Bespreking

‘en wij ouder werden en lichamen achterlieten en lichamen opnamen’ – Worden net als net in het werk van Thomas Möhlmann

Detail uit 'De raaf wordt beroofd van de veren waarmee hij zich had getooid' (1671) – Melchior d'Hondecoeter
Detail uit 'De raaf wordt beroofd van de veren waarmee hij zich had getooid' (1671) – Melchior d'Hondecoeter

In een oud interview met Remco Ekkers liet Thomas Möhlmann het volgende optekenen:

Het is moeilijk om dit uit te leggen, zonder dat het heel plat klinkt, want het is in principe een heel duidelijk idee: er is meer werkelijkheid om ons heen dan die we direct ervaren. Door daar beter naar te kijken of door daar van uit te gaan, kun je het pas zien, maar het is net nog lastiger dan dat. Het gaat er om steeds te proberen stil te staan bij datgene dat net voorbij ligt aan wat je denkt of wat je zien kunt, vanuit de vooronderstelling dat het zich daar ook daadwerkelijk bevindt.

En in een interview na het verschijnen van zijn debuut, De vloeibare jongen, in Lava 11.3, vertelde hij dat het hem in gedichten ging

om het eigen universum dat je in de taal kunt creëren, een aannemelijk universum dat door lichte verdraaiingen gaat knarsen. Het gaat me om het niet opzichtig verklooien van de werkelijkheid, het spanningsveld dat daardoor ontstaat.

Hij legde daar uit dat puur al door de daad van het schrijven, gedichten zich loswerken van datgene dat voor het schrijven de aanzet vormde. Het gedicht werkt binnen zulke opvattingen als een vorm van uitstellen of vertragen – en het is goed om te beseffen dat ook zulke ingrepen de werkelijkheid verdraaien, niet precies intact laten. Gedichten als vormen van weerstand tegen de directe ervaring, tegen het idee dat we heel de tijd als vanzelfsprekend simpelweg zien hoe het zit.

‘het tafereel weer uit’

We kunnen Möhlmanns opvattingen misschien vormgeven met behulp van de ideeën die Ben Lerner in The Hatred of Poetry uiteenzette, want in feite staat Möhlmann voor een onmogelijke opgave. ‘Door daar beter naar te kijken of door daar van uit te gaan, kun je het pas zien, maar het is net nog lastiger dan dat. Het gaat er om steeds te proberen stil te staan bij datgene dat net voorbij ligt aan wat je denkt of wat je zien kunt’ – hoe kun je beter stilstaan bij wat je niet kunt zien of denken? Dat lijkt op wat Lerner schrijft:

You’re moved to write a poem, you feel called upon to sing, because of that transcendent impulse. But as soon as you move from that impulse to the actual poem, the song of the infinite is compromised by the finitude of its terms. In a dream your verses can defeat time, your words can shake off the history of their usage, you can represent what can’t be represented (e.g., the creation of representation itself), but when you wake, when you rejoin your friends around the fire, you’re back in the human world with its inflexible laws and logic.

Thus the poet is a tragic figure. The poem is always a record of failure. There is an “undecidable conflict” between the poet’s desire to sing an alternative world and, as Grossman puts it, the “resistance to alternative making inherent in the materials of which any world must be composed.” In an essay on Hart Crane, Grossman develops his notion of a “virtual poem”—what we might call poetry with a capital “P,” the abstract potential of the medium as felt by the poet when called upon to sing—and opposes it to the “actual poem,” which necessarily betrays that impulse when it joins the world of representation.

Een gedicht moet niet zozeer iets laten zien wat we niet kunnen laten zien, maar laten zien dat we niet alles zien, het moet ons confronteren met onze grenzen op een manier die verder gaat dan het platte zeggen dat we niet alles kunnen.

Het hele gedicht rekt een moment op dat zichzelf tegelijkertijd probeert uit te wissen.

Möhlmanns vroege gedichten lijken dat te doen door een veelheid aan stijlfiguren, met name herhalingen, dubbel verbonden zinsdelen, weggelaten zinsdelen. Een sterk voorbeeld is ‘Mooi weggaan’, het laatste gedicht van de openingsafdeling van De vloeibare jongen (2006):

Het is zegt ze geloof ik
als je alles tot een groot brood
samenkneedt, dat zorgvuldig
in gelijke plakken snijdt
om op een schoongeveegde tafel
uit te stallen, te wachten
tot er niets meer dan
een schoongeveegde tafel over is
alleen nog de kunst mooi
weg te gaan, geloof ik

zegt ze en ze pakt het mes
weer op, kerft zich rustig
het tafereel weer uit.

Het hele gedicht rekt een moment op dat zichzelf tegelijkertijd probeert uit te wissen. Het mes uit het tafereel wordt opgepakt om de oorsprong van het tafereel eruit te kerven: de verteller ervan. Het tafereel is in feite niets anders dan vertelling, we zien het in feite niet (‘zegt ze … zegt ze’). Maar eigenlijk is het niet eens duidelijk of ‘ze’ iets zegt: door de plaatsing van ‘geloof ik’ in de eerste regel kan het ook zijn dat de dichter alleen maar denkt te horen of verstaan wat ‘ze’ zegt; op een bepaalde manier is ze uit het tafereel gekerfd, om alleen nog in de tweede strofe ‘terug’ te keren. Daar is ze echter niet meer zelf aan het woord – als ze dat dus ooit al was – maar wordt ze beschreven. De tweede strofe is een litteken van het worden-weggenomen, van het ‘mooie weggaan’, datgene wat ‘alleen nog de kunst’ was.

In ‘Een ongemerkt vertrek’, een ander gedicht uit Möhlmanns debuut, wordt iemand verteld om ‘alle moed niet plotseling / maar stap voor stap’ te laten varen’: ‘loop licht en lang genoeg de witte muren // langs om te vergeten waarvandaan’ – dat is wat ook de gedichten doen, niet ergens heen bewegen, maar bewegen om te vergeten waarvandaan. De bundel sluit dan ook af met het gedicht ‘Wat er nog is’:

De sterren waartussen jij zonder plan
een plaats nam, de lucht

die zich zonder aandacht
om het land, het veld
de stad sluit

de grond waarop de bomen
zonder bekommeren
hun plaats hebben gevonden

het water dat onverschillig twee
eenden draagt naar waar

een man de laatste kruimels
uit het plastic schudt.

Zonder plan, zonder aandacht, onbekommerd en onverschillig blijft de wereld achter waar de gedichten zich vandaan bewogen, nu de ‘jij’ ook tussen de sterren plaatsgenomen heeft – ver voorbij ons, op zo’n afstand dat we niet eens met zekerheid kunnen zeggen of je er nog bent of niet, of het licht dat we zien komt van wat al uitgestorven is.

Niets / ‘net als net’

Bijna op het einde van Kranen open (2009) vermomt en vervormt het gedicht ‘De kijkers thuis’ de titel van een ander gedicht, ‘Dat niets is natuurlijk waarschijnlijk’, dat bijna aan het begin stond:

hij grossiert in genade, ordent en telt de momenten
streelt de uitgetrokken veren, strijkt met zijn duim
over zijn vingertoppen, herstelt zijn evenwicht
stelt zijn waarneming bij: alles is mogelijk
maar niets is waarschijnlijk natuurlijk.

En het eerdere ‘Dat niets is natuurlijk waarschijnlijk’ bevatte de titel ‘De kijkers thuis’ al:

Dus we passen het moment aan zodra het om is
trekken enkele seconden in korte halen
de pennen los de veren uit de romp

de kleine druppeltjes deppen we
met onze eigen vingertoppen
onze vingertoppen gaan terug
in de zak waar ze kunnen drogen
tegen voering en rechterdij en wij
staan er net als net weer naast

als mensgrote genades als keurig
opgestelde camera’s als de kijkers
thuis onbewogen nauwelijks bewogen.

Waarnemingen bijstellen, momenten aanpassen zodra ze om zijn – het zijn hier uitgetrokken veren, het neemt datgene wat het bekijkt het vliegen af. Op een bepaalde manier vat Möhlmanns werkwijze zich hier samen in het eind van de tweede strofe: ‘wij / staan er net als net weer naast // als mensgrote genades’. Dat net als net, waarin precies de lichte vervorming optreed die Möhlmann heel de tijd najaagt, van ‘net’ in de betekenis van ‘evenals’ naar die van ‘daarnet’, door middel van een ‘als’, een vergelijking, een vervorming. ‘Niets is waarschijnlijk natuurlijk’ en ‘dat niets is natuurlijk waarschijnlijk’ – het zijn omkeringen die elkaar niet werkelijk tegen weten te spreken, en dat is wat Möhlmann schrijft, hoe zijn gedichten met hun materiaal omgaan. Alles is mogelijk, maar niets is waarschijnlijk natuurlijk: alle mogelijkheden zijn als per toeval teweeg te brengen, niets ervan is noodzakelijk – maar precies dat niets zelf is waarschijnlijk, laat ‘de kijkers / thuis onbewogen nauwelijks bewogen’ achter.

Zoiets kunnen we misschien minder abstract maken door middel van het concretere ‘Niets hoeft op te houden vanavond’:

De bomen niet bij de lucht, ons kleed niet
bij het gras, het gras bij de grond, de wijn
bij de bodem, de lont bij de fles, er zijn

ontelbare nachten en dagen er is zo weinig
tijd, er is niemand zo dichtbij als jij, je adem
niet bij je mond, de nacht niet bij de ochtend
mijn vinger niet waar hij je arm raakt

ik leg me eindeloos
zacht aan je voeten.

Ontelbare nachten en dagen met te weinig tijd, omdat alles ondanks de ontelbaarheid steeds maar voorbijgaat, ophoudt; terwijl de wens is dat niets op zou hoeven houden. De bomen zouden niet moeten hoeven ophouden bij de lucht, het kleed niet bij het gras, het gras niet bij de grond – het zou allemaal als het ware over moeten lopen, en misschien doet dat het, misschien loopt het over tot ‘niemand zo dichtbij als jij’ komt. Ik schrijf ‘misschien’, omdat elk ‘niets’ en ‘niemand’ voor problemen zorgt: als niemand zo dichtbij komt als jij, kom ook jij dat niet precies. Misschien is de enige uitkomst dan zelf maar ‘eindeloos’ te worden – iets wat na het enjambement ‘eindeloos / zacht’ wordt. Die eindeloze ‘ik’ houdt voor de tijd van één regelafbreking stand, blijft één regelafbreking eindeloos lang liggen, zodat misschien alles dichtbij kan komen, tot het weer doorgaat, het alleen ‘net als net’ nog te herhalen is, wat altijd zeggen wil: als iets anders.

‘ik zei welkom en je kwam’

De soort blik die Möhlmann in zijn eerste twee bundels hanteert lijkt te worden geïntensiveerd wanneer hij in zijn derde, Waar we wonen (2014), het fenomeen van de plaats zelf thematiseert. ‘We maakten een afspraak / en elke afspraak die daaruit groeide / was een houtblok op het vuur’, schrijft hij in de openingsreeks, waarbij de afspraken ook voor woorden staan:

We maakten een afspraak
waaruit miljoenen afspraken groeiden

iemand wees naar een steen en zei steen
iemand velde een boom en zei hout

de afspraken spoelden over de wereld
en plantten zich onophoudelijk voort
sponnen ons een wereld van afspraken in

Waar wonen we? We bevinden ons in een plaats die ontstaat en standhoudt door het continue maken en houden (of breken) van afspraken, elke afspraak een houtblok op het vuur, een warmte die maakt dat we elkaar nabij kunnen blijven; ‘jij wees naar de takken en ik bouwde / een huis, ik zei welkom en je kwam.’

Weer het niets en het niemand waaromheen de wereld zich lijkt te verdubbelen.

Dat alles wordt verscherpt in ‘Tong’, in het midden van de bundel. ‘Het is nooit één woord dat het leven vergelijkt / het zijn er vele, het zijn vele gezichten / verwrongen of versplinterd’, opent het, om verderop af te sluiten met deze strofe:

Versta je me nog als ik lispel, versta je me
nog als ik mijn tong tussen mijn tanden
hangen laat en bijt, geen gezicht dat
alle andere overbodig maakt, geen woord
dat aan zichzelf genoeg heeft, het zijn er
vele, juist degene die over niets gaan:
niemand kan in taal alleen bestaan.

Weer het niets en het niemand waaromheen de wereld zich lijkt te verdubbelen. Niemand kan in taal alleen bestaan, een diffuse zin. Niemand bestaat alleen in taal – dat wil zeggen, in taal bestaat niemand en in taal bestaat niemand. Niemand bestaat in taal alleen – in taal ben je altijd met anderen, ben je nooit strikt individueel te onderscheiden, hoeveel namen je ook zou krijgen. Geen woord of gezicht dat aan zichzelf genoeg heeft. Juist alles dat over niets gaat vermeerdert zich. Het is niet toevallig dat het gedicht wordt opgevolgd door een ander, dat aan Kopland refereert, met het citaat ‘het geheim van de wereld is het zichtbare // niet het onzichtbare’:

(…) het is niet onmogelijk
je een voorstelling te maken van de verte

van hoe het moet zijn om daar zelf te staan
maar het blijft daar en het blijft maar een blik

(…)

iemand stapt zijn tuin uit, zet zijn voeten
voor het eerst in het onzichtbare neer

De plaatsen waarover we spreken en de vertes die we zien, ‘waar’ we wonen, juist die plaats stelt zich uit, is het ‘niets’ waarin we ‘niemand’ zijn; al die voor-stellingen die de wereld bedekken, het zichtbare dat het geheim is. Waar we wonen, daar zijn we niet; we lopen door het onzichtbare en zien het niet.

‘Ik wil me verhouden tot de wereld’

Twee weken geleden verscheen Möhlmanns vierde bundel, Ik was een hond, en in een nieuw interview geeft hij nu aan de ‘alternatieve universa’ te willen achterlaten:

Vroeger vond ik het belangrijk alternatieve universa te scheppen met mijn gedichten. Daar kwamen ook angstaanjagende dingen in voor, maar daar kon ik op papier een draai aan geven. Het bood me als schrijver een bepaald soort veiligheid. Inmiddels vind ik dat ik het als mens en ook als dichter niet meer kan maken binnen die veiligheid te blijven schrijven. Ik wil me verhouden tot de wereld, tot de dingen die de wereld en het leven beangstigend en indrukwekkend maken. Dat is het denk ik: ik ga in deze bundel een relatie aan met bestaande verhalen, in plaats van met de fantasie zoals in mijn vorige werk. Dat maakt het een ‘kwadere’ bundel. Of in ieder geval een minder vrolijke bundel dan de vorige drie.

Ik houd ontzettend van muzikaliteit en ritme in gedichten. Die zijn in mijn eigen poëzie ook erg belangrijk. Maar voor deze bundel heb ik omwille van de vaart en de directheid minder dan anders aan de gedichten zitten pielen, schuiven en herschrijven. Ik wilde wat ruwe randjes overlaten.

Intrigerend is hoe Möhlmann het verhouden tot de wereld het ‘verhouden tot de dingen‘ noemt, in die wereld, die de wereld beangstigend en indrukwekkend maken. Zoiets lijkt in contrast te staan met wat hij aan het begin van zijn dichterschap benoemde: dat er méér werkelijkheid is dan de directe ervaring, dat er méér bestaat dan dingen in de wereld.

Maar dat Möhlmann zijn hele kader heeft omgegooid is wellicht een te vlugge conclusie. In hetzelfde interview benadrukt hij de rol van doodsangst in zijn werk – het besef dat we één leven hebben waarin ‘het’ moet gebeuren, een besef dat sinds zijn vaderschap concreter en sterker geworden is. Daarmee is het willen verhouden tot de wereld misschien vooral te zien als een volgende stap, die in Waar we wonen in feite al werd aangekondigd: waar de dichter eerst aan de directe ervaring wilde ‘ontsnappen’, naar ‘alternatieve universa’, wil hij nu met het schrijven blijven waar hij al is. Het object van verzet is veranderd: waar de eerste gedichten weerstand wilden bieden aan de directheid van de wereld, door het ‘net’ te herhalen in de vorm van een ‘net als net’, daar willen de gedichten van Ik was een hond zich verzetten tegen juist dat als, tegen het veranderen dat het gedicht zelf is. Het is precies zo’n onmogelijke beweging als eerst, maar dichterbij, niet tegen de wereld maar tegen zichzelf gekeerd, om de wereld meer toe te laten zichzelf te zijn.

Als Waar we wonen ons toonde dat we nooit kunnen ontsnappen aan het feit dat we vormen wat ons vormt, we telkens ‘in het midden’ zitten, ons steeds vanuit het midden naar het midden bewegen, dan willen de gedichten van Ik was een hond voorkomen dat ze überhaupt van dat midden vandaan gaan, ze willen niet hoeven terugkeren naar een plaats ‘net als net’, ze willen zelf in het daarnet blijven. Hoe ziet dat eruit?

Ik was een hond opent met het titelgedicht, dat buiten de twee afdelingen geplaatst is; het is langer dan de meeste gedichten van Möhlmann, lyrischer misschien; waarin de ‘wij’ en ‘ik’ schakels worden in kettingen, een ‘zaaddragend diertje in dienst van de eeuwige / voortzetting van soorten’, we werden dochters en fietsjongens en huilende moeders en van pijn vertrokken vaders, en we

probeerden veel veel
van de herinnering aan elkaar te houden, werden zeeziek

terwijl de band Hallelujah speelde en wij ouder werden
en lichamen achterlieten en lichamen opnamen, en zo
ongeveer kwam ik met mijn hoofd op je schouder
terecht. We leven nog, alles wat je denkt, alles wat
je wilt, kunnen we wat mij betreft nu nog worden.

Misschien is dat wat de eerdere bundels nog niet zeiden: wat we worden kunnen. Het beginsel, dat we lichamen achterlieten en opnamen, net als net, is niet veranderd. Maar dat is niet alleen een achterlaten, het is een worden, een kunnen worden. Als alles wat we achterlaten in het herhalen veranderd, opent dat ook een toekomst waarin we niet meer hoeven zijn wie we waren – dat is je willen verhouden tot de wereld. Of, zoals het in een van de laatste gedichten van de eerste afdeling staat:

Waar eerst de omgeving onbetrouwbaar was
ben ik het intussen zelf, ik ben hier ook maar
aan gespoeld, nam de kleur van de duinen aan
en gaf het leven aan twee kinderen door.
Ik heb een zoon aan wie ik vraag:
was het spannend?
Nee, zegt hij, het was leuk.

‘ik heb honger en heimwee’

De tweede afdeling, ‘Alle vogels die hun vleugels uitslaan’, bestaat uit een alfabet aan gedichten die allemaal geschreven zijn ‘voor of dankzij’ een ander, veelal andere dichters, soms ook zangers, die aan het eind van de bundel aangegeven staan. De afdeling draagt een motto van K. Michels: ‘niet te kunnen lezen / maar te zien // te zien zonder / aap noot mies ertussen’ – waaruit weer dat verlangen spreekt niet te distantiëren, niet van het zien vandaan te gaan en te schrijven, ‘eromheen’ te schrijven.

Het eerste en laatste gedicht, ‘We ademen’ en ‘We zullen’, zijn beide voor-of-dankzij Sterre Pariger geschreven – ik neem aan de Sterre waaraan Möhlmanns eerste drie bundels opgedragen zijn. (Ik was een hond is opgedragen aan de recent overleden Robert Anker.) In dat eerste en laatste gedicht wordt die ruimte opgespannen waarin we worden, met andere woorden, wordt de ruimte opgespannen waarin de wereld binnen kan dringen waartoe we ons zouden kunnen verhouden.

We ademen

Wat ons redt en verslindt is dat we geloven
we houden zielsveel van de overzichtelijkheid

van onze angsten en verlangens, ik hang mijn
armen overtuigend verdwaald om je schouders

we houden elkaar stevig vast, ik beloof je
in en uit te blijven ademen, en je zolang

ik adem niet te vergeten, je niet verdwaald
te laten raken, kijk om je heen en kijk goed

naar mij, het is wat we geloven, het is wat ik
als je sliep of naast me liep steeds wilde zeggen

ik heb honger en heimwee, we liggen vanavond
goddank weer zij aan zij, eten en bewaren elkaar.

 

We zullen

Zeker, mijn liefste, ze zullen, maar wij zullen meer, ze
zullen zullen, maar met speels gemak zullen we meer

wat ze ook zullen: ze maken geen enkele kans want wij
zullen meer, we leven allemaal niet meer dan gemiddeld

tachtig jaar, zij niet en wij niet maar zie maar mijn liefste
wat wij uit die zeg veertig jaar nog kunnen peuren terwijl

zij, ach ze zullen maar en zullen, geef ze honderd jaar voor
mijn part en nog zullen ze niet meer dan wat ze zelf zullen

alle vogels die hun vleugels uitslaan, tegelijk, niet om te willen
vliegen maar uit pure schrik, ze zullen net als wij mijn lief

maar voor het zover is, zullen we, zullen wij, wat we zouden
in die hele rij van gezegende jaren die we nog hebben, zullen we.

We leggen lichamen af en pakken lichamen op, maar om en om, misschien, zodat we elkaar kunnen ademen, elkaar kunnen bewaren. Zodat we steeds elkaar oppakken, we van de ander oppakken wat hij of zij aflegt, om het zo mee te nemen. Hoe anders zorg je dat je kunt duren? Je moet het worden op een bepaalde manier overleven – jij moet het zijn die zal, zonder jezelf daarin kwijt te raken. De regel over de vogels lijkt te zeggen dat het samenhangt met een willen, dat je meer zal naarmate je meer wilt, niet vliegt uit pure schrik, maar méér.

Thomas Möhlmann - Ik was een hondThomas Möhlmann
Ik was een hond
(Amsterdam: Prometheus, 2017)

De website van Thomas Möhlmann
De website van Prometheus

 

 

 

de-vloeibare-jongen__large

Thomas Möhlmann
De vloeibare jongen
(Amsterdam: Prometheus, 2006)

 

 

 

 

phpthumb_generated_thumbnailjpThomas Möhlmann
Kranen open
(Amsterdam: Prometheus, 2009)

 

 

 

 

9789044625189-178-0Thomas Möhlmann
Waar we wonen
(Amsterdam: Prometheus, 2014)

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel is schrijver en wiskundige, en volgt momenteel een onderzoeksmaster wetenschapsfilosofie. Hij debuteerde in 2014 met Constellaties en was het jaar daarop laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium. In het najaar van 2017 verscheen zijn roman Het leven zelf.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *