Bespreking

‘een woord dat vlees vindt’ – Joost Decortes Stalker en de grein van het schrijven

Detail uit Andreus Vesalius (Andries van Wesele) – De humani corporis fabrica
Detail uit Andreus Vesalius (Andries van Wesele) – De humani corporis fabrica

‘Als men zich een esthetica van het tekstplezier zou kunnen indenken,’ schrijft Roland Barthes in Het plezier van de tekst, ‘zou men daarin moeten opnemen: het hardop schrijven.’ Dat is niet, zegt hij, ‘spreken’, en hij schrijft er slechts over alsof het bestaat. Wat niet wil zeggen dat Barthes maar wat aan het fantaseren is – sommige dingen laten zich misschien niet anders bespreken dan onder de suspensie van zo’n ‘alsof’. Het hardop schrijven is niet ‘expressief’, het laat ‘de uitdrukking’ over aan ‘de feno-tekst, aan de vaste code van communicatie’ – de bestaande vormen van grammatica, spelling, begrijpelijkheid, enzovoort; wat we al met al ‘cultuur’ zouden kunnen noemen. ‘Zelf behoort het veel meer tot de geno-tekst, tot de betekening; het wordt niet door de dramatische stembuigingen, de boosaardige intonaties, door de welwillende accenten gedragen, maar door het grein van de stem, dat een erotisch mengsel is van timbre en taal.’ Even verderop: ‘Wat de klanken van de taal betreft is het hardop schrijven niet fonologisch maar fonetisch; het doel ervan is niet de helderheid van de boodschappen, het theater van de emoties; het zoekt veeleer (in een streven naar genot) de driftbewegingen, de met huid bedekte taal, een tekst waarin men het grein van de keel, het patina van de medeklinkers, de wellust van de klinkers, een hele stereofonie van de diepte van het vlees kan horen: de articulatie van lichaam en taal, niet die van betekenis en taalgebruik.’ Het gaat erom de woorden in hun materialiteit, zinnelijkheid, om met de ademtocht, de rauwheid, ‘het vlees van de lippen, heel de uitstraling van de menselijke bek’ te laten horen. Niet de klanken met het oog op hun isolatie tot betekenisvolle elementen van een taal, maar de klanken in het verlangen naar het lichaam dat ze draagt.

Wanneer Barthes over ‘plezier’ en ‘genot’ spreekt, over ‘een erotisch mengsel’, doen we er goed aan die woorden niet al te snel al te eng op te vatten. Het heeft in dit geval te maken met twee zijden die een tekst noodzakelijkerwijs heeft, of ze nu worden benut of niet: ‘een brave, getrouwe, plagiërende zijde (het betreft het kopiëren van het taalsysteem in zijn canonieke staat, zoals die door de school, het juiste woordgebruik, de literatuur, de cultuur is vastgelegd)’ – wat Barthes in het eerdere citaat de kant van de feno-tekst, de begrijpelijkheid, de fonologie plaatst, en ‘een andere zijde, bewegelijk, leeg (in staat om wat voor contouren dan ook aan te nemen), die nooit iets anders is dan de plaats van haar effect: daar waar de dood van de taal doorschemert.’ Daarom spreekt Barthes over het hardop schrijven alsof het bestaat, en doet hij dat in een meer poëtisch dan essayistisch register: het over de dood van de taal hebben, dekt haar al af; men kan het niet ‘over’ die dood hebben, je kunt alleen in genot spreken, ‘intreden in een hartstochtelijk plagiaat, hysterisch de leegte van het genot affirmeren.’ Beide zijden van de tekst zijn noodzakelijk, het gaat om hun compromis: ‘de cultuur noch haar vernietiging zijn erotisch; pas de kloof tussen beide wordt het.’

Wanneer Barthes over ‘plezier’ en ‘genot’ spreekt, over ‘een erotisch mengsel’, doen we er goed aan die woorden niet al te snel al te eng op te vatten.

Dat compromis schept een ‘anachronistisch subject’ dat de beide teksten ‘binnen zijn bereik houdt’, ‘het heeft tegelijk en op tegenstrijdige wijze deel aan het diepste hedonisme van iedere cultuur (…) en aan de vernietiging van de cultuur: het geniet van de consistentie van zijn ik (dat is zijn plezier) en zoekt zijn verlies (dat is zijn genot).’

Ik wist al redelijk vlug na het beginnen in Stalker, het debuut van Joost Decorte, dat ik het wilde bespreken met behulp van Barthes’ Plezier, omdat wat me trok aan Decortes gedichten amper leek te zijn wat hij ermee zei. Tegelijkertijd ging het me om meer dan enkel de klanken – het ging me wel degelijk ook om de betekenis van de woorden, maar precies in die zin: als iets dat een woord ook heeft, een zin ook heeft. Zelfs in poëzie, en zelfs in poëzie die ‘goed klinkt’, is het toch vaak de betekenis (de feno-tekst) die ertoe doet, en is het goede dat klinkt zo aanwijsbaar: goede rijmen, sterk geplaatste alliteraties (de fonologie).

Het ging me om iets anders. Probleem: als het me noch om de betekenis van zinnen gaat, noch om de klank zoals je die zou kunnen aanwijzen bij een geschreven tekst, hoe moet ik het er dan over hebben? Ik lijk te spreken over een geest. Al mijn zinnen zouden vooraf moeten worden gegaan door een ‘alsof’, ‘het is alsof’, zonder daarmee af te doen aan hun stelligheid.

Heimelijkheid

Het tweede gedicht uit de eerste afdeling, ‘Het dorp’, is deze:

Het behuizen hongert in de woudzoom.

Ik sliep alleen: de ribben afgelegd
de banden der vertrouwelijke stem
en zonder weerga
het dieplood, neergelaten in het haveloos gehucht
van tongen.

Waar sneeuw heerst.
Wel de zang van het duizendblad overwegend.
Wel daarvan de looi- en bitterstof die het geblaat,
de lemen zegging stelpt. En daarin geen woord van liefde.

Maar dit is het schraalland dat mij heetgeblakerd
schroeien moet,
in weerwil gelijkend
het prooidier.

Ik lijk het te lezen zoals Barthes het zegt: niet de betekenis en het taalgebruik, maar de articulatie van het lichaam en de taal. ‘De taal zelf’, zou je willen zeggen, alsof zoiets er was. Ik lijk het te lezen en te denken, ja, dat is het Nederlands: waar een woord als ‘gehucht’ naast ‘haveloos’ staat; dat is het Nederlands, een woord als ‘woudzoom’. En het zal vast bijdragen dat Decortes taal de archaïsmen niet schuwt, daardoor altijd een bepaald effect van oorspronkelijkheid teweeg zal brengen, een zeker aura van oer-spreken met zich meedraagt.

Hoe kan ik spreken over het genot, want dat is het (zonder ervan te willen zeggen dat het vrolijk is) dat ik lees wanneer Decorte besluit na ‘Waar sneeuw heerst’ een punt te zetten? Er één zin van te maken, begonnen door een hoofdletter? Het toe te voegen aan een beschrijving, na een witregel, alsof het een losstaand grammaticaal element is. En vervolgens twee zinnen met ‘wel’ te beginnen, waarna het plots zo grammaticaal heldere ‘En daarin geen woord van liefde.’

waar ons spreken vervangen wordt door iets fysieks, lucht door een keelpijp, tong tegen tanden, gehemelte, lippen, trillingen en verbuigingen voortgebracht door een dierlijk lichaam

Grammaticaal helder. En het is alsof die zin opdoemt. Ik wil het lezen alsof het is omgekeerd: niet de grammatica een kern van correcte communicatie vastlegt, erkent, waarvan je kunt ‘afwijken’, maar er een moerassig en nat gebied bestaat, waarvan de grenzen maar slecht zijn vast te stellen, dat we ‘het Nederlands’ noemen, waaruit sommige zinnen helderder spreken dan andere. Alsof wat we ervaren als echt geslaagde communicatie de uitzondering vormt.

‘Het behuizen hongert in de woudzoom’ – ik kan het moeilijk lezen zonder te denken aan het Heideggeriaanse adagium, ‘De taal is het huis van het zijn’, waarvan Heidegger op het moment dat hij het nog gebruikt stellig zegt ‘dat het geen metafoor is.’ Geen metafoor? De taal is letterlijk het huis van het zijn? Nee – het is geen metafoor omdat het om een soort omkering gaat. Het ‘zijn’, de dingen voor zover ze ‘de dingen’ zijn, begeeft zich alleen in de taal. Maar daarmee is het bestaan van de dingen niet gerelativeerd tot een linguïstisch fenomeen, Heidegger is geen taalrelativist: immers, dan zouden we van hem zeggen dat hij het zijn van de taal zelf wél absoluut aanneemt. Dat is, in zekere zin, de bizarre relatie waar heel Heideggers werk om draait: dat we niets anders met dat zijn kunnen dan erover te spreken, maar dat spreken, als het goed is, al van dat zijn, waar we van spreken, afhankelijk moet zijn geweest.

Vlees

De taal is het huis van het zijn, en dat behuizen ‘hongert in de woudzoom’, waar open plekken spaarzaam zullen zijn, waar ons spreken vervangen wordt door iets fysieks, door lucht door een keelpijp, tong tegen tanden, gehemelte, lippen, trillingen en verbuigingen voortgebracht door een dierlijk lichaam en maar amper werkelijk overgebracht in de klanken of tekens die we vervolgens pas taal noemen. Het behuizen hongert, het verlangt zich te vereenzelvigen met iets waarop het voeden kan. Veel later in de bundel schrijft Decorte het volgende:

Van volta tot volta uit op vervulling.

Je omschrijft in steeds kleiner kringen het gelaat van je geluk
En wordt door de vatbaarheid ervan benauwd.
Je spraak verkeert in gras, geblaf, gevelgruis. Monddicht

Wend je de blik af naar het westen en wacht
Of knielt bij een bocht van de beek, een zwachtel in het drasland verzonken:
Dat het terugkeert, blijven mag. –

Behoud valt onder bindende bezwaren.
Prent in je achterhoofd de hoogmoed, maar blijf,
Blijf je warmte sparen voor wat onbeademd en naakt
Haakt naar een bres in je mond die zingt:

Hoewel de taal verliest aan tastbaarheid
Is er in genade nog misschien een woord dat vlees vindt.

Wat onbeademd en naakt haakt naar een bres in je mond; het rijm van ‘naakt’ en ‘haakt’ is daar, en überhaupt, niet alleen een herhaling in klank, een te theoretiseren verdubbeling in tekens of geluiden, het is ook de herhaling van een mond die tweemaal gelijksoortig opengaat, eerst met een tong nog tegen de boventanden, nasaal, dan door de keel en mond, open. En natuurlijk bega ik met die beschrijving een bepaalde overtreding: eerst stel ik dat het niet alleen een te theoretiseren verdubbeling in geluiden is, vervolgens beschrijf ik wat het dan wel zou moeten zijn precies op een manier die de fonologie niet vreemd is, en waarschijnlijk zelfs beter zou kunnen zeggen. Maar ik verlang iets anders. Ik wil die tong en tanden kunnen denken zonder het een ‘n’ te noemen. Een woord dat vlees vindt.

Ik wil die tong en tanden kunnen denken zonder het een ‘n’ te noemen. Een woord dat vlees vindt.

Iets wat je als dichter misschien niet met zekerheid teweeg kunt brengen. Er komt genade bij kijken, om de taal bij een ander te brengen verliest het precies aan de tastbaarheid waarnaar je zou kunnen verlangen; het verliest het zelfs niet maar komt nooit bij de taal aan, getuige de wereld van automatisch gegenereerde, zeer leesbare en begrijpelijke berichten waar we inmiddels in leven. Taal komt niet noodzakelijkerwijs van een voortbrengend lichaam vandaan; het lichaam is nog verder afgelegd dan dat: het kan zich alleen begrijpelijk uiten in systemen die zijn eigen afwezigheid in feite al veronderstellen, nooit echt nodig zullen hebben gehad. Het behuizen hongert in de woudzoom: als taal de huis is van het zijn, zijn wij maar amper thuis, dwalen wij door drassig gras. Tegelijkertijd zijn wij slechts onszelf, of kunnen we dat slechts zijn, door die taal.

Genoeg.

Ik ben niet meer thuis in dit gedicht. Ver voorbij mijn hand
Weeft de herfstspanner zijn mantel van mist, mos glazuurt het hout
En ligt als een wapenspreuk te blinken.

Onder mijn armen schuiven dromen door:
Gekarperd water, zongevlekte vis, wereldkaarten van het mezenei.

En wij? Wij praten ons het schuim op de mond,
Wisselen versprekingen uit, verdelen ’s avonds aan vuile tafels buit
En tellen de verliezen.

Dan de slaapbeweging van het graan, haar woordloze deviezen:
Dwing de stilte tot de rand,

De weg geneest de afstand.

‘Aan de grens van wat ik hebben kan’

Ik weet niet hoe ik het sterker dan dat nog kan zeggen, waar het me om gaat. Ergens zou ik willen dat men Stalker gewoon leest, hardop, niet omdat het ‘gesproken’ zou moeten worden, hoewel het gesproken moet worden, maar omdat in dat spreken – hoewel we nooit zullen ontsnappen aan het kunnen horen van de klanken, begrijpen van de betekenis – voelen hoe onze keel, tong, kaak, lippen bewegen, hoe er misschien vocht op onze lippen achterblijft, hoe de woorden als water onze binnenkant eroderen, onze fysieke binnenkant, terwijl wijzelf ons daar ergens buiten bevinden, in een woord als ‘wij’, misschien, in een woord als ‘mens’. Taal ervaren als iets waarin we te gast zijn, en waar een lichaam aan voorafgaat, hoewel het er nooit in bevat zal zijn geweest.

Een lichaam dat we in de eerste plaats misschien niet zijn. ‘Uit welk gelaat ben ik gesneden, Lief, / Dat het mij zo moeilijk valt op mezelf te gelijken? Ik heb geen gezicht / Of het is behaagziek, // Geen mond of het is om naar de mond te praten / Die wegen wekt waarlangs ik je mis.’

(Ik zou dit hele stuk opnieuw kunnen schrijven aan de hand van die laatste zin; een mond die wegen wekt waarlangs ik je mis – want het gaat ook om het lichaam van de ander.) Om maar niet in een eindeloze herhaling te vallen, zal ik hier maar eindigen. Een laatste gedicht:

Het is als de navel blind. Aan de grens van wat ik hebben kan
Een valkenveer, een devotie voor patronen die ik vind
In oude keukenvloeren uitgesleten of vergroeid

Waar de leugen losgescheurd is van de long,
Eigenwillig en amechtig ademt.

Als het wild wordt heb ik baat bij nauwkeurige termen,
Een gedaante bejaagbaar binnen afgebakend gebied,
Een scherpe geur die het gewas herkenbaar maakt waar de geruchten inslaan:
Het geringste dat ons doet verschillen.

Ik bind mijn koorts aldus. Ga om.

Het herschrijft gestaag mijn letters
In steeds dezelfde zin. Ik draag hun rijkdom tot mijn einde,
Besmet en afstandelijk, uitzaaiziek.

StalkerJoost Decorte
Stalker
(Poëziecentrum: 2017)

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel is schrijver en wiskundige, en volgt momenteel een onderzoeksmaster wetenschapsfilosofie. Hij debuteerde in 2014 met Constellaties en was het jaar daarop laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium. In het najaar van 2017 verscheen zijn roman Het leven zelf.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *