Bespreking

‘And yet:’ – Over relativisme, oprechtheid en ironie

Detail uit 'Jeanne d'Arc' (1879) van Jules Bastien-Lepage
Detail uit 'Jeanne d'Arc' (1879) van Jules Bastien-Lepage

Alle bezoekers van de laatste Gidslezing, gegeven door Ben Lerner, konden een cahier mee naar huis nemen met daarin een lang gedicht van Lerner, inclusief vertaling en een inleiding door Piet Gerbrandy: The Dark Threw Patches Upon Me Also. De lezing vormde een mooie gelegenheid voor De Gids om zowel op papier als online over de Amerikaanse dichter de publiceren, wat onder andere een mooi lang stuk van weer Gerbrandy opleverde, waarin hij No Art (2017) leest, Lerners recent verzamelde poëtische oeuvre.

Lerner gaf, in zijn vlugge maar erg verstaanbare Amerikaans, een indrukwekkende lezing, waarin hij ook weer blijk gaf van zijn blijvende interesse in authenticiteit en maatschappelijk engagement. Gerbrandy stipt die onderwerpen ook aan in zijn stuk en zijn inleiding. Het zijn begrippen die, samen met bijvoorbeeld ironie, inmiddels al even centraal staan binnen wat je het literaire gesprek zou kunnen noemen – of zeg maar gerust het culturele gesprek. In zijn lange gedicht problematiseert bijvoorbeeld Lerner de oprechtheid waarmee we voor een gemeenschap zouden kunnen spreken.

Binnen dat gesprek, ook in de manier waarop Lerner veelal wordt gelezen, is postmodern relativisme of al dan niet postmoderne ironie vaak de antagonist. En dat perspectief is een beetje gevaarlijk. Het neigt er namelijk naar de problematiek van een dichter als Lerner terug te brengen tot een sociaal-culturele modegril, in plaats van een fundamenteel probleem van denken, taal en literatuur. Waarbij het probleem ook is dat die twee niet per se gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn.

(Toen we hier over de reacties op Dichters van het nieuwe millennium (2016) schreven, een bundeling wetenschappelijke essays over de jongste generatie dichters, namen we hier al eens een soortgelijke stelling in.)

Een moedige poging

Gerbrandy beschrijft Lerner in ‘De droefenis van de vorm’, dat lange stuk, als ‘onvrijwillig erfgenaam van postmodern relativisme’, een die op zoek is naar ‘authenticiteit en maatschappelijke engagement dat niet blijft steken in modieuze poses.’ Dat is in principe een prima beschrijving, en het is mijn punt ook niet om Gerbrandy hier per se te corrigeren. Hij leest in het openingsgedicht van No Art de regels ‘we made love / a subject’ en duidt dat enjambement heel mooi als een erg dubbele beweging: ’datgene wat we als spontane acties denken te beleven,’ vrijen bijvoorbeeld, to make love, ‘is misschien al evenzeer een aangeleerde constructie als de kunstgreep van het enjambement.’ Na de regelbreuk blijkt de zin namelijk niet exclusief over vrijen te gaan, maar over de liefde, die is gereduceerd tot een thema, het onderwerp van een zin. Lerner doet ‘een moedige poging’ om aan die problematiek te ontsnappen, stelt Gerbrandy, ‘zonder alles van waarde overboord te gooien.’

Ik overdrijf Gerbrandy’s duiding misschien een beetje

Wat Gerbrandy lijkt te zeggen is: Lerner probeert in zijn poëzie echte liefde te redden van de postmoderne realisatie van kunstmatigheid. In deze voorstelling staat de waarde van wat waardevol is buiten beschouwing. Er is ontegenzeggelijk echte liefde, het is alleen zo vervelend dat postmodernisme het zo moeilijk maakt er waarachtig over te schrijven – zoiets. Het is een nostalgische opvatting: de eens zo vaste waarden dreigen ontmanteld te worden. En Lerner zoekt een manier om ze te behouden.

Ik overdrijf Gerbrandy’s duiding misschien een beetje – die is ook, zoals ik liet zien, voor het grootste gedeelte erg subtiel – maar volgens mij dreigt hij het probleem net schreef te schetsen. Het werkt een perspectief in de hand waarbinnen postmodern gedachtegoed niet serieus wordt genomen als een analyse van de structuur van de werkelijkheid. Het is misschien slim om er nog een ander voorbeeld bij te halen, waarmee het probleem nog iets duidelijker wordt (en dit stuk ook wat minder op een over-kritische lezing van Gerbrandy gaat lijken).

Een kwestie van waarheid

Joost de Vries opent, in zijn essayboek Vechtmemoires, een essay over ironie met een passage uit Leaving the Atocha Station (2011). De hoofdpersoon, Adam Gordon, gaat mee naar een feestje met een van de Spaanse vrouwen waar hij tijdens zijn schrijversresidentie in Madrid heeft ontmoet. Om zichzelf in die omgeving, waar hij denkt ‘niet knap genoeg’ voor te zijn, een houding aan te meten, trekt hij een heel specifiek gezicht, dat Lerner in ongeveer een halve pagina beschrijft, een beschrijving die in zijn exces erg grappig is.

Lerner schrijft in de Nederlandse vertaling die De Vries citeert dat Gordon uitdrukking als doel heeft zijn ‘onvolkomenheden zelf gekozen te doen lijken’, hij moet erdoor symbool staan ‘voor alles buiten dit bestaan’. Hij probeert een bepaalde afstand te impliceren tussen hem en het feest. Hij moet uitstralen dat hij dit frivole al heeft ’gekend en afgewezen’ en hij nu even terug is ‘gezant van een nabijer en rechtvaardiger werkelijkheid.’ Volgens De Vries beschrijft Lerner zo ‘letterlijk het gezicht van ironie.’ En het is een treffende gelijkenis, ja.

Thomése ziet ironie als een manier om niet stelliger te zijn dan hij denkt dat hij kan zijn.

In het stuk dat De Vries onder dit citaat schrijft, lopen verschillende ideeën van ironie door elkaar heen (tot op het punt dat hij er in de voetnoot nog maar een quote van Kierkegaard in gooit, waar hij verder niets mee doet). Maar als hij zich, voorbij de helft van het essay, tegen P.F. Thomése afzet, wordt er tenminste iets duidelijk van zijn literaire positie.

Thomése schreef een pleidooi voor ironie in het NRC en daaruit destileert De Vries de volgende positie:

De door hem zo gewaardeerde ironicus opereerde immers uit de overtuiging van het alom aanwezige ongelijk, dus het idee dat iemand gelijk heeft, dat iets een ‘werkelijke betekenis’ heeft, een absolute waarde, is onvoorstelbaar/onverdraagbaar.

En het klopt dat Thomése een extreme positie inneemt, die hij zelf samenvat onder de maxime: ‘het eigen ongelijk als leidraad voor het denken.’ Hij ziet ironie als een manier om niet stelliger te zijn dan hij denkt dat hij kan zijn. Hij plaatst de zaken tussen aanhalingstekens omdat ze waarschijnlijk anders zitten dan hij denkt.

Waarop De Vries vraagt: ‘Waarom zou je iets willen opschrijven wat alleen tussen aanhalingstekens kan staan?’ En: ‘Waar ben je bang voor?’ Hij benadert de problematiek als een oprechtheidskwestie, zoals “het probleem ironie” ook goed benaderd kan worden en benaderd wordt. Thomése durft, lijkt De Vries te stellen, niet te zeggen wat hij denkt, omdat hij er wellicht naast zal zitten, en daarom zegt hij maar iets anders, iets ironisch. Of misschien moet ik dat anders zeggen. Hij verwijt Thomése eerder dat hij te bang is om überhaupt een standpunt in te nemen.

De twee reageren in feite als twee uitersten op die ‘postmoderne relativiteit’ waar ze samen met Lerner iets van proberen te maken.

Thomése lijkt de kwestie juist niet als een probleem van oprechtheid te benaderen, maar als een kwestie van waarheid. Uitgaande van zijn onvermogen om de absolute waarheid te kennen, is de ambiguïteit van ironie de enige “positie” die hem rest. Hij probeert te spreken vanuit een bewustzijn dat hij de dingen nooit juist zal kunnen benoemen. Dat is alleen onoprecht als je vermoedt dat hij stiekem wel absolute standpunten heeft die hij verzwijgt.

De twee reageren in feite als twee uitersten op die ‘postmoderne relativiteit’ waar ze samen met Lerner iets van proberen te maken. De Vries propageert de durf om voorbij de onkenbaarheid van de waarheid wel iets te vinden, een expliciete en dan maar gemankeerde positie in te nemen. Dit is ook hoe hij Gordons problematiek leest, als een angst voor ‘een concrete betekenis, een vaste weg’. Dat ironische gezicht van hem dient er alleen maar om afstand te behouden tot de concrete, expliciete, echte wereld.

Thomése hecht anderzijds zoveel waarde aan de waarheid die hij niet volkomen kan kennen, dat hij er steeds een opening voor wil laten. Maar dan wel op een negatieve manier: ‘dit’ is in ieder geval niet waar. Het is de ruimte van de ontkenning.

Lerner wijst, volgens mij, zowel die ironische distantie als die negatie af. Hij kiest wel voor een zekere ambiguïteit, een bepaalde openheid, maar niet door zijn uitspraken als het ware tegen zichzelf weg te strepen. De ambiguïteit van zijn werk smoort bovendien oprechtheid of authenticiteit niet, juist niet.

Maar misschien toch

De titel van zijn stuk, ‘De droefenis van de vorm’, ontleent Gerbrandy aan een regel uit Angle of Yaw (2006)’: ‘Hope is the saddest of formalisms.’ In zijn bespreking van dit gedicht geeft Gerbrandy een mooie lezing van de duidelijke structurele principes waardoor Lerners dichtbundels worden gekenmerkt. Tegelijk ziet Gerbrandy ook hoe die formaliteit ongesloten blijft, hoe de ontoereikendheid van die vormen juist hun kracht wordt. Lerner suggereert volgens hem enerzijds ‘dat je nooit een welgevormde uitspraak over een gebeurtenis kunt doen,’ in het geval van Yaw is dat 9/11, ‘zonder de feiten geweld aan te doen’. Tenzij, stelt Gerbrandy,

tenzij je de formalisering zo ver doordrijft dat ze zichzelf opblaast en haar eigen leegte onthult, met als gevolg dat de authentieke ervaring, gesteld dat die bestaat, toch weer een kans krijgt.

Zouden we misschien kunnen zeggen dat authenticiteit slechts bij kans plaatsvindt? Dat wil zeggen, dat structurele authenticiteit, authenticiteit met voorbedachte rade, dat zoiets een contradictio in terminis is? 

Een authentieke ervaring overkomt ons

Om terug te komen op wat ik over kunstmatigheid en postmodern relativisme schreef. De manier waarop Lerner authenticiteit hier benadert is niet om die te redden. Het is veeleer dat hier de mogelijkheid van een authentieke ervaring ontdekt wordt, ontsloten. Een authentieke ervaring overkomt ons – daarom zal poëzie die ook alleen bij kans teweeg kunnen brengen. Ik weet niet of vorm daarin zijn leegte toont, eigenlijk, en anders is het de leegte van een kom of een glas: die van potentie.

In The Dark Threw Patches Down Upon Me Also leest Lerner de poëzie en het proza van Walt Whitman, onder andere het gedicht ‘Crossing the Brooklyn Ferry’, een onderdeel van Whitmans onmogelijke democratische project om voor het gehele Amerikaanse volk te spreken.

It’s among the greatest poems and fails
because it wants to become real and can
only become prose …
[…]
And yet:

En toch, desondanks, lijkt er ruimte te zijn voor iets echts binnen dat falen. ‘And yet’, schrijft Lerner, voor hij het gedicht afsluit met wat Gerbrandy in zijn inleiding ‘een magische passage’ noemt. Lerner leest zo’n beweging, zo’n desondanks, eerder al, in een geweldig schilderij van Jules Bastien-Lepage: Jeanne d’Arc (1879). Het staat ook bovenaan dit stuk. Haar hand, schrijft Lerner, wordt opgeslokt door de achtergrond, ‘partially dissolves’. Hij schrijft, ‘you can’t’

rise from the loom so quickly that you
overturn the stool and rush toward the plane
of the picture without startling the painter, hear
voices the medium is powerless to depict
without that registering somewhere on the body.
But from our perspective, it’s precisely
where the hand ceases to signify a hand
and is paint, no longer appears to be warm
or capable, that it reaches the material
present, becomes realer than sculpture because
tentative: she is surfacing too quickly.

Hier schrijft Lerner een heel dichte passage, die in de herhalingen de intensiteit van de gebeurtenis oproept en die tegelijk verbindt aan hoe het schilderij in zekere zin ontbindt voor die ervaring om plaats te vinden. Om de stem van God die d’Arc hoort, om die af te beelden moet de schilder iets aan haar ontbinden tot verf, de afbeelding opbreken, om, mogelijk, te wijzen op wat er voorbij ligt.

Wat mij raakte aan deze passage is vooral de manier waarop ik aangesproken werd. Jij kunt niet opspringen en op de schilder af rennen, jij kunt geen stemmen horen die de schilder onmogelijk af kan beelden – ‘without it registering somewhere on the body.’ In die zes regels, de vaart ervan, zou jij even samen kunnen vallen met haar, misschien, en iets van die stemmen kunnen voelen aan je lichaam. De passage laat die mogelijkheid in ieder geval, laat de ruimte aan een kans.

En die kansen ontstaan juist op het punt waar Lerners poëzie ambigu wordt. Lerner probeert die ervaring niet te beschrijven, hij schrijft zo dat er ruimte ontstaat om die ervaring te kunnen lezen. Geen garantie, geen zekerheid, maar misschien toch.

No Art van Ben LernerNo Art
Ben Lerner
(London, 2016: Granta Books)

 

Gepubliceerd door Harm Hendrik ten Napel

Harm Hendrik ten Napel (1991) komt uit Friesland, en is via Groningen in Nijmegen terecht gekomen. Daar studeerde hij recent af in de filosofie. In 2013 publiceerde hij een bundel zeer korte verhalen bij Lemniscaat, Ze vraagt: Is dit je kamer. Hij is naast schrijver en filosoof ook boekverkoper.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *