Bespreking

‘je kind smelt / dat is ook de natuur’ – Maartje Smits onderzoekt persoonlijk wat er van de natuur overblijft

Filmstill uit 'poldernostalgie' (2016) van Maartje Smits
Filmstill uit 'poldernostalgie' (2016) van Maartje Smits

Als God de schepping heeft voltooid, stelt hij de dieren die hij heeft gemaakt stuk voor stuk voor aan de eerste mens, Adam, zodat hij ze een naam kan geven. ‘En zoals de mens elk levend wezen noemen zou, zo zou het heten,’ Genesis 2:19. Zo zullen ze heten – maar voor wie? De meeste dieren trekken zich weinig aan van de soortnamen die wij ze geven. Geen wonder dat God meteen na deze doopmarathon een tweede mens schept.

Maartje Smits stelt die vraag naar de namen scherp in haar nieuwe bundel Hoe ik een bos begon in mijn badkamer (2017). Ze schets de situatie van de laatste mens, een vrouw die nooit meer baren zal in een van de laatste gedichten uit de bundel. De vrouw heeft melkklieren ‘waar generaties in zijn verschrompeld’. Dit is de laatste strofe van het gedicht:

dit is toch geen plek om uit te sterven
de laatste mens tekent hokjes in het zand
om zich thuis te voelen
ze kent alle namen van dieren en andere
begrippen die in onbruik zijn geraakt

Namen en begrippen zijn als getekende hokjes in het zand – voorlopig en betrekkelijk, zeker als ze er alleen nog maar voor jou zijn. Want wat betekent het woord ‘natuur’ nog in deze situatie? Welk onderscheid maakt het nog, anders dan tussen jou en de rest wereld? Hoe verschil je in die situatie nog van een eenzame tijger of cactus?

In haar nieuwe bundel ontmanteld Smits zo dat begrip, ‘natuur’, maar ze heeft ook oog voor wat dat betekent voor de manier waarop zij, en wij met haar, daarna in de wereld kan staan – iets dat ze plaats geeft in een paar kwetsbaar persoonlijke gedichten.

De natuur inlijsten

In het videogedicht ‘poldernostalgie’, waarvan ook een versie in Hoe ik een bos begon is opgenomen, begint met shots van weilanden met hekjes en omheiningen erin. Smits framed een koe zo dat ze achter de tralies van een klein hekje lijkt te staan. Dan, iets later in het filmpje, zoals ook zichtbaar is op de still hierboven, steekt ze een lijst in de wei, om diezelfde koe heen. Anders dan het hekje wordt niet de suggestie van een opsluiting maar van ontsluiting opgeroepen, alsof een kunstenaar het landschap zo framed dat we het echt zien. (Daarmee herhaalt Smits trouwens ook nog het frame van het filmpje zelf.) Tegelijk rijmt de lijst toch ook weer met het hek. Het zijn beide vormen van beperking. In een ander gedicht schrijft Smits dat het glas van een raam ‘geen lucht is / maar de begrenzing van een ruimte’.

Aangezien de shots een kwestie van perspectief zijn, graast de koe zich trouwens rustig achter het hekje vandaan en uit de lijst. De natuur laat zich niet zomaar vastleggen. En dat is misschien juist waar deze beelden ons bewust van kunnen maken. We definiëren de natuur als onbeteugeld, ze is vrij en woekert wild. In weer een ander gedicht ‘enteren’ Smits en haar vader een beschermd stuk natuur: ‘volgens het scherm op mijn stuur bewegen we / buiten de kaart’. Aan “echte natuur” valt zogezegd geen paal of perk te stellen zonder die te domesticeren, te cultiveren, zonder het natuurlijke ervan aan te tasten. Dat is misschien waar we aan denken als we een dier achter tralies zien, in een kooi.

De natuur is immens in elke zin van het woord.

Maar een kozijn is evengoed een kader, een frame – een perk. Zo’n lijst geeft ergens het idee dat het de natuur als natuur toont, direct, maar hoe zou je ongebreidelde natuur kunnen tonen door die te isoleren? De echte, dat wil zeggen wilde natuur vindt plaats als ze haar gang kan gaan, zonder enige inbreuk, zonder grenzen. Voorbij het tonen van de natuur, mogen we ons, met enige gevoel voor hyperbool, afvragen of we wel kunnen denken over wat natuurlijk is. Doen we door in specifieke termen te vatten wat wel of niet natuurlijk is, niet altijd al een inbreuk op de wilde vrijheid die we de natuur tegelijk toeschrijven?

Dat voor de laatste mens ‘de natuur’ in principe elk ander wezen is, bijna de gehele verdere wereld, mag tekenend heten. De natuur is immens in elke zin van het woord. Het is teveel om te benoemen. We kunnen de natuur alleen negatief definiëren: als het onmenselijke. Het is alsof de mens een laatste barrière opgooit, in de vorm van zijn eigen aanwezigheid, om maar niet ook tot de natuur gerekend te worden.

Maartje Smits onderzoekt in de gedichten van Hoe ik een bos begon hoe poreus die laatste barrière eigenlijk is.

Schoon landschap

Dit betekent trouwens niet dat Smits alles natuur noemt. De ontmanteling van die term heeft meer te maken met de manier waarop we ons verhouden, hoe we over onze relatie tot dieren en planten, tot de wezens in de wereld, nadenken als we ze niet langer tegenover maar naast de mens denken.

Wat betekent het bijvoorbeeld om een natuurbrug, een ecoduct, neer te zetten en die te reguleren? Het is een duidelijke inmenging, waarbij het ene dier en de ene plant in bescherming wordt genomen tegen de ander. Smits denkt hierover na in haar ‘notities bij natuurbrug zandpoort’:

6.1 alles lost op in een leeflaag
van 50 centimeter

6.2 de brug is nu open voor rugstreeppadden
wezels hermelijnen hazelwormen
recreatieve zandloopkevers nauwe
korfslakken allerlei vlindersoorten

6.3 tussenzone
a) ecologisch en
b) recreatief liggen
c) duintjes

6.4 over de natuurbrug loopt
schrikdraad 2m40 ingegraven
tegen gulzige damherten
die niet mogen oversteken
damherten gaan te weinig dood
en eten teveel

6.5 damherten zijn een gevaar voor de natuur

6.6 de natuur is geen damhert

Het uitzonderen van damherten past niet in het klassieke idee van natuur, zozeer zelfs dat het nogal ironische gevolgen heeft om een natuurbrug ontoegankelijk voor ze te maken. Tegelijk zou het waarschijnlijk de vernietiging van het habitat van de ‘wezels hermelijnen hazelwormen’ betekenen wanneer de herten konden gaan waar ze wilden. We moeten keuzes maken in onze relatie tot al deze verschillende wezens – het gebied de vrije loop laten is slechts één van de mogelijke keuzes.

Het buiten van een recreatiegebied is een landschap dat opgesloten wordt in onze wensen.

Maar we kunnen ook aan die wezens, aan een landschap voorbij gaan door het volkomen te renoveren, tot iets groens dat weinig te maken heeft met wat er leeft, met een landschap. Een gebied dat omgebouwd wordt ter recreatie bijvoorbeeld, een citaat uit ‘poldernostalgie’:

terwijl we ons buiten vermaken
gaat binnen das Landschaft loss

[…]

en niet aarzelen als je stilstaat
kruipt het water langs je onderbroek omhoog
ze noemen dat wassen
ze noemen dit schoon

een unieke groene heilstaat
zodadelijk geprint

Allereerst speelt Smits daar mooi ‘binnen’ en ‘buiten’ tegen elkaar uit. Het buiten van een recreatiegebied is een landschap dat opgesloten wordt in onze wensen. Het landschap verheugt zich niet, geht nicht los, maar gaat verloren, loss. Het woord ‘schoon’ – dat zowel mooi als gereinigd betekent – krijgt een nare, klinische bijklank. Het landschap schoonmaken is het vooral om zeep helpen.

Vereenzamende varens

In haar recensie van de bundel in Trouw noemt Janita Monna het titelgedicht van de bundel ‘tragikomisch’, omdat het ‘vol goede bedoelingen’ zit ‘die onvermijdelijk stranden’. Voor de volledigheid, dit is het gedicht waarin Smits uiteindelijk een bos aanlegt in haar badkuip. Ze heeft in Het verborgen leven van bomen (2016) van Peter Wohlleben gelezen dat een boom geen einzelgänger is, maar via een netwerk aan wortels en schimmels communiceert en voedingsstoffen ruilt met andere bomen. Als Smit daarna naar haar varens kijkt, eenzaam in hun potten, besluit ze hun ‘weke onderlijven’ te ontpotten en begraaft ze ‘in de uitgeknipte aarde’.  Wellicht dat de planten weinig zonlicht zullen krijgen in de badkamer, als die geen ramen heeft, maar veel tragischer wordt dit gedicht niet.

Het begin van een bos in je badkuip is alleen gedoemd te mislukken als het doel een ongerepte natuur is. Smits doet iets kleiners, ze benadert de planten zelf:

zag mijn nauwelijksvarens vereenzamen
op de vensterbank
naast elkaar in kunststof aardewerk
waar alles op afketst
wortels die dwanggedachten ingroeien

Wat ze die planten wil geven is waarover ze heeft gelezen:

bomen praten ondergronds
over het weer
veranderde klimaat ze ruilen
schimmels met superpowers
storten kalmerende mineralen
op een huishoudrekening

Dat is grappig – vooral die huishoudrekening vind ik gevat – maar tragisch is het alleen als die varens voor meer dan een badkuipbos moeten staan. Smits maakt allereerst een mooi gebaar, dat ook prima kan werken, naar haar platen.

Als een mens tot bloei kan komen als een mens, kan een plant op zijn manier vereenzamen.

Interessanter vind ik die eenzaamheid, de ingegroeide dwanggedachten, en ook die huishoudrekening. Je zou misschien zeggen: wat antropomorfe manieren om het gedrag van dit groen te beschrijven. Maar wat is er nog antropomorf als de mens zichzelf vooral van planten onderscheidt door de uitzonderingspositie die ze zichzelf toeschrijft? (Over antropomorfismen hebben we trouwens ook een keer geschreven in de context van Tjêbbe Hettinga.) Nee, Smits kan varens eenzaam noemen en een wortelnetwerk vergelijken met een huishoudrekening, ze kan planten in zogenaamd menselijke termen beschrijven omdat we mensen in zogenaamd vegetatieve termen beschrijven. Als een mens tot bloei kan komen als een mens, kan een plant op zijn manier vereenzamen.

Smits probeert ons voorbij die noemer ‘natuur’ te laten lezen. Ze helpt ons naar een punt waarop we ons weliswaar realiseren dat een boom of een varen anders werkt, maar niet in een andere wereld leeft dan wij. Dat er shared ground kan zijn tussen een mens en een vetplant.

Johanna’s beslisboom

Het hoogtepunt van dit onderzoek wordt, wat mij betreft, gevormd door een aantal gedichten in het midden van de bundel. Het lange gedicht ‘cyclus’, waarin Smits zich kwetsbaar opstelt door haar miskraam erin te verwerken, klinkt op een heel mooie, confronterende manier samen met een drieluik over een gestrande walvis.

Smit schreef al eerder over haar onvoldragen zwangerschap op Hard//hoofd. Daarin klonk het woord ‘schoon’ al even vreemd klinisch als in ‘poldernostalgie’: ‘twee weken later maakte de verloskundige een echo en werd mijn miskraam eindelijk concreet. De baarmoeder was mooi schoon, zei ze opgewekt.’ Maar in ‘cyclus’ plaatst Smits haar ervaring krachtig in de context van haar onderzoek naar de natuur:

je kind smelt
dat is ook de natuur

deze mis
geboorte galmt maar door
ze krabbelt terug
scheurt af blijft haken
mijn borsten worden al slapper
tepelzakjes drogen lichter
dan de vlekken van het kind

De lichamelijkheid van deze strofes doet me denken aan Maggie Nelsons The Argonauts (2015). Ze legt de veranderingen aan haar zwangere lichaam naast die van haar man, Harry, wiens lichaam verandert onder invloed van de testosteron die hij toegediend krijgt om zijn geslachtsverandering te voltooien. Dat is ook natuur, zouden we met Maartje kunnen stellen, wat er met je lichaam gebeurt on T.

Dat is ook de natuur. Die frase bevat zowel acceptatie en rouw als het om Smits ervaring gaat. Ze probeert zich over te geven aan wat er met haar gebeurt, het is nu eenmaal hoe zoiets verloopt, en tegelijk berouwt ze dat het gebeurt. Het is de ongenade van het lichaam, rücksichtslose natuur:

het doorgespoelde kind drijft
ergens tussen strand en bos
slalommend afscheid in een
hemelwateropvanggebied
zuiver traanvocht windkracht 5
rücksichtlos natuurgeweld
het regent ook zo lekker
symbolisch scheld ik op all korstmossen
en het stuifzand dat aan mijn wangen kleeft

Een woord als ‘hemelwateropvanggebied’ klonk, denk ik, nog nooit zo treurig en rauw: een hiernamaals voor doorgespoelde kinderen.

De gestrande walvis, een pasgeboren kind – hun hulpeloosheid begon op elkaar te lijken.

De gedichten over de gestrand walvis Johanna, en het protocol rondom haar sterven, kregen voor mij een heel andere klank door één woord: ‘tandelozen’ Het staat in de titel van het laatste gedicht uit het drieluik, ‘oververhitting bij tandelozen’, oftewel, bij walvissen met baleinen. De besluitvorming rondom een stervende walvis klonk ineens minder als het besluit van mensen over dieren, zoals de bureaucratische taal van een protocol het kan laten klinken. De gestrande walvis, een pasgeboren kind – hun hulpeloosheid begon op elkaar te lijken. Het levend wezen niet zomaar een dier, maar dit dier.

oververhitting bij tandelozen

traject palliatieve zorg sloeg in
ontheffing vroeg onze aandacht

het dier rustig laten sterven:
1. intravasculaire injectie
2. vuurwapen
3. explosieven

Rendac stond klaar voor verwerking
rug- (kop, flipper) staartvin

na afloop
bleek Johanna
boterzacht

De laatste strofe staat op de rechter bladzijde:

het snijwerk nam
twee dagen in beslag

Dat is ook natuur. En juist daarom zijn we er persoonlijk bij betrokken, voelt het klinisch om ‘Johanna’s beslisboom’ te doorlopen, klinisch maar ook noodzakelijk, en daarom gaat Rendac – een overheidsbedrijf dat kadavers verwijderd – op een aasgier lijken.

Hoe-ik-een-bos-begon-in-mijn-badkamerMaartje Smits
Hoe ik een bos begon in mijn badkamer
(Amsterdam: De Harmonie 2017)

De website van Maartje Smits
De website van De Harmonie

 

Gepubliceerd door Harm Hendrik ten Napel

Harm Hendrik ten Napel (1991) komt uit Friesland, en is via Groningen in Nijmegen terecht gekomen. Daar studeerde hij recent af in de filosofie. In 2013 publiceerde hij een bundel zeer korte verhalen bij Lemniscaat, Ze vraagt: Is dit je kamer. Hij is naast schrijver en filosoof ook boekverkoper.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *