Bespreking

‘Als ik een heldere gedachte opschrijf, vliegt er een auto in brand’ – De waarachtigheid van het aforisme bij Hannah van Binsbergen

Een detail uit 'Self-portrait of You + Me (David Bowie)' (2007) van Douglas Gordon
Een detail uit 'Self-portrait of You + Me (David Bowie)' (2007) van Douglas Gordon

In zijn recensie op De Reactor vat Lodewijk Verduin het strijdtoneel van Kwaad gesternte, de VSB-winnende debuutbundel van Hannah van Binsbergen, als volgt samen:

Er komen verschillende segmenten van aangenomen identiteiten en gezichten voorbij; nu eens zijn dat kattebelletjes, dan weer volledige bekentenissen. Deze fracties van identiteiten staan vaak haaks op elkaar. Wanneer je de bundel achter elkaar leest valt dan ook op hoe veelzijdig, en daardoor inconsistent, de vertellende dichter is. Het beschreven subject wisselt tussen kwetsbaar en almachtig, wat haar tegelijkertijd kenbaar en ongrijpbaar maakt.

Van Binsbergens eerste bundel thematiseert een meervoudige identiteit, onverenigbaar tot één coherent persoon – tenminste, als we als we vasthouden aan een idee van identiteit waarin tegendelen onverenigbaar zijn. Zo’n idee lijkt in Kwaad gesternte juist op het spel te staan.

Het is moeilijk voorstelbaar dat Van Binsbergen dit probleem zo goed zou kunnen behandelen als ze niet, zoals Verduin ook benadrukt, ook heel verschillende gedichten schreef:

[De] gedichten lijken de veelvoud aan identiteiten met hun vorm te spiegelen: Van Binsbergen schrijft gedichten van sterk uiteenlopende lengte met een ongelijke versbouw. Sommige gedichten gaan pagina’s door, andere lijken niet meer dan krabbels of notities.

Eén stijlfiguur keert echter zo goed als regelmatig terug. Door de bundel heen formuleert Van Binsbergen regels met een soort aforistische citeerbaarheid. Ik zou niet zo ver gaan ze aforismen te noemen, deze regels ontberen de isolatie die aforismen kenmerkt, oftewel: deze regels functioneren allereerst binnen een vrij specifieke context. De regels volgen in hun kernachtigheid de vorm van het aforisme wel. Neem bijvoorbeeld een van mijn persoonlijke favorieten: ‘Er is plaats voor iedereen in de obsceniteit.’ En samengenomen vormen deze quotables weer een soort overzicht van Van Binsbergens meervoudige poëtische stem.

Dit soort frases speelt, denk ik, een cruciale rol in de manier waarop Van Binsbergen omgaat met de diffuse staat van identiteit.

Dit soort frases speelt, denk ik, een cruciale rol in de manier waarop Van Binsbergen omgaat met de diffuse staat van identiteit. Ze zijn een belangrijk gereedschap voor het werk dat de dichter aan het einde van de bundel zegt te hebben gedaan om op een zekere manier tot zichzelf te komen:

Wat ik wilde was het dromerige tussenleven
van de deuropening bewaren. Ik heb veel gedaan
om eindelijk mijn eigen naam te kunnen zeggen.

Nietigheid

‘Ik wil eruit,’ schrijft Van Binsbergen in haar openingsgedicht,

maar nergens ben ik veilig, mijn geweten is iets lichts
geworden nu ik mijzelf altijd moet zien en zien hoe ik door
iedereen gezien wordt.

De manier waarop identiteit ook sociaal ontstaat en wordt vervormd, ook in de vorm van sociale druk, komt steeds terug in Kwaad gesternte. Verduin concludeert hetzelfde als hij in zijn recensie schrijft: ‘de sturende blik van anderen is vooral zichtbaar in gepresenteerde verwachtingspatronen’. In ‘De grote liefde’ lezen we een eerste aforistische regel: ‘ik vraag me af of ik te lui ben om normaal te doen’. Het is zo’n kernachtige formulering, waarin zowel de conformerings- als de prestatiedruk worden gethematiseerd die de ik-figuur aan haarzelf doen twijfelen.

In ‘Vrij naakt op een oud hemd na’ gaat het over de laatste zinnen van het communistisch manifest – over de proletariërs die zich moeten verenigen omdat ze niets te verliezen hebben dan hun ketenen. Van Binsbergen legt een vinger op de zere plek: een eigen, individuele identiteit gaat op en verdwijnt in zo’n massale sociale beweging. Ze schrijft:

Ik mis een lichaam dat van jou alleen is
vrij naakt op een oud hemd na.

En zo onderzoekt Van Binsbergen meer sociaal-politieke krachten die op ons inwerken. Elk onderwerp biedt de mogelijkheid voor andere aforismen. Seksisme bijvoorbeeld: ‘Er zijn er nu onder ons die niet aangeraakt willen worden’. Of neem de obsessie met jong sterven. De toekomst biedt nog zoveel kansen om te mislukken: ‘Jong te sterven is een utopie / het houdt je teloorgang tegen.’

Van Binsbergen legt een vinger op de zere plek.

De krachten die in Kwaad gesternte een individuele identiteit uiteen trekken, vinden we ook terug in het werk van een andere schrijver van aforistisch proza: Gedachten van Blaise Pascal. Het bestaat uit zo’n duizend aantekeningen, ultrakort tot een paar pagina’s lang, op basis waarvan Pascal een apologie voor het katholieke geloof hoopte te schrijven. De filosoof had echter zo’n zwakke gezondheid dat hij de notities op zijn 39e achterliet in deze wereld, voor het grootste gedeelte ongeordend. Deze fragmenten die dus nooit uitgewerkt zullen worden, hebben net als het schrijven van Van Binsbergen vaak de citeerbare, kernachtige kwaliteit van aforismen.

Een van zijn beroemdste recente lezers, wijlen David Foster Wallace, vatte de thematiek van Pascal als volgt samen in zijn onafgemaakte roman The Pale King, als hij een aantal belastingambtenaren opvoert die de maatschappelijke staat van Amerika bespreken:

I’m talking about the individual US citizen’s deep fear, the same basic fear that you and I have and that everybody has except nobody ever talks about it except existentialists in convoluted French prose. Or Pascal. Our smallness, our insignificance and mortality, yours and mine, the thing we all spend our time not thinking about directly that we are tiny and at the mercy of large forces and that time is always passing …

In Pascals eigen woorden klinkt dat als volgt:

68. Wanneer ik denk aan de korte duur van mijn leven, verloren in de eeuwigheid ervoor en erna […] de kleine ruimte die ik inneem of zelfs maar kan zien, verzonken in de oneindige, onmetelijke ruimten die ik niet ken en die mij niet kennen, dan wordt het mij bang te moede en verbaas ik mij er over dat ik mij hier bevind en niet daar, want er is geen enkele reden waarom eerder hier dan daar en eerder nu in plaats van toen.

De nietige mens is in Pascals Gedachten overgeleverd aan volkomen onzekerheid, geworpen in een toevallige wereld waar hij maar weinig van kan begrijpen. Zoals een zin uit fragment 199 het samenvat: ‘Hij is evenmin in staat het niets te zien waaraan hij ontrukt is, als de oneindigheid waardoor hij wordt opgeslokt.’ (De aantekeningen van Pascal zijn door verschillende experts van nummering voorzien, mij uitgave volgt de Lafuma-editie. Dat is handig om te weten, mocht je de notities uit dit stuk ergens terug willen vinden.)

Zoals Van Binsbergen het individu opgeslokt ziet door sociale en politieke krachten, zo verliest de mens in Pascals universum elke betekenis – wie is hij nog? Een vlekje, een stip, zijn lot onbekend.

Nog niet uitgedacht

Bij stom toeval zet de fragmentarische aard Pascals gedachten kracht bij. De verzameling notities bieden niet de houvast van een argumentatieve structuur, maar het is dan ook verre van Pascals opzet om zijn lezers op hun gemak te stellen. De wanhopige situatie van de mens, verdwaald en alleen, is wellicht niet effectiever te illustreren dan met een boek dat de lezer loslaat in een verzameling ideeën, uitroepen en spreuken die hij zelf nog zal moeten overdenken, waar hij zelf een of andere weg in moet vinden – als die er is. Het aforistische karakter van de Gedachten plaats de lezer dus middenin dat ‘oneindige, onmetelijke’, rijp voor angst en verbazing, en het legt tegelijk beslag op de lezer met gedachten die hem aan het denken kunnen zetten. De fragmenten zijn in die zin tweesnijdend; ze maken denken mogelijk maar buiten de veilige structuur van een absolute waarheid waarop zo’n denken gefundeerd kan worden. (Dit is ook, denk ik, waarom een hedendaagse auteur als Wallace nog een invloed in Pascal kon vinden.)

Volgens mij Van Binsbergen benut dit dubbele karakter van het aforisme ook in haar bundel. ‘Als ik een heldere gedachte opschrijf, vliegt er een auto in brand,’ schrijft ze halverwege de bundel. Een aanslag of een symbool van protest – het aforistische is dat wat ons nog aan kan zetten tot voelen en denken in een meervoudige, chaotische wereld. Een aforisme heeft een open einde, zo’n frase is nog niet “uitgedacht”, en is dat misschien wel nooit; het aforistische beweegt ons simpelweg. Van Binsbergen benoemt zoiets in een interview met Trouw als een van de voornaamste eigenschappen van poëzie: ‘het mooie van een gedicht is juist, dat je heel veel gedachten achter elkaar kunt laten staan en de tussenstappen overlaat aan de lezer.’

Een aanslag of een symbool van protest – het aforistische is dat wat ons aanzet tot voelen en denken in een meervoudige wereld.

Omdat het aforisme enerzijds als een punt van reflectie, gevoel en denken te fungeert, en anderzijds in zijn openheid het diffuse karakter van de wereld te erkent, is het misschien de waarachtigste poëtische beweging die Van Binsbergen kan maken. Het is, mijns inziens, tekenend dat zelfs rock bottom niet het einde betekent in ‘De grote liefde’:

Als ik naar de bodem afzak kan ik altijd nog zeggen
dat ik zo benieuwd was naar de bodem. Omdat ik zou willen weten
dat hij een hart had.

Je dieptepunt raken betekent toch in zekere zin ook tot de kern komen, tot het hart ervan. Het zou een verdieping betekenen waaraan de ik-figuur alleen maar wint. De lichte ironie van dat ‘dan kan ik altijd nog zeggen dat’, het smoesige ervan, speelt met het dubbele karakter van de bodem, met hoe het tegelijk het dieptepunt en een fundament kan zijn. In Kwaad gesternte beweegt Van Binsbergen zich wellicht door een bodem heen, naar een punt waar alles verloren is en steeds opnieuw herwonnen kan worden: identiteit heeft geen bestendig fundament, maar bestaat als een voortdurende beweging.

Pascal overdenkt in een aantal van zijn notities een noodzakelijke overgave, voorbij bewijzen of twijfels. In fragment 188 schrijft hij: ‘De laatste stap van het verstandelijke denken is de erkenning dat er oneindig veel dingen zijn die het te boven gaan.’ Fragment 182 is nog iets stelliger: ‘Niets stookt zo met het verstand als deze afwijzing van het verstand.’ Zo’n overgave kunnen we misschien binnen Kwaad gesternte duiden als poëtische waarachtigheid of een vorm van aforistiek – die regels die een punt van denken of voelen markeren, die tot een beweging aanzetten, zonder ooit een grond te kunnen worden.

Wat het voor Van Binsbergen betekent om eindelijk haar eigen naam te kunnen zeggen, kunnen we nu misschien ook beter doorgronden. Meer nog dan welk aforisme, staat een naam open voor haar drager – wie ze nu ook weer geworden is, hoe ze nu ook weer is veranderd, ze kan nog steeds Hannah heten.

cof

Hannah van Binsbergen
Kwaad gesternte
(Amsterdam: Atlas/Contact, 2016)

De website van Atlas/Contact

Gepubliceerd door Harm Hendrik ten Napel

Harm Hendrik ten Napel (1991) komt uit Friesland, en is via Groningen in Nijmegen terecht gekomen. Daar studeerde hij recent af in de filosofie. In 2013 publiceerde hij een bundel zeer korte verhalen bij Lemniscaat, Ze vraagt: Is dit je kamer. Hij is naast schrijver en filosoof ook boekverkoper.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *