Bespreking

‘o kraai, wat doe je in mijn binnenplaats?’ – Noemer en het risico op een ander bij Joost Baars

Detail uit 'Kraai op een wilgentak', Okuhara Seiko
Detail uit 'Kraai op een wilgentak', Okuhara Seiko

Wat betekent het om afwezig te zijn? Hoe ben je dat? En hoe verhoudt je afwezigheid zich tot je naam? Dat zijn vragen waarop ik ten minste deels een antwoord wil formuleren voor ik Joost Baars’ Binnenplaats zou kunnen beginnen te bespreken. (Tegelijkertijd is het stellen van die vragen al een bepaald begin, omdat de vragen bij me spelen vanwege het lezen van die bundel, ze stellen is onderdeel van het lezen zelf.)

Wat ik maar gezegd wil hebben: deze bespreking volgt een omweg. Een besliste omweg, geloof ik – geen omzwerving – maar toch. Ik hoop dat er mensen bereid zijn mee te bewegen, omdat ik denk dat de omweg ons brengt op een plek waar Baars’ gedichten sterker resoneren dan daarvoor, luider kunnen klinken dan eerst.

Voor enig houvast, eerst even de feiten. Binnenplaats opent na een motto met een los gedicht, ‘Kosmologie van het tapijt’. Daarna volgen vier afdelingen, die alle behalve de derde een eigen motto meekrijgen. ‘Binnenplaats’ bevat gedichten elk geschreven aan een Jij (met een hoofdletter die persoonsnamen niet krijgen), ‘Meer dan aan elkaar’ bestaat uit een grotere variatie aan gedichten, vervolgens komt ‘Waar ik niet heen wil gaan’, een afdeling vertalingen van sonnetten van Gerard Manley Hopkins, en ten slotte ‘Het dal van Spoleto’, een reeks gedichten geschreven aan verschillende vogels of vogelsoorten. Het laatste gedicht wordt in de inhoudsopgave gerekend tot die laatste afdeling, maar staat in de bundel wel na een leeg gelaten bladzijde.

‘Not at him but past him’

De vragen die ik net stelde deden me denken aan een andere vraag, uit een andere bundel – Anne Carson’s Autobiography of Red, over het rode gevleugelde monster Geryon. Eenmaal een adolescent wordt hij afstandelijker tegen zijn moeder, die op een dag in de deuropening van zijn kamer staat en opmerkt dat ze hem amper nog kent. Even later schrijft Carson dit:

She was looking not at him but past him as she stored the unlit cigarette
in her front shirt pocket.
“How does distance look?” is a simple direct question. It extends from a spaceless
within to the edge
of what can be loved. It depends on light. Light that for you? he said pulling
a book of matches
out of his jeans as he came towards her. No thanks dear. She was turning away.
I really should quit.

Er zitten een paar motieven in deze regels die ik, voor het lezen van Binnenplaats, mee wil nemen. De vraag hoe we het ‘past him’ uit de eerste regel moeten lezen bijvoorbeeld – is dat ‘langs’ of ‘voorbij’? Ik bedoel dat de mogelijkheid bestaat dat Geryons moeder nog steeds naar Geryon kijkt – in zijn richting – maar haar blik niet meer op hem heeft scherpgesteld, voorbij hem kijkt alsof iets zich op zijn plaats bevindt, voorbij zijn specifieke aanwezigheid. We kunnen immers nog een stap verder gaan: ‘not at him but past him’ kan gelezen worden als dat ze ‘past him‘ bekijkt, de zoon die ze kende, die zich ergens in of voorbij hem bevindt, bedekt door het opgroeien.

Soortgelijke verdubbelingen vinden plaats in het eerste gedicht van ‘Binnenplaats’:

het geritsel van bomen is
niet het geritsel van bomen.

het is Jouw stem. het geritsel
dat altijd hetzelfde is, is niet

altijd hetzelfde. het opent me,

Het is een blik die we in gedachten kunnen houden, de blik die naar de dingen voorbij ze kijkt (die er, iets spreektaliger, ‘iets achter zoekt’).

Een tweede motief is de vraag wie er kijkt. ‘How does distance look?” – is dat een simpele directe vraag? Vraagt het hoe afstand ‘eruitziet’ of vraagt het hoe afstand ‘kijkt’? Zo’n ambiguïteit vinden we terug in het vervolg van Baars’ gedicht:

altijd hetzelfde. het opent me,
dringt bij me binnen, naar de

plek waar Jij hoort, waar Jij blijkt
te ontbreken. daar hoor ik

De plek ‘waar Jij hoort’, is dat de plek waar iemand zou moeten zijn, of waar iemand luistert? Misschien is zoiets inderdaad één simpele directe vraag – als we de twee vragen stellen als dezelfde vraag. Misschien is de vraag hoe afstand eruitziet gelijk aan de vraag hoe afstand kijkt; misschien is de vraag of iemand ergens hoort te zijn hetzelfde als de vraag of iemand luistert. (Zoals je van iemand die naast je staat maar niet naar je luistert, ook wel eens zegt dat hij of zij er niet is.) Zowel in het lezen van de regels van Carson als in Binnenplaats moeten we erop letten hoe de gedichten steunen op zulke dubbele lezingen.

Het laatste motief is dat ‘spaceless / within’, vanwaaruit afstand kijkt-eruitziet tot ‘the edge’ van wat liefgehad kan worden. Ook daar vindt een bepaald samenvallen plaats. Want hoe beweeg je weg uit een ruimteloos binnenste? Hoe kom je ooit aan bij een rand? En hoe zit het dan met het ‘spaceless within’ van die ander, hoe kan er iets voorbij de rand liggen, als het een rand is rond een ruimteloos niets?

Het risico van de naam

Om dat alles terug te brengen bij mijn eerdere vragen: een naam benoemt altijd al een afwezigheid. Een naam garandeert op geen enkele manier de aanwezigheid van wat ermee benoemd wordt, en werkt min of meer evengoed zonder – werkt in elk geval ongeacht die aanwezigheid. Op die manier vormt een naam de edge of what can be loved. (De tweede afdeling van Binnenplaats, ‘Meer dan aan elkaar’, ontleent zijn motto aan de dichter en denker Christian Wiman: ‘Love is the living heart of dread / Love I love you to the very edge of being / Dead’.)

Die onmogelijkheid is het risico van elke naam.

Het hangt sterk samen met de aard van afwezigheid: afwezig ben je altijd voor iemand anders. Je afwezigheid is niet iets dat je zelf ervaart, in elk geval niet op het moment dat je het bent, het is eerst en vooral hoe iemand jou kan ervaren op het moment dat jij er niet bent. Maar dan vindt er dus iets vreemds plaats – want iemands afwezigheid ervaren is iets anders dan iemand niet ervaren. In de ervaring van iemands afwezigheid bolt de negatieve potentie van een ruimte samen tot een iemand. De ervaring van iemands afwezigheid valt op een bepaalde manier samen met het risico dat elke naam loopt.

Daarover gaat ook het motto van Binnenplaats, ontleend aan John D. Caputo, waarvan Baars geschreven heeft dat het ‘in zekere zin ook van toepassing is op gedichten’:

Prayer is not a matter of delayed gratification. […] Prayers are really prayers when we do not know if there is anyone there to hear them or to whom we are praying or for what. By the impossible everything begins.

Die onmogelijkheid is het risico van elke naam. In het gedicht ‘Hannah Arendt’ schrijft Baars dit:

fenomenologen
waren gevoelig voor religie,

omdat ze de directe ervaring
stelden boven de empirie,

en god ervaren kan worden,

zelfs als hij niet bestaat.

Daarmee komen we terug bij het ‘blijken’ van het eerdere gedicht. Wat betekent het dat Jij blijkt te ontbreken? Ik bedoel: je kunt dat simpelweg lezen als het feit dat de spreker iemand verwachtte, en erachter kwam dat diegene er niet was. Maar waarom is het dan diegene die blijkt te ontbreken? Waarom ontbreek specifiek Jij in plaats van iets of iemand anders?

Christian Wiman, van wie Baars, zoals gezegd, een motto opneemt, schrijft ook over zulk blijken in zijn boek My Bright Abyss:

Lord, I can approach you only by means of my consciousness, but my consciousness can only approach you as an object, which you are not. […] I seem to see you in the black flower mourners make beside a grave I do not know, in the embers’ innards like a shining hive, in the bare abundance of a winter tree whose every limb is lit and fraught with snow. Lord, Lord, how bright the abyss inside that “seem.”

Het ‘blijken’ als felle afgrond, als verblindende afgrond misschien. Hoe is zoiets nog een afgrond? ‘”How does distance look?” (…) It depends on light.’ Hoe herken je een lichtgevende afgrond – is een afgrond niet precies wat we denken te zien als we worden geconfronteerd met een donker waarin we zouden kunnen verdwijnen? Maar omgekeerd de vraag: waarom herkennen we het donker – dat evengoed ‘verblindend’ is, waarin we niets kunnen zien – als iets dieps, en het licht als een oppervlak?

‘A God that never leaves or that always leaves me’

Wiman sluit aan bij een langere traditie aan negatieve theologie, een traditie die op een soortgelijke manier steunt op de inwisselbaarheid van licht en donker. Dat God (er) niet is, is nog geen atheïstische uitspraak – dat kan immers ook liggen aan het feit dat wat wij onder (er) zijn verstaan niet afdoende is om God te beschrijven. Je zou nog verder kunnen gaan: zeggen dat God niet bestaat is evengoed een absolute waarmee je je hele leven in kunt richten. Wanneer in Paolo Sorrentino’s The Young Pope het Vaticaan een schandaal probeert te scheppen door een vrouw de nieuwe, onbedwingbare paus Pius XIII te laten verleiden, zegt hij haar dit:

Esther, I love God because it is so painful to love human beings. I love a God that never leaves or that always leaves me. God, the absence of God – always reassuring and definitive. I am a priest, and have renounced my fellow man, my fellow women, because I don’t want to suffer, because I’m incapable of withstanding the heartbreak of love. Because I’m unhappy, like all priests. It would be wonderful to love you the way you want to be loved, but it’s not possible. Because I am not a man. I am a coward, like all priests.

De rest van de serie werkt briljant met deze spanning, tussen de vraag of de paus – de jonge Amerikaan Lenny Belardo, gespeeld door Jude Law – nu wel of niet in God gelooft, of hij werkelijk twijfelt, wat überhaupt zijn plannen zijn met de katholieke kerk. Het wezenlijke wat daar voor nu van mee te nemen valt is het feit dat een volledige verwerping van een God structureel maar weinig verschilt van een rotsvast geloof in een God. Reassuring and definitive. Het is een slot tegen de twijfel, tegen risico, en tegen de heartbreak of love. Baars schrijft in een essay in Liter 81, ‘Het risico van de hoop’ ook over die inwisselbaarheid, wanneer hij vertelt over het moment dat hij aan het ziekenhuisbed van zijn geliefde besloot te bidden:

Niet om een goede afloop […] en zelfs niet om ‘kracht’ of ‘wijsheid’. Ik richtte mij. Of ik dat tot iets of niets deed, weet ik niet. Die waren op dat moment inwisselbaar: het iets dat het niets zou betekenen waarin mijn geliefde zou verdwijnen, het niets dat het iets zou geven waarin mijn geliefde zou leven. Ik denk niet dat ik iets zei, deed niets anders dan dat iets/niets verwelkomen voor wat het zou worden. God is niet, God wordt, zo leert de procestheologie. Wat plaatsvond, was niet de belofte dat mijn geliefde verder zou leven, maar de realisatie dat ze nu nog leefde, dat er nu leven was om in ontvangst te nemen, dat er liefde en betekenis mogelijk is in het leven dat is, zelfs als dat leven vandaag moet eindigen.

Ik geloof dat Wiman met die laatste stap nog steeds een bepaald risico uitsluit

Zoals we in het motto lazen: een gebed is pas een gebed als het niet zeker is over zijn aankomst. Een gedicht pas een gedicht als het niet weet of het tot iemand spreekt, en tot wie. Dan hoeft met het feit dat ‘Jij blijkt / te ontbreken’ het laatste woord nog niet te zijn gezegd. Wiman schrijft later in My Bright Abyss dat hij altijd lijkt te bidden ‘as if’, alsof God bestaat, en dat hij daardoor nooit helemaal zeker weet of wat hij doet de naam waard is. Hij haalt daarbij Simone Weil aan:

“We must believe in the real God in every way,” says Simone Weil, “except that he does not exist, for we have not reached the point where he might exist.” I don’t take this to mean that if we achieve some state worthy of God, he will pop into being like a genie. Rather, I think Weil is suggesting that devotion to God, for modern believers, involves learning to inhabit—rather than simply for trumping with dogma or literal scripture—those elements of our existence that seem inimical to his: limitedness, contingency, suffering, death.

(Baars’ motto voor de eerste afdeling komt van Joy Ladin: ‘you and I, breath-filled clay / were created to inhabit’.)

Wiman stelt dat Weil doelt op het feit dat de obsessie met de vraag of God bestaat ‘beside the point’ is. ‘God exists apart from our notions of what it means to exist’, schrijft hij meteen daarna. Dat is precies de stap waarin ik niet met Wiman mee kan gaan, en ik weet niet of ik geloof dat hij Weil daar goed leest. Het voelt als een zwaktebod om eerst te schrijven dat het beside the point is of God bestaat, maar daarna wel te willen zeggen dát hij bestaat – zelfs al is het voorbij onze noties van bestaan. Ik bedoel dat je evengoed kunt zeggen dat God niet bestaat op een manier die niets met ons begrip van bestaan te maken heeft. Laat ik wel gezegd hebben dat het me, op andere momenten, niet duidelijk is of Wiman dat inderdaad óók zou zeggen, maar zoals hij het hier formuleert geloof ik dat Wiman met die laatste stap nog steeds een bepaald risico uitsluit, nog steeds vasthoudt aan een laatste zekerheid. Ik maak daar een punt van omdat ik geloof dat Baars die laatste zekerheid in zijn gedichten loslaat.

Laat me nog een klein eind verder lezen, wanneer Wiman Weil opnieuw aanhaalt:

Simone Weil says that “Absence is the form God takes in this world,” which, like every profound human conception of God, is at once true and untrue. It is true insofar as God does not appear to us in any form beyond the forms of the world. It is false insofar as it assumes that God is not present in the forms of the world, in ways that require a lifetime of looking and praying to recognize. Weil’s genius is to give form to the feeling of lack that leads a person to cry out that this world, however much it is loved, is not enough. Her language energizes absence, charges it—as in fact it is charged—with divine meaning and power, though the phrase also keeps those things implicit and distant. That is her weakness: she assumes we know what form or forms God takes and therefore our perceptions of his absence are not simply accurate but, in this life, final. God’s absence is an anguish every honest believer feels, but the problem with Weil’s statement is that it stops at this anguish, not realizing that God’s absence is always a call to his presence.

Het zit me dwars dat Wiman het een zwakte van Weil noemt, terwijl ze, in mijn ogen, juist rigoureuzer is dan hij. Ik denk niet dat Weil stelt dat we weten welke vormen God aanneemt, ik denk dat Weil zich er bewust van is dat áls God niet in een ‘andere vorm’ tot ons komt, geen van de vormen waarin hij wel zou kunnen verschijnen hem werkelijk zouden kunnen zijn. Wiman stelt dat we, op een zeker moment – ja, na een lifetime, dat wel – Godsverschijningen zouden leren herkennen. ‘God’s absence is always a call to his presence’? Nee, ik denk het niet. ‘God’s presence‘ is precies waaraan het ons altijd zal ontbreken, zelfs als de vorm van iets waartoe we geroepen zouden worden. Precies die onzekerheid is het risico dat een werkelijk gebed loopt.

Weil schrijft daarover, op verschillende plaatsen, dit:

I am quite sure that there is a God in the sense that I am quite sure my love is not illusory. I am quite sure that there is not a God in the sense that I am quite sure nothing real can be anything like what I am able to conceive when I pronounce this word. But that which I cannot conceive is not an illusion.

I have to be atheistic with the part of myself which is not made for God.

Het deel dat wel voor God gemaakt zou zijn, is denk ik dan precies die liefde, die Weil bij zichzelf opmerkt. Een liefde, een bepaalde gerichtheid vanuit een ‘spaceless / within’. Elders zegt ze dat zo:

Nothing which exists is absolutely worthy of love. We must therefore love that which does not exist. This non-existent object of love is not a fiction, however, for our fictions cannot be any more worthy of love than we are ourselves, and we are not worthy of it.

I must love being nothing. How horrible it would be if I were something! I must love my nothingness, love being a nothingness. I must love with that part of the soul which is on the other side of the curtain, for the part of the soul which is perceptible to consciousness cannot love nothingness. It has a horror of it. Though it may think it loves nothingness, what it really loves is something other than nothingness.

Het punt is dat als we het non-existente opvatten als een illusie, we ons al te veel een beeld vormen van dat wat niet zou bestaan, we zijn het alsnog aan het invullen of bedekken, zoals in mijn ogen Wiman wanneer hij elders schrijft dat God ‘verandering’ is. Onze beelden van wat niets is, zijn zelf méér dan niets. Het is al te veel.

Dat is, denk ik, waar ik aankwam na mijn eigen ‘geloofsval’ – hoewel dat woord aan alle kanten incapabel voelt te beschrijven wat er in de loop van mijn jeugd of volwassenwording gebeurde. Ik ben niet van mijn geloof gevallen alsof geloven een cirkelvormige verhoging is in een grotere, ongelovige wereld, met een rand waarvoorbij ik viel. Ik ben atheïstisch omdat ik me steeds dichter naar het midden van mijn geloof bewoog, en in het midden ontdekte dat ik niet meer kon zeggen dat God bestond. En hoewel ik mezelf nu dus atheïstisch zou noemen, is de reden dat ik mezelf het geloven nog niet ontzeg dat ik niet zeker weet of er verschil bestaat tussen twee uitspraken: de eerste dat God er niet is, de ander dat er geen god is. Beide kan ik doen. En vielen ze samen, dan zou elke vorm van geloven me onmogelijk geworden zijn. Het probleem met definitief zeggen dat die zinnen dezelfde zijn, is dat ze volgens mij verschillend gebruik maken van absentie.

Om te voorkomen dat deze bespreking nog verder uit de hand loopt, laat ik het bij die uitspraak – maar ik zeg het omdat ik geloof dat het openstellen van die vraag een houding biedt die vruchtbaar is voor het lezen van Binnenplaats.

Noemen

In het openingsgedicht, ‘Kosmologie van het tapijt’, krijgt een vrouw een hartaanval, belt de spreker 112. Het sluit af met de regels: ‘daar lag ze op het vloerkleed als een pasgeboren baby’tje / dat naamloos op haar noemer wacht’. Dat woord ‘noemer’ is een van de steunpunten van de bundel, in hoe dat woord het verschil tussen naam en naamgever vervaagt.

Hoe wacht je naamloos op een noemer? Ik bedoel: wat stelt iemand in staat je uiteindelijk een naam te geven, wat stelt je in staat een naam te ontvangen? Er is een bepaalde aanwezigheid voor nodig. Zoals Baars erover schrijft in een later gedicht, ‘Theologie van de stoel’:

omdat lichamen vallen

omdat onder de naam van het lichaam alles voorbij het lichaam aanwezig wordt gesteld

omdat ons bestaan belichaamd is

omdat ons belichaamde zijn het noemen is van een naam

omdat niemand zijn eigen lichaam benoemt
en onder de naam van het lichaam het vallen besloten ligt

Niemand benoemt zijn lichaam, zelfs al zou je je eigen naam verzinnen: je bent enkel in staat jezelf te benoemen omdat je al weet hebt van een ‘zelf’ dat je zogezegd ‘bent’, je kunt al een iemand aanwijzen die de nieuwe naam zou moeten dragen. Dat belichaamde zijn heb je ontvangen, niet omdat je weet hebt van een gever, maar omdat je weet dat je het niet zelf verkregen hebt. Ons belichaamde zijn is het noemen van een naam, omdat ik ook het feit dat wij ons zijn, dat ik mij ben, niet van mijzelf kan hebben, het is me altijd al gegeven. In het gedicht aan de reiger, aan het eind van de bundel:

dat jij niet werkelijk reiger bent
maakt jou niet minder echt,

reiger van dick ket,
het verschil is slechts:

jouw schepper is bekend

We hebben altijd al een noemer. We dragen altijd al een naam, we zijn altijd al genoemd: dat is de staat waarin we beginnen, of beter, waarin we nooit begonnen, omdat precies het beginnen aan onszelf voorafgaat. Wij kunnen alleen maar zijn omdat we niet kunnen beginnen – ‘lichamen vallen’. In één van de gedichten van Baars klinkt dat als volgt:

zelfs als Jij nu niets anders bent
dan enkel een naam,

woedend ontsnapt aan
mijn slapende lippen ondanks

mijn verstand

[…]

ook dan raakte
Jouw naam in Jouw naam

zijn betekenis kwijt
en is al mijn verklaren

repliek op Jouw
woord-voor-woord

in mijn hart
dat niet om mijn wil

maar de Jouwe zal stoppen
met noemen want

Jij bent het noemen, Jij bent
voor-naam. Jou is de macht.

Dit is waar ik op doelde toen ik zei dat Baars in zijn gedichten zelfs het laatste risico in stand houdt. Het punt is simpelweg dat we niet alles voor het zeggen hebben – letterlijk. We zijn altijd ook overgeleverd aan dat wat zich, in ons, al zegt, aan dat wat wij niet zeggen maar ons gegeven wordt om te zeggen. Om dat te erkennen hoef je niet religieus te zijn, enkel oplettend. Wat betekent het, ‘Jij bent het noemen’? Noemen schept beide noemers tegelijkertijd: de naamgever en de naam. Jij bent het noemen, dat is: zelfs als wij namen dragen of geven, de oorsprong daarvan komt van elders, zij het van iets anders, een ander of een Ander.

Wiman schrijft dat ook al:

To be a poet […] is to learn to write without much concern for audience, not because you don’t want your poems to be read, but because in order for poems to honor the voice that creates them, a voice that, as even the most secular poets acknowledge, seems to come from “somewhere else”—in order, that is, for the poems to be poems—you have to acquire a monkish devotion to their source, and to the silence within you that enables that source to speak.

De stilte binnenin, in de binnenplaats. In 2010 schreef Robert Anker het zo (in een essay waar ik overigens niet volledig in mee kan gaan – bijvoorbeeld wanneer het over de zogenaamde ‘taalloosheid’ van dieren gaat – maar het geciteerde punt deel ik):

Om een belangrijk misverstand uit de weg te ruimen: een gedicht is niet een poging woorden te zoeken bij een reeds bestaand idee of gevoel. Het ontstaan van een gedicht begint ermee dat de dichter (ik ga van mijzelf uit maar ik praat voor velen, voor allen, denk ik) ontvankelijk is voor poëzie en dat zet een zeker gevoel van annunciatie in beweging – letterlijk beweging: er dient zich een gevoel van nadering aan, van ritme. Bij mij wordt het dan een tasten in een schemergebied van de geest waar zich taal aandient, eerst nog ‘taalloos’, als ik deze paradox even mag beproeven, een soort woordgestalten die opdoemen en weer verdwijnen[.]

De taal dient zich aan, de stem schijnt of blijkt van elders te komen. In die lijn kunnen we misschien ook de afdeling vertalingen zien die Baars in zijn debuut heeft opgenomen: het begin begon al ergens anders, men sprak al. De titel van die derde afdeling, ‘Waar ik niet heen wil gaan’, is afkomstig uit een van zijn eigen gedichten in de afdeling daarvoor, waar hij schrijft:

open. open. o

wit omgordend licht,
breng mij nu ook waar ik

niet heen wil gaan.

Waar je niet heen wilt gaan is niet altijd waar je niet wilt zijn, het is misschien ook waar je niet uit jezelf kunt komen. (Het is goed te beseffen dat welke weg je neemt naar je bestemming, beïnvloed waar je aankomt – neem de ‘omweg’, zoals ik het noemde, die deze bespreking maakt.)

Het eerste gedicht uit de ‘Het dal van Spoleto’, en het laatste dat ik aan wil halen, is vrij snel een van mijn favoriete gedichten geworden (niet alleen van deze bundel). Het is geschreven aan een kraai, of de kraai – precies dat onderscheid wordt ook thematisch gemaakt:

o kraai, wat doe je in mijn binnenplaats?
je kwam er in je eentje zomaar

aanvliegen, streek neer op
een boom en stootte daar

je kreten uit: kaa! kaa! kaa!
weet je dan niet

waarvan je vehikel bent,
zo diep in mijn cultuurgenoom

verankerd, dat het mijn ratio omzeilt
en in mijn lichaam haakt

dat ik hier na het ziekenhuis-
bezoek te ruste heb gelegd.

ik wil jou niet in mijn betekenis-
geneigde brein, dat moet geloven

dat ze thuiskomt, dat ze

net zo onsymbolisch blijft
als jij voor mij moet zijn.

Er komt zoveel van wat ik net heb geprobeerd te zeggen in samen. Het feit dat ‘ze’ – de ze die aan het begin van de bundel op het vloerkleed ineenstort? – onsymbolisch moet blijven, maar precies dat iets is dat de spreker geloven moet. Onsymbolisch is niet puur werkelijk, maar zonder bedekking, zonder doorverwijzing, zonder ‘symbool’ als vervanging voor een onmogelijke aanwezigheid. De kraai komt aan op de binnenplaats – omheind maar van boven open, het is mogelijk dat zoiets als een kraai er komt aanvliegen. Binnen de binnenplaats neemt de kraai betekenissen aan, niet omdat de dichter het wil – dat misverstand dat de wereld zomaar de wereld is, en dichters er altijd maar dingen bij lopen de verzinnen, alsof dat puur een keuze is – maar  omdat het hem of haar gegeven is die erin te zien.

en stootte daar / je kreten uit: kaa! kaa! kaa!

Die roep, letters die de klank van een dier vervangen moeten, die alleen voorbij zichzelf kunnen proberen te wijzen. De roep van de kraai kan het gedicht nooit werkelijk binnendringen, omdat een kraai geen letters krast. Ook daar moeten we als lezer een bepaalde moeite doen, niet omdat het moeilijk is daar de roep van een kraai te horen, te lezen, maar omdat dat niet altijd vanzelf gebeurt.

Het gedicht deed me denken (zoals vrijwel alles me altijd doet denken) aan een spreuk van Kafka:

De kraaien beweren dat een enkele kraai de hemel zou kunnen vernietigen. Zonder twijfel, dat bewijst echter niets tegen de hemel, want hemel betekent juist: onmogelijkheid van kraaien.

Een enkele kraai vernietigt de hemel, maar dat is geen daad van de kraai. De hemel is de onmogelijkheid van kraaien. Zolang je geen kraai ziet, heb je nog kans op de hemel. Een enkele kraai vernietigt dat, niet door de hemel van je weg te nemen, maar je kans erop, het ontneemt je het risico. Een andere spreuk:

Het feit dat we niets anders hebben dan een geestelijke wereld ontneemt ons de hoop, en geeft ons zekerheid.

Baars’ kraai moet onsymbolisch blijven, om te voorkomen dat hij zekerheid zou geven over wie in het ziekenhuis achterblijft – het is precies de zekerheid die haar weg zou nemen. Ze moet onsymbolisch blijven, dat betekent twee dingen: ze moet geen symbool worden, en ze moet nu blijven als zichzelf, en die twee betekenissen zijn één. De dichter, met diens juist zo betekenisgeneigde brein moet met man en macht weerstand bieden aan de drang zowel de kraai als haar te lezen, hen tot vehikels te maken van iets anders. Om het leven dat er nu is te ontvangen, moet je misschien voorkomen dat je iemand vermaakt tot diens noemer, je moet zorgen dat je het niet zelf wilt zijn die de namen geeft, die de wereld erin vastlegt. Baars sluit zijn bundel af met een gedicht waarin herhaaldelijk de zin ‘met jou beginnen’ klinkt. Om te behouden wat er is, moeten we de namen durven ontvangen, we moeten passief durven zijn – ook als daarmee het risico ontstaat dat we een naam niet ontvangen, iemand niet meer genoemd wordt. Lopen we dat risico niet, dan hebben we de ander bij voorbaat al vervangen door een noemer, symbolisch gemaakt – dan zullen we de ander nooit in handen hebben gehad, of gekregen.

baars_thumbJoost Baars
Binnenplaats
(Amsterdam: Van Oorschot, 2017)

De website van Joost Baars
De website van Van Oorschot

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel is schrijver en wiskundige, en volgt momenteel een onderzoeksmaster wetenschapsfilosofie. Hij debuteerde in 2014 met Constellaties en was het jaar daarop laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium. In het najaar van 2017 verscheen zijn roman Het leven zelf.

2 gedachten over “‘o kraai, wat doe je in mijn binnenplaats?’ – Noemer en het risico op een ander bij Joost Baars”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *