Bespreking

‘op dit hân-skip hear en fiel ik ferheard oan / en sjoch it wurdt freonskip’ – Poëzie als een handelend spreken

Bileam en de engel – Detail van een illustratie uit de Holman Bijbel (1890)
Bileam en de engel – Detail van een illustratie uit de Holman Bijbel (1890)

In Tusken de bedriuwen troch is âlderdom (1981) opent Tsjêbbe Hettinga een gedicht met de volgende regels:

nei de lange boatreis ta it fleis bin ik by har belâne
lân lyk in minske wetterich widzjend en fol geheimen noch
fee en flinter de winter de baas befolkje it fredich fjild
en as kabouter op dit hân-skip hear en fiel ik ferheard oan

en sjoch it wurdt freonskip

[na de lange bootreis naar het vlees ben ik bij hen beland
land als een mens waterig wiegend en vol geheimen nog
vee en vlinder de winter de baas bevolken het vredige veld
en als kabouter op dit handschap hoor en voel ik verwondering

en zie het wordt vriendschap]

En daarin beginnen al een aantal onderwerpen waarover ik het zou willen hebben. Laat ik ze voor nu samenvatten in twee ideeën: 1) dat van een handschap, van het land als een handschap, en 2) dat van een blinde die ons vraagt te zien, een blinde die ons zegt: zie het wordt vriendschap. Met die blinde bedoel ik niet Hettinga, of óók, maar daar gaat het me niet om – ik bedoel dat het gedicht niet zien kan waar het ons op wil wijzen.

Spreken dat handelt en aftast

Eerder, in Fan lân loft en leafde (1975) staat ‘By heech en leech’:

wat is poëzy mear
as jins libben eefkes leechrinne litte
yn de wurden fan de swarte taal

wat is de nacht langer
as it leechrinnen fan it jocht
op de swurden fan de ûnrêst

hoefolle is leafde djipper
as it leegjen fan jins hert
yn de swijende mûle fan it wurdleas famke

de wurden dy’t de taal efterlitte
binne de nammen fan de dôven

it tjuster is de besleine ezel
op it paad fan de blinen

de foto fan it famke is it wurd
dat de taal efterliet yn de eagen fan de besleine ezel

[wat is poëzie meer
dan je leven even laten leeglopen
in de woorden van de zwarte taal

wat rest er van de nacht
dan het leeglopen van licht
op de zwaarden van de onrust

hoeveel is liefde dieper
dan het legen van je hart
in de zwijgende mond van het woordloze meisje

de woorden die de taal achterlaten
zijn de namen van doven

het duister is de beslagen ezel
op het pad van de blinden

de foto van het meisje is het woord
dat de taal achterliet in de ogen van de beslagen ezel]

Over de eerste drie strofen wil ik opmerken dat er, door de formulering, een mogelijk tekort of overschort ontstaat. Ik bedoel wat er gebeurt als je in twijfel trekt of de vragen, die die eerste drie strofen tellen, wel of niet retorisch zijn. Het leest al snel weg als een stel definities: poëzie is niets meer dan je leven even laten leeglopen in de woorden van de zwarte taal, van de nacht rest niets meer dan het leeglopen van licht op de zwaarden van de onrust. Maar het blijven vragen, en ze zijn enkel retorisch als we ons niet voor kunnen stellen dat iemand de vraag werkelijk stellen zou.

De taal is zwart, en de woorden die haar achterlaten zijn de namen van doven. De taal ziet niet, en de woorden die van haar los proberen te komen zijn enkel nog te zien, kunnen niets meer oproepen, kunnen niet meer worden gehoord, of door horen worden beantwoord. Wat poëzie méér is staat hier juist op het spel – de vragen hier zijn of we kunnen zeggen wat we zien en zien wat we zeggen.

zoals een blinde op een oppervlak kan zoeken naar iets dat niet omgegooid mag worden

In Memoirs of the Blind: The Self-Portrait and Other Ruins schrijft Jacques Derrida over blinden, handen, schilderijen van blinden en handen, ogen, tranen, tasten. Over de graphein – een woord dat zowel ‘schrijven’ als ‘tekenen’ betekent – schrijft hij op een zeker moment dit:

at the origin of the graphein there is debt or gift rather than representational fidelity. More precisely, the fidelity of faith matters more than the representation, whose movement this fidelity commands and thus precedes. And faith, in the moment proper to it, is blind. It sacrifices sight, even if it does so with an eye to seeing at last.

Een wat dichte passage, misschien. Wat ik eruit over wil nemen zijn een paar dingen. Allereerst dat in tekenen of schrijven er iets voorafgaat aan de getrouwheid van representatie. Het is niet zo dat een gedicht een landschap simpelweg beschrijven kan – alsof hoe wij het landschap zien niet ook al beïnvloed is door taal, doordat we een boom als ‘boom’ herkennen kunnen. Omgekeerd is het niet zo dat wat wij zien een puur visuele manifestatie van woorden is, alsof er niet altijd méér te zien valt dan we denken te kunnen zeggen. Taal representeert landschappen niet, landschappen representeren geen taal. Wat wil dat zeggen? Dat spreken handelt. Ik wil dat we oog hebben voor het woord hand, daarin, voor het feit dat spreken aftast, zoals een blinde op een oppervlak kan zoeken naar iets dat niet omgegooid mag worden.

Als we zeggen dat spreken handelt, dat het tastend inruilt en afweegt, kunnen we begrijpen wat we bedoelen met dat tekort of overschot, die debt or gift die aan de oorsprong van elke beschrijving ligt. De beschrijving zal het landschap nooit zijn, nooit vervangen – en omgekeerd. Elke beschrijving moet dus onderhandelen, moet de tekorten en overschotten van woorden en beelden tegen elkaar afwegen.

Wat betekent het dat Derrida schrijft over een getrouwheid aan geloof of vertrouwen is, die dat handelen commandeert? En dat dat geloof, ‘in zijn eigenlijke moment’, blind is?

Volgens mij schrijft Hettinga daar al over: ‘het duister is de beslagen ezel / op het pad van de blinden.’ Dat verwijst naar een verhaal dat drie hoofdstukken van Numeri (het vierde bijbelboek) beslaat, over Bileam en zijn ezel.

Bileam en het uitzicht op een zegen

Het verhaal begint wanneer Israël, dat uit Egypte getrokken is maar nog niet ergens anders neergestreken, zijn kamp opslaat in de vlakten van Moab. Balak, de koning van Moab, heeft gezien wat de Israëlieten met de andere omgevende volken gedaan heeft, en ontbiedt de waarzegger Bileam, in de hoop dat die de Israëlieten voor hem vervloeken kan. Eerst verbiedt God Bileam met de boden mee terug te gaan, omdat Israël gezegend is. Wanneer er weer mensen komen, en Bileam ze zegt niet in staat te zijn het bevel van God te overtreden, zegt God hem mee te gaan, maar alleen te zeggen ‘wat Ik tot u spreken zal.’

Bileam trekt er met zijn ezelin op uit; maar een engel van God ‘ging hem in de weg staan als tegenstander.’ De ezelin ziet de engel staan, met een getrokken zwaard, en wijkt van het pad af het veld in. Bileam beslaat de ezelin om haar terug te drijven. Dan ziet de ezelin de engel op een nauw pad tussen twee muren staan, en drukt zich tegen de muur, zodat Bileams voet klem komt te zitten – en hij slaat haar opnieuw. Een derde keer ziet de ezelin de engel, en besluit ze te gaan liggen, waarop Bileam weer begint te slaan. ‘Toen opende de heere de mond van de ezelin en ze zei tegen Bileam: Wat heb ik u misdaan, dat u mij nu driemaal geslagen hebt?’

God ontsluit Bileam de ogen, zodat hij de engel zien kan, waarop hij zich ter aarde werpt. De engel vraagt hem waarom hij zijn ezelin geslagen heeft, en zegt hem met de boden mee te gaan, maar enkel te zeggen wat God tot hem spreken zal.

uitgesproken door ‘de man van wie de ogen geopend zijn’, terwijl Bileam nooit blind was

Koning Balak vraagt waarom Bileam niet eerder gekomen is; waarop hij antwoord dat hij er nu is, maar zich afvraagt of hij ook maar iets zal kunnen spreken. ‘Het woord dat God mij in de mond legt, zal ik spreken.’

Daarop herhaalt zich weer driemaal eenzelfde gebeurtenis. Balak en Bileam trekken op naar een hoge plaats, vanwaar ze een deel van het volk van Israël kunnen zien, Balak offert daar zeven stieren en rammen, en Bileam krijgt van God geen vloek maar een zegen in de mond gelegd.

En telkens denkt Balak het noodlot misschien af te kunnen wenden door Bileam mee te nemen naar een andere, hogere plaats, van waar Bileam het volk beter zien kan. ‘Kom toch met mij mee naar een andere plaats, vanwaar u het volk kunt zien; slechts de uitlopers ervan kunt u zien, u kunt het helemaal niet zien. Vervloek het mij daarvandaan!’

Opnieuw zegent Bileam het volk, opnieuw trekken ze naar een andere plaats. Balak zegt Bileam niet te overladen met schatten, omdat Bileam het volk niet vervloekt heeft. Dan zegt Bileam dat hij hem zal vertellen ‘wat dit volk aan het einde van de dagen uw volk zal aandoen’, en hij profeteert:

Bileam, de zoon van Beor, spreekt,
de man van wie de ogen geopend zijn, spreekt,
hij die de woorden van God hoort, spreekt
en die de kennis van de Allerhoogste weet;
die het visioen van de Almachtige ziet,
terwijl hij neervalt met ontsloten ogen.

Ik zal hem zien, maar niet nu;
ik zal hem aanschouwen, maar niet van nabij.
Er zal een ster uit Jakob voortkomen,
er zal een scepter uit Israël opkomen;
hij zal de flanken van Moab verbrijzelen
en alle zonen van Seth vernietigen.

(Enzovoort, enzovoort.) Wat intrigeert me hier? Dat het Balak in een patstelling zet. Het is niet meer mogelijk een hogere, betere plaats te zoeken, het is niet meer mogelijk meer van het volk te zien dan Bileam doet. ‘Ik zal hem zien, maar niet nu.’ Het is een vloek die uitgesproken wordt over iets dat nog niet gezien wordt, iets dat pas ‘aan het einde van de dagen’ gezien zal worden – het is een vloek die wordt uitgesproken door ‘de man van wie de ogen geopend zijn’, terwijl Bileam nooit blind was.

Wat we ons snel bij zoiets voorstellen, is iemand die meer ziet dan wij, alsof de engel op het pad van de ezel plots ook voor Bileam zichtbaar werd, als een mensfiguur. Maar de ezel zag de engel heel de tijd al – de ezel wiens mond nog geopend moest worden, die nog niet spreken kon. De ezel die over haar zicht niet hoefde te onderhandelen, waarvoor geen verschil bestond tussen schrift en zicht.

het duister is de beslagen ezel
op het pad van de blinden

de foto van het meisje is het woord
dat de taal achterliet in de ogen van de beslagen ezel

We moeten dat ontsluiten van de ogen, het ontsluiten dat zicht geeft op het einde van de dagen, proberen niet te zien als een aanpassing van het landschap, waar eerst geen engel stond en toen wel. De engel stond al in de weg. Wat er gebeurt is dat Bileam anders leert handelen. Hij kan enkel spreken wat God hem te spreken geeft, enkel zien wat God hem voorstelt.

Het duister is de beslagen ezel op het pad van de blinden, de foto van het meisje is het woord dat de taal achterliet in de ogen van de beslagen ezel. Hoeveel is Hettinga daar niet in aan het verhandelen? Duister voor een ezel, een foto voor een woord in de ogen van die ezel. Het duister is de beslagen ezel op het pad van de blinden – dat vertelt ons dat we vanuit het duister wellicht meer kunnen zien dan we doen. Wij zijn die blinden, die de engel die ons in de weg staat niet opmerken. We zitten op een ezel die we slaan omdat ze niet gewoon doorloopt, de ezel die we het zicht ontnemen omdat ze enkel hoeft te lopen zoals wij willen.

Een woord in de ogen van die ezel, achtergelaten in de ogen van een ezel, als de naam van een dove, die niet geroepen kan worden – dat is de foto van het meisje. Het meisje wordt gezien door wie wél ziet, door wie niet meer handelt omdat het kijkt met het oog op het einde der dagen.

Een klein hoopje mensdom

Waarom handelen we? Omdat de taal blind is. Omdat de taal een materiële weerstand heeft, we niet zomaar alles kunnen zeggen wat we willen zeggen, wat we denken te moeten zeggen. Daarom hoeven we niet gelovig te zijn om te spreken in termen van engelen, God, enzovoort – omdat de woorden sowieso al niet kloppen. Dat is echter niet alleen een tekort, maar evengoed een overschot: de taal zegt, doordat het niet zegt wat we willen zeggen, wellicht meer dan we dachten dat we konden zeggen. De taal is het duister, de blinde ezel waarin we ons leven gieten, maar daarvandaan zien we misschien met het oog op het einde der dagen:

Takomstmuzyk

hoe kin de tiid fergean
ferwurde ta matearje
dy’t noait wer
iepenbier
makke wurde sil

it ferline
de foargoed ferbline freun
delstrutsen yn it ûnhjirmlike bûtlân
dêr’t ek de trawanten
fan de dea op ierde
tafrette

mankelikens yn myn
fan leafde
swier skansearre moed
stoarmen fan ûnrêst en ûnwissens
hjersttonger fan eangst en alteraasje

hoe kin de tiid fierder gean
ferdylgjend de matearje
dy’t ik iepenbierje wol
ta rjochtfeardiging fan
in lyts protsje minskdom

[Toekomstmuziek

hoe kan de tijd vergaan
verworden tot materie
die nooit meer
openbaar
zal worden gemaakt

het verleden
de voorgoed verblinde vriend
neergestreken in het lage eindeloze boezemland
waar ook de trawanten
van de dood op aarde
toetasten

melancholie in mijn
door liefde
zwaar gehavende gemoed
stormen van onrust en onzekerheid
herfstdonker van angst en ontsteltenis

hoe kan de tijd verder gaan
en de materie verdelgen
die ik wil openbaren
tot rechtvaardiging van
een klein hoopje mensdom]

De tijd vergaat en verwordt tot materie, de tijd gaat verder en materie vergaat. Hoe zouden we daar iets van bewaren? Niet door het landschap te representeren zoals het is – het is precies dat continue vergaan dat we zien. We zien het duren. Hoe maak je wat je ziet nog openbaar als wat je ziet precies is wat de hele tijd verloopt, vergaat? Als wat je ziet het onzichtbaar-worden van de wereld is, het tot verblind verleden neergestrekene?

Daarvoor moet je zien als een blinde, moet je zien vanuit een taal die altijd al afstand genomen had van het hier en nu.

Barren

wylst it fjoer
lôget
oare kant de wrâld
fier ik myn riich
foar it behâld
fan de lêste kriich
yn mysels

gjin mich
is der te sjen
yn de kleale keamers
fan de frede

sa foltôget him alles
oeral
wylst nimmen wis is
fan it barren

[Gebeuren

terwijl het vuur
oplaait
aan de andere kant van de wereld
voer ik mijn strijd
voor het behoud
van de laatste strijdlust
in mijzelf

geen vlieg
is er te zien
in de kale kamers
van de vrede

zo voltrekt zich alles
overal
terwijl niemand zeker is
van het gebeuren]

Het vuur brandt aan de andere kant van de wereld, vanuit het duister voert de dichter strijd. Hij voert strijd voor het behoud van de strijd in zichzelf, de laatste, terwijl het oplaait ‘fier ik myn kriich / foar it behâld / fan de lêste kriich / yn mysels’ – het strijd voeren is zelf al het in stand houden van de laatste strijd, het strijd voeren zelf is waarvoor gestreden wordt. In de kale kamers van de vrede is nog geen vlieg te zien – de vliegen blijven enkel zichtbaar terwijl er nog strijdt wordt gevoerd.

Is een gedicht niet een poging een handeling als handeling te schrijven – in alle zinnen waarin we die uitspraak kunnen verstaan?

Alles voltrekt zich maar niemand is zeker van het gebeuren ervan. Strijd en handeling, blijven onderhandelen: het is niet alsof we kunnen handelen tot we, eindelijk, quitte uit zouden komen, alsof we eindelijk het gedicht zouden vinden dat het landschap is, of er eerlijk tegenover kan staan. In de poëzie zijn er geen landschappen, enkel handschappen, enkel onder-handelde uit-zichten.

Kunnen we de latere gedichten van Hettinga niet begrijpen als gedichten die proberen te strijden-voor-de-strijd, die proberen de handeling die elk gedicht in wezen is in stand te houden. Is een gedicht niet een poging een handeling als handeling te schrijven – in alle zinnen waarin we die uitspraak kunnen verstaan?

Niet alleen de gedichten van Hettinga. Ik moet ook denken aan de elegeïsche gedichten aan het einde van Jonathan Griffioens Wijk:

het portiek was een droom, Mike. we stonden er niet.

ik hoor metaal in mijn rechter-, de hoeven in mijn linkeroor.
ik zie de laatste tijd een stip, Mike, klein en zwart
en midden in mijn blikveld. ik heb hem overal,
op alle muren van het huis gezet.

het heeft geen zin om de stippen te verbinden.

Het portiek was een droom omdat het zo behouden blijft. Het is geen toevalligheid dat dit gedicht volgt op een ander dat zo afsluit:

waar is mijn déjà vu? in mijn lijf keft het verlangen
naar een déjà vu. geesten van alle helden uit westerns
en noiserock verwachten een déjà vu. een licht bewogen foto
van Wijk wordt voor mijn herinnering gehouden.

Een licht bewogen foto, waar een foto precies ook bewogen licht vastlegt. Een licht bewogen foto is een poging beweging in beweging te houden. Een poging die dat niet zelf doet – ook een bewogen foto staat stil. Maar we kunnen de weging misschien zien. Liever een licht bewogen foto, die het verlangen naar een déjà vu, de verwachting ervan, kan laten keffen, dan de terugblikkende herinnering. Aan het eind van Wijk laait een vuur op van vier a vijf meter, ‘het lieve broertje van de feniks’ – dát zijn gedichten, geen landschappen, brandschappen.

‘Alle ogen open voor een hachelijk avontuur met een leeg landschap’ – dat was de ondertitel van het gedicht van Hettinga waarmee ik dit stuk opende, ‘Cyclopisch landschap’, waaruit dat andere woord kwam, het handschap. Ik wil er ook mee afsluiten, want ik kan het niet anders horen dan blijvend-handelend, door het gebrek aan interpunctie, de metaforen-voor-metaforen-voor-metaforen, de taal haast overgeleverd aan de klanken ervan (als een schilder die, halverwege, meer gefascineerd raakt door het reliëf van zijn verfstreken dan wat hij probeerde af te beelden).

Als Hettinga ooit landschapsgedichten geschreven heeft, dan als afbeeldingen van het feit dat landschappen vergaan, dat het landschap altijd al de tot materie vervallende tijd, tot tijd vervallende materie is – in ‘Cyclopisch landschap’ lezen we hoe een dichter zijn gedicht daartegen weerbaar maakt; het komt uit 1981 maar je hoort Marieke Rijneveld al, in hoe het overloopt en overloopt, of de dichters die nu hard werken politiek en economie niet buiten hun gedichten te verbannen, je hoort een Van der Graaff of een Van Binsbergen, zoals Hettinga hier schrijft over geweld van een slager dat gewogen wordt ‘met koeien niet meer bij de hoorns te vatten / de stakker trekker van deze agrarische aanloop gaat gestaag over / in het zuiveloverschot zuiver en scherp als de heilige concurrentie / oog groter dan de maag: prakken vogelgehakt voor neekauwend vee’, of over een ‘cyclopisch landschap met asfalt gevulde littekens en dronken bloed / begroef een generatie in haar grond mijn maten en gewichten / afsterving in de fabriekshal hoofd met zijn lopende band van angst’. Meer dan deze strofen heb je niet nodig om te zien dat Hettinga een groot dichter was.

Syklopysk lânskip
(alle eagen op foar in behyplik aventoer mei in leech lânskip)

Nei de lange boatreis ta it fleis bin ik by har belâne
lân lyk in minske wetterich widzjend en fol geheimen noch
fee en flinter de winter de baas befolkje it fredich fjild
en as kabouter op dit hân-skip hear en fiel ik ferheard oan

en sjoch it wurdt freonskip foar altyd sa’t de sinne skynt
de dagen lang als fjiltochten bylâns de mûne-ier fan it hert
al mar gean fan tiid ta romte en lang om let fan boef ta boarger
langer te lyts foar de roef en toevjend no tusken teken en tinken

en mei my waard myn lân bisteftich útboud bryk syklopysk
misfoarme ereksje fan libben mei ien hurdsulveren each
boer bulkjend fan foer hingjend yn de homeie fan syn hert
kâld as syn klamjende hûd de blooehân boppe myn holle

de keunst fan de dong kreëarret frachten fretten en foarjier
in yn oalje âljend mykmakje technyk hellet gers del en fûgels
te blieden leit de soerstâle read en de hjitte seit de teller
ta it libben útlaat de soppen fan blommen en goare gassen

de boer moannet de motor de masine it neat-mijend mês
fan de rûngiseljende syklo de sike klown de izeren idioat
de sykloon fan flot-fallende gerzen griene loop fand e sykloop
op ‘e loop nei libben want breeswee slacht er dizze rûge slachter

syn geweld wurdt woegen mei kij net mear by de hoarnen te fetsjen
de stakker trekker fan dizze agraryske oanloop giet stadich oer
yn it suveloarskot suver en skerp as de hillige konkurrinsje
each grutter as de mage: prakken fûgelgehak foar neekôgjend fee

myn romme boat is oan de grûn fan myn omdangeljen angelet my
masinaal kabaal boalsk gebolder rêd-ratteljend rocheljen
stomme fûgels stomme loft stomme stimmen ear ta ear dôf
sa stean ik each in each mei dy’t my fong en fûl fêsthâldt

syklopysk lânskip mei asfalt folde groeden en dronken bloed
begroef in generaasje yn har grûn myn maten en gewichten
ôfstjerring yn de fabrykshal holle mei syn rin’de bân fan eangst
it leech fan ‘e leagen byt it gefoel lyk bangens de frijheid

ik knyp de knûsten ta ta rêding út dit hyplik aventoer
en ik flechtsje hingjend ûnder in keppel skiep fan wolkens
lân as in wetterhollich minske efterlittend lilk en flokkend
dan driuw ik mei skrinend fleis fuort om witwêr te belânjen

[Cyclopisch landschap
(alle ogen open voor een hachelijk avontuur met een leeg landschap)

na de lange bootreis naar het vlees ben ik bij hen beland
land als een mens waterig wiegend en vol geheimen nog
vee en vlinder de winter de baas bevolken het vredige veld
en als kabouter op dit handschap hoor en voel ik verwondering

en zie het wordt vriendschap voor altijd zodra de zon schijnt
de dagen lang als veldtochten langs de molensloot van het hart
almaar gaan van tijd naar ruimte en ten langen leste van boef naar burger
onderhand te klein voor de roef en toevend nu tussen teken en denken

en met mij werd mijn land beestachtig uitgebouwd scheef cyclopisch
misvormde erectie van leven met één hardzilveren oog
boer die bulkt van voer dat hangt in de erfinrit van zijn hart
koud als zijn gespannen huid de stierenhand boven mijn hoofd

de kunst van de mest creëert vrachten vreten en voorjaar
een in olie loeiend mikmakje van techniek haalt gras neer en vogels
te bloeden ligt de veldzuring rood en de hitte meldt de teller
het leven uitlaat van bloemsappen en gore gassen

de boer maant de motor de machine het niets mijdende mes
van de rondgierende cyclo de zieke clown de ijzeren idioot
de cycloon van vlot vallend gras groene buikloop van de cycloop
op de loop naar leven want een groot zwad maait hij deze ruige slager

zijn geweld wordt gewogen met koeien niet meer bij de hoorns te vatten
de stakker trekker van deze agrarische aanloop gaat gestaag over
in het zuiveloverschot zuiver en scherp als de heilige concurrentie
oog groter dan de maag: prakken vogelgehakt voor neekauwend vee

mijn ruime boot zit aan de grond van mijn rondzwerven hengelt mij
machinaal kabaal beuls gebulder radratelend rochelen
stomme vogels stomme lucht stomme stemmen oor tot oor doof
zo sta ik oog in oog met wie mij ving en venijnig vasthoudt

cyclopisch landschap met asfalt gevulde littekens en dronken bloed
begroef een generatie in haar grond mijn maten en gewichten
afsterving in de fabriekshal hoofd met zijn lopende band van angst
het loog van de leugen bijt het gevoel als angst de vrijheid

ik knijp mijn knuisten dicht tot redding uit dit hachelijke avontuur
en ik vlucht hangend onder een kudde schapen van wolken
land als een waterhoofdig mens achterlatend kwaad en vloekend
dan drijf ik met schrijnend vlees weg om waar dan ook maar te belanden]

Tsjêbbe Hettinga - Het vaderpaardTsjêbbe Hettinga
Het vaderpaard | It faderpaard
(Amsterdam: De Bezige Bij, 2017)

De website van De Bezige Bij

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel is schrijver en wiskundige, en volgt momenteel een onderzoeksmaster wetenschapsfilosofie. Hij debuteerde in 2014 met Constellaties en was het jaar daarop laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium. In het najaar van 2017 verscheen zijn roman Het leven zelf.

2 gedachten over “‘op dit hân-skip hear en fiel ik ferheard oan / en sjoch it wurdt freonskip’ – Poëzie als een handelend spreken”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *