Bespreking

‘en iedereen lag in een deuk’ – Poëzie en punchlines in Griffioen (en Wijnberg)

Jan Steen – Detail uit Dorpsschool
Jan Steen – Detail uit Dorpsschool

Eind 2015 verscheen Wijk, het debuut van Jonathan Griffioen, dat afgelopen lente werd genomineerd voor de C. Buddingh-prijs. Een deel van de regels (of fragmenten van regels) kreeg ik eerder te lezen, nadat ik Griffioen leerde kennen tijdens het finaleweekeind van Write Now! 2012. Het voelt dan ook soms vreemd de bundel in zijn ‘uiteindelijke’ vorm te lezen: hier en daar spoken nog schimmen van gedichten rond die, in zekere zin, niet meer bestaan. Anders gezegd: ik ben me bij het lezen van Wijk bewuster dat bepaalde associaties door anderen niet zullen worden gemaakt, bewust van mijn persoonlijke context – hoewel die bij welke andere bundel dan ook een rol zal spelen.

Tegelijkertijd is poëzie misschien bij uitstek het soort taalgebruik dat zoiets zou moeten kunnen overleven – en daarin komt het overeen met een goede grap. (Een grap maakt op een soortgelijke manier gebruik van het impliciete, terwijl dat impliciete op een bepaalde manier gedeeld moet worden, wil de grap werken.) In ‘Wanneer wordt het grappig op iets te wachten?’, een gedicht uit Nachoem Wijnbergs Nog een grap, lezen we ook over het omgekeerde:

Ik herinnerde mij
dat het grappiger was,
maar je moet veel weten
om het grappig te vinden,
en bijna niemand weet meer zoveel.

Een grap in poëzie komt soms over als gevaarlijk. Het komt voor dat mensen iets ‘geen poëzie meer vinden’ omdat het ‘te grappig’ is, te veel op een mop lijkt, doet lachen. Ik weet niet of ik erachter kom waar dat ‘m in zit, maar ik ben wel benieuwd: wat doen grappen in en met een gedicht? Wat doen ze in Wijk?

Eén van de problemen die grappen met zich mee zouden kunnen brengen, is misschien dat ze het idee geven dat wat je hoort niet meer serieus is, dat een grap dat uitsluit. In tegenstelling daartoe schijnt Ludwig Wittgenstein eens gezegd te hebben dat je een goed en serieus filosofisch werk zou kunnen schrijven dat volledig uit grappen bestaat. (Ik schreef al eerder over poëzie, grappen en Wittgenstein in dit stuk over Joke van Leeuwen.) Het lijkt me goed dat onderscheid te maken, tussen een grap en iets dat je niet meent. Een grap is, in zekere zin, vooral ook een kwestie van genre, het heeft bepaalde kenmerken (zoals, als het goed is, dat je erom zou kunnen lachen). Wijnberg weer:

Hier heb je
een ladder, een bezem
en een emmer water,
maak daar nu maar
een grap van.

Die gedachte, dat je ergens een grap van kunt maken, kan ons helpen denken over hoe je een grap ook kunt blijven menen. Het materiaal van je grap zou nog steeds erg serieus kunnen zijn – zoals bij donkere of maatschappijkritische humor.

Zoiets komt ook naar voren in het zevende gedicht van de reeks ‘doolittle’, de eerste reeks gedichten van Wijk:

Eriks moeder doorzoekt zijn jas.
vijfjes zitten soms opgerold in de voering.
ze weet nog altijd niet waarom.
op het plein waar ze met de buit wandelt
doemt een camera op –

‘wanneer haalde u voor het laatst een grap uit?’

ik ga altijd naar de bingoclub
ik ben de grappenmaker van de bingoclub.
laatst riep ik bijvoorbeeld heel hard: ‘bingo!’
maar ik had helemaal geen bingo.

En op de volgende bladzij, uitgesteld als was het een punchline:

en iedereen lag in een deuk.

‘Als was het een punchline’, schrijf ik, want ondanks dat de laatste strofe het antwoord is op de vraag wanneer iemand voor het laatst een grap uithaalde, rijst de vraag: is dit om te lachen? Lachen we dan om de grap – of misschien om de vrouw? Die vraag wordt scherper wanneer we in de verantwoording lezen over de ‘Speciale dank aan de bingograpmevrouw van Man bijt hond’ – het tot gedicht geworden materiaal van de grap.

Volgens mij is dat, naast lollige, ook erg serieuze poëzie. Het duwt ons als lezer naar de grens tussen ‘om lachen’ en ‘uitlachen’, waarbij dat laatste zo’n fijne karaktereigenschap niet is. Een van de regels uit Wijk die tijdens voordrachten en slams ook geregeld de lachers op zijn hand kreeg, was deze: ‘ik kijk laagopgeleid door het raam’.

Haha?

Zulke strofes en regels kunnen ons confronteren – en binnen de poëzie is dat, volgens mij, geen luxe – met onderhuidse superioriteitsgevoelens, elitisme, met waar we op denken neer te kunnen kijken.

dat iets ook kan lijken op een grap, iets grappen kan imiteren

Een ander aspect van Wijk dat ook in de vorm van de bingograpmevrouw sterk tot uiting komt – het aspect dat ten grondslag ligt aan de scherpe grens met uitlachen – is het feit dat mensen het materiaal kunnen zijn voor een grap. Voor je eigen grap, misschien. Wijk opent zo:

Wijk en ik lijken los van elkaar eenzaam
– veertigers met webcams en youtubekanalen
die stropdassen om het hoofd binden en zichzelf
met Bruce Lee-kicks vloeren,
maar samen zijn we een vent en de grond onder een vent,
decor en held.
om het beginnetje te vinden hoef ik niet tig keer
de plakbandrol te draaien. het is niet zoals ik m’n sleutels
zoek door alle stappen van de dag te doorlopen,
ik houd mijn wijsvinger niet tegen mijn onderlip.
ik zeg geen: hm.
het is niet alsof we door de ozonlaag heen bijten,
alsof uit Wijk ooit iets opstijgt
wat zich door een sfeer kan knagen.
we beginnen niet in een melkwegstelsel hier ver,
ver vandaan:

twee vakkenvullers
staan in de supermarkt. zegt de een tegen de ander:

‘welke plaat van de Pixies
zou je schrappen en je moet kiezen.’

Mike vindt B-sides meetellen.
ik twijfel tussen Tromp le Monde en Bossanova.

Volgens mij zien we hier een ander onderscheid op de spits gedreven: het maken van grappen, en spreken als was iets een grap. Het ‘zegt de een tegen de ander’ kennen we uit elke standaardmop, maar dient hier als introductie voor twee hoofdpersonen die de rest van de bundel meegaan, en niet als aanloop naar een punchline. Het zorgt ervoor dat het genre van de grap van meet af aan – vanaf het eerste gedicht – op de voorgrond komt als genre. Zodat we leren zien dat iets ook kan lijken op een grap, iets grappen kan imiteren: dat het, al met al, helemaal niet zo helder is wanneer iets een grap is en wanneer niet.

Dat laat zien dat wie grappen buiten het domein van de poëzie houden wil, een scheidingslijn trekt die niet houdbaar is. Of iets een grap is, is helemaal niet zonder meer te zeggen. Een grap ontstaat, in zekere zin, altijd achteraf: wanneer er gelachen wordt. In dit geval geeft de vorm van een grap Griffioen de mogelijkheid de bundel een weemoed mee te geven die niet gemaakt aandoet, die niet neigt naar mooischrijverij, die het materiaal van de bundel – een jeugd zoals je die zou kunnen hebben gehad in Wijk bij Duurstede – niet ‘verheffen’ tot poëzie. Het laat zien dat de mogelijkheid van poëzie zich daar al bevond, dat ook met zulk materiaal te dichten is.

Ik heb de bingograp altijd kenmerkend gevonden voor die vorm van weemoed. ‘Ik zei dat ik bingo had, maar ik had geen bingo, ik won niets, ik deed alleen even alsof – en wat hebben we gelachen.’

Het heeft iets weg van een overlevingsmechanisme, of overleveringsmechanisme – het hangt er misschien van af over wie het gaat

Een van de gedichten uit Wijk gaat over Erik, de legendarische Erik die drie dagen in een kapotgeslagen bushokje ‘met steeds dunnere handen’ naar iets zocht, en door zijn vader weggedragen moest worden, ‘de volle lengte van de weg op zijn rug als een slap kruis.’ Een paar gedichten later zijn de twee vakkenvullers op het balkon ‘heel goede’ aan het roken, en zegt de een tegen de ander:

‘ken je die van Erik in het bushokje?’

Alsof een bepaalde geschiedenis, gebeurtenis, van zichzelf al een grap geworden is. Maar wat viel er te lachen? Het heeft iets weg van een overlevingsmechanisme, of overleveringsmechanisme – het hangt er misschien van af over wie het gaat, en wie er aan het woord is.

Wat me ook doet denken aan een andere strofe uit Wijnbergs bundel:

Als je wilt leren hoe iets te vergeten
kun je toch het best met een grap beginnen
die je ten minste één keer helemaal moet proberen,
en aangekleed
zo ernstig als naakt.

Aangekleed zo ernstig als naakt, of zoals voorin Wijk de ‘Cast’ wordt opgesomd: ‘(ik), Mike, Erik, Herman, moeder en vader en Arie Verrips als zichzelf.’ Alleen Arie Verrips als zichzelf, de rest – hoe? Wijk verhoudt zich tot zijn materiaal zoals Marx ooit Hegels uitspraak verbeterde dat de geschiedenis zich herhaalt: eerst als tragedie, dan als grap. Nadat we geleerd hebben hoe iets kan lijken op een grap, leren we zien hoe mensen zich in en uit grappen bewegen, als een soort levenshouding. De gedachte van een herhaling-als-grap maakt een van de strofes richting het eind van de bundel zwaarder:

waar is mijn déjà vu? in mijn lijf keft het verlangen
naar een déjà vu. geesten van alle helden uit westerns
en noiserock verwachten een déjà vu. een licht bewogen foto
van Wijk wordt voor mijn herinneringen gehouden.

Een tweelingbroer uit Nog een grap:

Het is geen grap
maar de belofte van een grap
en als je er een vindt
die daarin past,
wil je nog weten of het de enige is.

Het lijkt ook verwant aan een ander gedicht uit Nog een grap, ‘Grap’:

Hebben jullie echt woorden die twee
verschillende betekenissen tegelijk hebben?

Dan moet het voor jullie wel makkelijk zijn
om grappen te maken.

Wij hebben hoogstens woorden
die van betekenis veranderen.

Als je je de vorige nog herinnert
kan het grappig klinken.

Maar dat is moeilijk,
omdat die veranderingen
langzaam gaan,
je moet wachten
en wachten.

Grappen zijn niet zomaar om te lachen – niet altijd. Het lachen confronteert ons met onze vooronderstellingen. Grappen werken door impliciete contexten op onverwachte manieren te gebruiken, maar brengen daarmee die context ook op de voorgrond, en daarmee zijn bij uitstek grappen in staat ons te confronteren met wat we denken zonder het te weten. Dat zorgt er niet voor dat het lachen ons vergaat, misschien, maar het geeft ons lachen soms wel een nasmaak. Hoe vaak komt een grap ‘too soon’? Hoe vaak komt het nog te hard aan? Om een grap te maken moet je soms ‘wachten / en wachten’, wachten tot de betekenis veranderd is, je de geschiedenis op zo’n manier kunt herhalen dat het lollig wordt.

Ken je die van Erik in het bushokje? (Je weet wel, die bloedende handen, die glasscherven, haha!)

9789048829460Jonathan Griffioen
Wijk
(Amsterdam: Lebowski Publishers, 2015)

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel is schrijver en wiskundige, en volgt momenteel een onderzoeksmaster wetenschapsfilosofie. Hij debuteerde in 2014 met Constellaties en was het jaar daarop laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium. In het najaar van 2017 verscheen zijn roman Het leven zelf.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *