Bespreking

‘ik bedoel zij maken een wereld / die hun werd onthouden / door hem te bevolken’ – Over nalatenschap, restanten, overleven en -leveren

Detail uit 'A view of Vesuvius from Posillipo, Naples', Joseph Wright of Derby
Detail uit 'A view of Vesuvius from Posillipo, Naples', Joseph Wright of Derby

Ik zag laatst A Ghost Story, een trage film over rouw, voortleven, herinneren (enzovoort). Casey Affleck speelt het grootste deel van de film een zwijgend lakenspook dat ziet hoe zijn vriendin na een tijdje vertrekt uit het huis waar ze samen woonden, hoe een ander gezin intrekt, ook weer weggaat. Op een zeker moment wordt er in dat huis een feestje gevierd door een stel jonge mensen, en houdt een bebuikte, bebaarde gast na zijn zoveelste biertje een monoloog over, ja, iets als: de zin van het leven, niveau tiener-die-een-half-kantje-Nietzsche-heeft-gelezen-en-nu-de-wereld-snapt.

De strekking is zo’n beetje: God bestaat niet en we gaan allemaal dood, dus niets heeft zin. Met name kinderen en kunstwerken niet. (Op naar het volgende biertje.)

Het is altijd een beetje een tegenstrijdige beweging: heel graag de zinloosheid willen evangeliseren. Toch is de vraag misschien het vragen waard: waarom het gedicht? Waar schrijf je het voor? Voor wie? Moet het overleven? Hoe lang? (Enzovoort.) (In mijn achterhoofd echoot een zin uit Jeroen Mettes’ poëtica bij ‘N30’: ‘Het probleem is dat een gedicht niet kan worden gerechtvaardigd. Er is geen excuus voor.’)

Ik las de laatste tijd de selectie gedichten die Anna Enquist uit het werk van Gerrit Kouwenaar maakte. Verder ken ik dat werk erg slecht, ik herinner me op de middelbare eens het titelgedicht van totaal witte kamer te hebben gelezen. In haar inleiding schrijft Enquist dat het haar stoorde dat Kouwenaar en zijn werk ‘zo snel in de vergetelheid [leken] weg te zinken.’ Tegelijkertijd benadrukt ze sterk dat ze geen ‘literair-kritisch verantwoorde bloemlezing’ heeft gemaakt: ‘Het is niet meer dan het is: mijn keuze.’

Enquist: ‘Het is niet meer dan het is: mijn keuze.’

Natuurlijk is het meer dan dat. Met het publiceren van deze selectie neemt Anna Enquist ruimte binnen het aanbod van boeken in, geen enkele uitgever zal er de komende jaren over denken een selectie uit het werk van Kouwenaar te publiceren. Niet dat ze zich verplicht had moeten voelen een ‘literair-kritisch verantwoorde bloemlezing’ te maken (wat dat ook moge zijn), maar dat valt niet simpelweg terzijde te werpen door te doen alsof het maar een persoonlijk document geworden is.

Voorbeeld: ik ben Kouwenaars werk nu door middel van die selectie aan het lezen. Het interesseert me daarbij niet zoveel dat het de selectie van Anna Enquist is. Het is dus niet maar ‘haar keuze’, het is, voor iedereen die nu voor het eerst in aanraking komt met zijn werk, de keuze.

Al die gedachten zorgden ervoor dat ik me afvroeg of ik, na het lezen, nog iets zinnigs zou kunnen zeggen over ‘Kouwenaars werk’. Als ik het afgelopen jaar op Klecks over een bundel schreef van een dichter die al meer gepubliceerd had, deed ik vaak mijn best ook de rest van het oeuvre te lezen – bijvoorbeeld in de gevallen van Perquin en Möhlman. Voor Kouwenaar ben ik dat dus niet van plan. Vooral, misschien, omdat ik er de energie niet voor heb. Maar daarnaast toch ook omdat het verlangen ‘het geheel’ te kennen langzaamaan misplaatst voelt.

Niet helemaal misplaatst, natuurlijk. Natuurlijk kun je méér over het werk van een bepaalde dichter zeggen, als je meer, zo niet alles, van die dichter gelezen hebt; en natuurlijk kun je het meer over dat werk hebben als werk van die specifieke dichter.

Misschien is de reden dat ik lees dus vooral veranderd. Ben ik, in elk geval nu, niet meer tot zulke stukken in staat, en dus simpelweg geforceerd iets anders te proberen.

In haar inleiding schrijft Enquist dat het haar stoorde dat Kouwenaar en zijn werk ‘zo snel in de vergetelheid [leken] weg te zinken.’

Er spoken een aantal thema’s rond: het nut van nalatenschap, de vergetelheid, werk als deel van een oeuvre. De wellicht wat existentieel-poëtische vraag waarom je een gedicht zou schrijven.

Ik heb niet het idee dat ik ‘Kouwenaar’ aan het lezen ben. Ik blader wat door de selectie heen, stop af en toe, blader dan verder, soms per bladzijde, soms sneller. Ik wacht ergens op.

Waarop?

Misschien het lezen van poëzie niets anders dan het niet vooraf beantwoorden van die vraag, is het een oefening te wachten op datgene wat je nog niet zou kunnen verwachten. Tegelijkertijd denk ik dat ik gewoon een gedicht zoek dat te maken lijkt te hebben met de thema’s waar ik toch al mee rondloop.

woorden als deze

Waar geurde je toen naar, toen, het was
een woord dat er niet was, zomersneeuw, zweem
van lichtweefsel, mondstilte, honinggras

vandaag, najaar, in ons slordig beheerd paradijs
hoorde ik, afzijdig, tussen de wildgroei
je pathetisch geblokkeerde zilver rinkelen

ik ziende taalde het doofste, witvlinders, leven
zo licht dat geen naam het kon dragen, en jij
bestond dit onteigend moment dat ik rilde

woorden als deze staan voorgoed roerloos, ik
bewoon ze, ook nu de wind opsteekt, oude
schaduwtakken breken en je het koud hebt –

De regel met de titel, ‘woorden als deze staan voorgoed roerloos’, doen me denken aan Luceberts De zeer oude zingt, hoewel de regels daar het omgekeerde lijken te zeggen; ‘alles van waarde is weerloos / wordt van aanraakbaarheid rijk / en aan alles gelijk // als het hart van de tijd / als het hart van de tijd’. Daarin staat niets voorgoed roerloos, daarin raakt wat van waarde is gelijk aan al het andere, raakt het uitgewist, voor zover het ‘zichzelf’ was. De vraag in m’n achterhood: wat maakt dat Kouwenaar gelooft in dit ‘voorgoed roerloze’? In een ander gedicht, ‘maar nu de taal’, opnieuw:

het lichaam dat in zonlicht
de kracht krijgt van honger
en in de gebalde vuist van oorlog
en liefde
zichzelf afkluift
zingend

de taal het gratis theater
van de ontkenning, levend

en buiten de dodende
stromende tijd
die de ogen vertroebelt
het kijken schoonspoelt –

De taal, ‘theater/ van de ontkenning, levend’ buiten de ‘dodende / stromende tijd’. Waarom zou je de taal levend noemen als het buiten de dodende tijd staat? Staat taal, dat theater, in dat geval niet buiten die oppositie tussen levend en dood? En als taal buiten die tijd staat, is Kouwenaars poëzie dan vooral een poging tot vereeuwiging? (Dat zou me erg vervelen, al weet ik niet waarom.)

Toch lijkt hier iets anders in te zitten, dit gedicht, dat einde: de stromende tijd ‘die de ogen vertroebelt / het kijken schoonspoelt’. Je moet in die dodende tijd staan wil iets – stel, een gedicht – je kunnen ontroeren. Taal is dan misschien niet zozeer levend, maar overlevend, of een overlevering.

Kunnen we ons een nalatenschap voorstellen die niets bewaart van datgene wat het nagelaten heeft? ‘De erfgenaam ontvangt iets anders dan de stervende hem nalaat’, schrijft Elias Canetti. En: ‘Geen enkele dood eindigt.’ Misschien staat het gedicht buiten de tijd op een manier die het ook niet toestaat weer terug daarin te raken. Ik moet denken aan regels uit het twaalfde geklokte gedicht van Maarten van der Graaff in Dood werk:

Nu ben je een dichter. Creatief en ondernemend.
Je hebt jezelf gedisciplineerd en gerealiseerd en elke andere tijd
is ondenkbaar geworden.
Je bent een efficiënt spook van het modernisme.

Elke andere tijd is met het gedicht ondenkbaar geworden. Jezelf realiseren in het gedicht betekent niet dat je jezelf in het gedicht weet te stoppen, of dat het gedicht iets weet te ‘vangen’: het gedicht is vooral een spook, woorden voorkomen dat je de tijd nog op dezelfde manier kunt denken. Jacques Derrida schrijft over as, in zijn bespreking van de poëzie van Paul Celan: ‘Wellicht is er as, maar as ís niet. Die rest lijkt te resteren van wat was, wat was als tegenwoordigheid; ze lijkt zich te voeden met of te laven aan de bron van het tegenwoordig-zijn, maar gaat het zijn te buiten; ze put het zijn waaruit ze lijkt te putten bij voorbaat uit. De restantie van de rest – as, bijna niets – is niet het resterend-zijn, als we daaronder tenminste het subsistent-zijn verstaan.’

Ergens anders noemt hij as ‘het verschil tussen wat blijft en wat is’.

Geen enkele dood eindigt, zei Canetti

As is niet wat blijft als wat er nog steeds is, het is hoogstens wat er is van wat niet wist te blijven. Ik bedoel: dat alles alleen overleeft door steeds af te sterven. Geen enkele dood eindigt, zei Canetti: de dood gaat de hele tijd door, overleven en afsterven verschillen wellicht niet zoveel, zijn dezelfde beweging. Ook wat het gedicht betreft?

Misschien is het gedicht op die manier een erfenis die niet gelijk is aan wat de stervende naliet: het kan nog steeds iets geven, iets dat ‘de ogen vertroebelt’, ‘het kijken schoonspoelt’, maar het geeft niets van wat er was, het zorgt er niet voor dat iets sterker dan anders overleeft. Het gedicht bewaart ons niet. Wat dat betreft hoeft Enquist zich minder druk te maken: dan spreekt elk gedicht, altijd al, vanuit de vergetelheid. Dan is het gedicht een vorm van vergetelheid, in de zin van dat de dichter opgeeft zeker te weten wat hij iemand voorbij zijn eigen dood gezegd zal hebben, te zeggen zal hebben.

Als de dood: men is
daar even stil gaan liggen
in die foto
en daar ligt men nu eeuwig

het gehoor hoort zich doof, zien
kijkt een blinddoek, stof vult
de alles ontkennende mond

deze sekonde stikkend van zonlicht: hoe lang
duurt de kou van die wolk?

even gaan liggen en meteen onophoudelijk
vergeefs op het punt staan van opstaan
in vlees

op papier –

En uit een ander vers, ‘genealogisch’:

Men wordt in een kamer geboren
men gaat in een kamer dood

daartussen de adem

In het ene gedicht een adem tussen geboorte en dood, in de ander een koude wolk, een koude wolk adem, wellicht, voor ‘eeuwig’ op de foto – in het gedicht horen we ons doof, zien we ons blind, vult stof de mond. Misschien zegt elk gedicht in de eerste plaats dat we, zodra we praten, binnendringen in een taal die er al was, maar waarvan nooit iets lijkt te resteren, dat de taal aan ons voorafgaat zonder uit eerdere tijden iets mee te nemen, iets wat we goed en wel aan zouden kunnen wijzen. (Ziet iemand daar een reden in ze te schrijven?) De taal bewaart niets maar lijkt tegelijkertijd altijd sinds een eerder, een oeroud tijdstip gebleven te zijn. Hoe zouden we kunnen spreken als we niet geloofden dat onze woorden al betrekking hadden op de wereld waarin we ons vinden?

Misschien zegt dit ook zoiets:

dat is alles

Er is geen mens
er zijn mensen
er is poëzie geen gedicht
poëzie over langzaam voorbijgaan
geen gedicht over onbekenden

er zijn mensen en als ik zeg
ik bemin ze dan lieg ik
en als ik lieg ik bemin ze
dan spreek ik de waarheid
over één mens

en ik zeg zij alleen
Maken steen steen
zij alleen maken water water

ik bedoel zij maken een wereld
die hun werd onthouden
door hem te bevolken
en dat is dubbel gezegd

zo leggen de feiten zich neer
dubbelzinnig en links
als de mensen

ik heb hen niet lief maar
ik sta hen bij als mijzelf
dat is alles.

We bevolken wat ons onthouden wordt, dat is ‘wereld.’ ‘Mijn wereldbeeld houd ik er niet op na’, schrijft Ludwig Wittgenstein, ‘omdat ik me van de juistheid hiervan heb overtuigd; ook niet, omdat ik van de juistheid overtuigd ben. Nee, het is de overgeleverde achtergrond, waartegen ik tussen waar en onwaar onderscheid.’

De wereld is een overgeleverde achtergrond; de wereld is er dus niet precies, treedt niet op de voorgrond, wordt nooit iets tegenwoordigs. (Ook nooit iets tegen-woordigs, misschien, nooit iets waarover je een gedicht zou kunnen schrijven.) De wereld is dan precies die as, het verschil tussen wat is en wat blijft als de achtergrond waartegen datgene wat het overleeft het overleeft. We moeten de wereld wel veronderstellen als we het over over-leven hebben, als de plaats waar we gebleven zijn, hoewel de wereld zelf, in dat geval, niet precies gebleven is.

We bevolken wat ons onthouden wordt, dat is ‘wereld.’

Wat betekent dat eerdere dan, ‘er is poëzie geen gedicht’, ‘poëzie over langzaam voorbijgaan’? Er is geen gedicht zoals er geen wereld is: we kunnen het gedicht bevolken, daarmee wordt het ons onthouden, we lezen nooit ‘het’ gedicht, telkens ‘een’ gedicht, dat zich in het lezen al uitwist, omdat we ermee aan de haal gaan: de erfgenaam ontvangt iets anders dan wat er nagelaten is.

Zoiets voel ik bij ‘het moet groeien’:

Het moet groeien
het moet groot worden

deze geschreven woorden
moet het kunnen spreken, straks

het moet de vliezen die het nu omsluiten
in het boek kunnen nalezen en
naamgeven

het moet groot worden, niet om
de wereld groter te maken
maar kleiner

het moet gewoon handen hebben
die als een volmaakte machine
bijna volmaakt zijn, en een hoofd
dat zich denkend neerlegt
als het grijs en tijd is –

Ik lees hier iets van dat vergaan van het gedicht, want ik lees iets wat Kouwenaar niet geschreven kan hebben, omdat het gedicht er eerder was dan waar het (voor mij) over gaat; ik moet denken aan het einde van Constellaties, waarin ik, geloof ik, rekenschap af probeerde te leggen van het feit dat ik vernoemd ben naar een kind dat nooit geboren werd. Ik bedoel dat ik gewoon vernoemd ben naar een voorvader zoals ik vernoemd zou zijn als dat kind nooit geboren was, en het is niet geboren, heeft niet bestaan, heeft niet ‘gewoon’ handen gekregen. (Het is dat woord ‘gewoon’ dat me raakt, dat mijn ‘kijken schoonspoelt’, zodat ik met het gedicht iets opnieuw zie; het is het woord ‘gewoon’ dat me boos maakt. Er zijn dagen dat ik een hekel heb aan die naam, en die regel, ‘het moet gewoon handen hebben’, leest als ‘het had gewoon handen moeten hebben’, en ‘het moet groeien’ als ‘het had moeten groeien’, al dat moeten dat gemoeten had.)

Ziehier een gedicht met kleine handen
met benen en ogen en mamastem
de ogen kunnen klepperend dichtslaan
mama mama

een mechaniekje dat zo verouderd
dat zo vanbinnen in het lijf zit
dat zo onbegrijpelijk is voor het humanisme
dat de kraamfabriek is vergeten
en het principe van de conceptie
dat het mama zegt steeds maar mama zegt
dat het natuur werd
dat het een gedicht is geworden
mama gedicht

De eerste twee strofen uit ‘mama gedicht’ – waarin dat mechaniekje me opvalt, ‘dat zo verouderd / dat zo vanbinnen het lijf zit’, dat op een bepaalde manier aan elk individuele lichaam voorafgaat: het kunnen knipperen met de ogen (bijvoorbeeld wanneer ze vertroebeld raken). Dat het mama zegt steeds maar mama: er is geen mens, er zijn mensen, steeds weer zeggen ze mama, steeds weer een andere mama; alles wordt een gedicht en het gedicht is er niet, er is alleen de poëzie die het voorbijgaan van die gedichten is.

Er is dan misschien geen excuus voor het gedicht, het lijkt alleen niet te helpen ze daarom maar niet te schrijven. Elk losse gedicht is misschien zinloos, ja. Maar de wereld is er al, we zijn er al, bevolken hem al. We zijn niet in staat alles te betwijfelen, omdat ons twijfelen zelf al ergens vandaan lijkt te komen. We zijn niet in staat het gedicht te schrijven dat te excuseren zou zijn, we zijn in staat onze onkunde door te geven op een manier die net voorbij lijkt te gaan aan de ‘dodende / stromende tijd’, daarmee ook voorbijgaat aan onszelf. We schrijven gedichten waar we zelf niet meer bij kunnen, die ergens aankomen waar we ze nooit bedoelt hebben, daar iets zeggen wat nooit onze mond verliet (die inmiddels vol zit met stof, zelf tot stof geworden is). Niks gaat Kouwenaar redden van de vergetelheid: het is juist de vergetelheid waar hij zich zijn hele leven, met elk gedicht, al aan toegeschreven heeft.

Kouwenaar, Van woorden gemaaktGerrit Kouwenaar
Van woorden gemaakt
(Querido: 2017)

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel is schrijver en wiskundige, en volgt momenteel een onderzoeksmaster wetenschapsfilosofie. Hij debuteerde in 2014 met Constellaties en was het jaar daarop laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium. In het najaar van 2017 verscheen zijn roman Het leven zelf.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *