De Regelname

‘Ik weet dat de taal gebroken is’ – Coen Cornelis over Boris Ryzji, wat niet in woorden past, en de melancholie van ‘nog’

Beeld: Evelien Cambre
Beeld: Evelien Cambre

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. We vragen een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.

In deze aflevering: Coen Cornelis. Hij schrijft poëzie en toneel, en draagt geregeld voor op verscheidene Nederlandse (poëzie)podia. In 2013 studeerde hij af aan de HKU met een stuk waarin toneel en poëzie samensmolten tot één geheel – Bijtend Stof, Trillend Licht. Hij is woonachtig in Utrecht. Lees hier het bijbehorende gedicht.

‘Als ik terugkom uit Nederland, geef ik je Lego,
en dan bouwen we samen een prachtig kasteel.’

‘Je kunt jaren en mensen tot terugkeer bewegen,
en ook liefde, wat zeg ik, er is nog zo veel.’

Uit: ‘Afscheid van Rusland’ van Boris Ryzji

Klecks: Vertel eens iets over de regels die je hebt uitgekozen, het gedicht waar ze uit komen en de dichter die ze heeft geschreven.

Coen Cornelis: Ik heb deze dichter leren kennen door collectief De Warme Winkel. Hun voorstelling Poëten en Bandieten, die over Boris Ryzji gaat, was legendarisch, en sindsdien heb ik alles wat van hem in het Nederlands verscheen verslonden (twee bundels, maar hij heeft nog zoveel meer geschreven). En er is ook nog een prachtige documentaire van Aliona van der Horst.

Het gedicht waar deze regel uitkomt schreef hij voor een optreden op Poetry International in Rotterdam in 2000, wat naar het schijnt een heel slecht optreden was. Boris was dronken en de mee te lezen vertalingen klopten niet met de gelezen gedichten. Maar het gedicht is prachtig en zoals bijna al zijn werkt druipt het van de melancholie, soms verstopt, soms ronduit bombastisch.

En hoe kan het ook anders, als je leeft in Sverdlovsk, een industriestad bij het Oeralgebergte, waar je een levenskunstenaar moest zijn om uit de handen van de maffia te blijven. Bijna al zijn gedichten zijn rauw, vol geweld en weemoed, in een poging om de schoonheid van een uitzichtloos leven te vinden. Maar op 7 mei 2001 pleegde Ryzji (26) zelfmoord. ‘Ugliness is beauty / that cannot be contained within the soul’ schreef hij, dat is wat mij betreft de kern van zijn werk.

K: Waarom zou je deze regels zelf geschreven willen hebben?

CC: Deze regel komt uit mijn lievelingsgedicht, ik zou het hele gedicht geschreven willen hebben. Ik ben werkelijk verliefd op dit gedicht. Ten diepste valt zoiets natuurlijk niet uit te leggen. Waarom vind je een gedicht mooi. Ik kan zeggen dat ik van het ritme hou, dat ik de lego erg goed gekozen vind. Ik kan zeggen dat ik hou van wat voelt als een dichter die zichzelf onderbreek met een uitspraak als: ‘wat zeg ik’. Ik kan zelfs zeggen dat ik hou van de melancholie in het woord ‘nog’ en hoe snel dit gedicht omslaat van een vrolijke belofte tot licht droevig denken aan wat er was, en wat er nu nog is.

Maar dat doet nog steeds geen recht aan mijn beleving, die niet in woorden past. Precies daarom ben ik natuurlijk dichter, omdat ik begrijp dat er een wereld achter de woorden is, een wereld die voelbaar en onuitlegbaar door een gedicht heen kan sijpelen.

K: Waarin verschilt een gedicht van een interviewantwoord, waardoor je met een gedicht wel de wereld achter de woorden kunt communiceren, maar daarbuiten niet?

CC: Wat mij betreft hoeft een gedicht niet van een interview te verschillen, ze kunnen beide iets laten doorsijpelen van wat de ervaring die leven heet is. Maar nooit doen ze recht aan de realiteit. Het verschil is misschien dat een dichter zich dat realiseert. Ik weet dat de taal gebroken is. Dat de realiteit niet binnen de logica past, niet binnen woorden en dus probeer ik ook geen absolute statements te maken.

Ik weet dat ik zou moeten zwijgen over dingen die niet in woorden passen, maar dat kan ik natuurlijk niet. Omdat schoonheid, lelijkheid, religieuze ervaringen, zelfs simpele gevoelens zo impactvol zijn, moet ik er iets over schrijven. En omdat ik weet dat ik niets letterlijks kan zeggen heb ik taal nodig die ruimte laat, die het zwijgen als het ware in zich draagt.

K: Overlapt je verlangen, dat je het gedicht van Ryzji had willen schrijven, niet ook automatisch met een verlangen dat je zijn leven had geleefd? Kun je verlangen een gedicht geschreven te hebben zonder het leven te hebben dat er dat het voortbracht?

CC: Natuurlijk kun je verlangen wel zijn skills maar niet zijn leven te hebben, maar erg realistisch is dat niet. Ik kan proberen Ryzji na te doen, en dat probeer ik dan ook, maar ik verlang er niet naar hem te worden. Mijn gedichten hoeven ook niet hetzelfde te zijn als de zijne, liever niet, ze moeten ook iets Coen Cornelis-achtigs houden, al weet ik nog niet zo goed wat dat Coen Cornelige dan zou moeten zijn. Tot ik het weet kan ik maar beter af en toe een voorbeeld nadoen, vind je niet?

Erg happig op het leven van Boris Ryzji ben ik niet, want zo leuk was dat nou ook weer niet. Bovendien zou ik dan nu al ergens begraven liggen in een besneeuwd graf tussen de criminelen en bevroren boeketjes.

 

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel (Joure, 1993) is schrijver. Hij debuteerde met Constellaties (2014) en was laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium. Daarna verscheen zijn roman Het leven zelf (2017). Hij publiceerde verhalen, gedichten en essays in bijvoorbeeld Tirade, Revisor en Het Liegend Konijn. In november verscheen van hem Het woedeboek (2018).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *