullen, zoals de zin in de ‘Korte cursus’ die ‘zich in je zeggen bleef’, die zorgt dat er iets weet te blijven, door wat zich in dat zeggen herhaalt. (De herhalende zin als een inscriptie, die je terugbrengt naar de momenten dat hij in je opkwam.) Of zoals Perquin schrijft dat we bestaan ‘tussen de bepaling van een plaats / en een gedachte’, voor de duur van puur geluk. Het gedicht neemt het verleden op zich, probeert het verder te brengen, het brengt de plaats naar de gedachte en de gedachte naar de plaats.

En zoals ik eerder al schreef, is elk gedicht misschien gedoemd over te gaan. In het interview vertelt Perquin hoe haar schrijven onder andere voortkwam uit ‘de verschrikkelijke angst dat dingen ineens weg kunnen zijn’, de aanzet tot een verlangen

om te bewaren. Je leert later pas dat dat onzin is. Als er één ding niet voor de eeuwigheid is, dan is het je dichterlijke oeuvre. Je mag blij zijn als er één regel blijft hangen. Maar ja, tegen de tijd dat je je dat realiseert zit je er al lekker in, de poëzie.

Een gedicht redt waarschijnlijk de eeuwigheid niet. Maar het bewaart misschien zo lang het ‘blijft hangen’ wel degelijk iets van wat verloren gaat, van wat ineens weg kan zijn. Verder rest er telkens weer een gedicht te schrijven.

Een man vroeg waar het gedicht zat. Het was nacht, ik had al
uren niet geslapen. Ik zat rechtop en schreef. Waar
zat het primaire, het bestendigste gedicht,
dat ik nu al weer moest schrijven?

Hij legde zijn vingers op mijn borst, bewoog ze traag naar
het hart – ik schoot in de lach. Daar toch niet, zei ik.
Daar zit wat afleidt: een warm huis. Een tuin
omzoomd met bomen, een moeder
die taarten bakt en altijd blijft.

Waar, vroeg de man. Waar dan? Hij raakte ongeduldig hals,
hoofd, gleed met vingers langs mijn oren, woelde
door mijn haar. Ik schreef, zei niets.

Het gedicht zit waar je wacht te worden aangeraakt.
Verhongert daar.

Het gedicht moet telkens ‘nu al weer’ geschreven worden, steeds te vroeg opnieuw geschreven worden. En het verhongert, omdat het gedicht, dat ‘primaire, bestendigste’ gedicht dat alles zou overleven, ons verlangen is naar wat we nog niet benoemen kunnen, nog niet kunnen aanwijzen. ‘Het gedicht zit waar je wacht te worden aangeraakt’ – dat is geen raadsel met een antwoord, dat is al de plaatsbepaling. Het stelt zich uit. Tegelijkertijd weten de plaatsen die we al wel aan kunnen wijzen, zoals het hart, de hoofd, iets te bewaren, zij het dat wat langzaam vervalt tot cliché: een warm huis, een altijd blijvende moeder. Het gedicht, de poëzie, is daar altijd weer net voorbij. Het is brood dat wordt uitgedeeld, dat ons wil helpen ons verleden te citeren, dat zelf echter telkens ondervoed blijft, onaangeraakt blijft.

Dat we niet hoeven hopen op de uiteindelijke, definitieve verlossing, voorkomt misschien niet dat we – met bijvoorbeeld poëzie – iets teweeg weten te brengen van wat Benjamin onze ‘zwakke Messiaanse kracht’ noemt, die we meegekregen hebben van ons verleden in de hoop dat we het mee zouden weten te nemen. Het vergane beroept zich op ons, omdat het al te lang afwezig is gebleven, omdat de dood er van begin af aan over hing – maar misschien als een ondergaande zon, die ons nog kan doen neigen naar de schemering te kijken.

perquin_ester_naomi_thumbEster Naomi Perquin
Meervoudig afwezig
(Amsterdam: Van Oorschot, 2017)

De website van Ester Naomi Perquin
De website van Van Oorschot

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel is schrijver en wiskundige, en volgt momenteel een onderzoeksmaster wetenschapsfilosofie. Hij debuteerde in 2014 met Constellaties en was het jaar daarop laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium. In het najaar van 2017 verscheen zijn roman Het leven zelf.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *