Opinie

Geen vorm (“Waarop lijkt een gedicht nog?”) – Gedachten bij het vrije vers, het prozagedicht en het instituut

Rupi Kaur
Rupi Kaur

In 1917 ontkent T.S. Eliot het bestaan van het vrije vers. ‘Het wordt aangenomen,’ schrijft hij, ‘dat het vrije vers bestaat.’ Die illusie moet de wereld uit. Als het vrije vers bestaat, als het een werkelijke vorm is, moet er, stelt hij, een positieve definitie van bestaan. ‘En ik kan het enkel negatief definiëren als (1) afwezigheid van patronen, (2) afwezigheid van rijm of (3) afwezigheid van metrum.’

Daaraan moest ik denken toen op 10 augustus Erik Jurgens een brief instuurde naar het NRC, naar aanleiding van een gedicht van de Dichter des Vaderlands, Ester Naomi Perqun, bij een stuk over Mein Kampf. ‘Zoals zo vaak, tegenwoordig, vraag ik mij af waarom deze tekst ‘gedicht’ mag heten. Er zit geen metrum in, geen rijm, geen binnenrijm, geen structuur, niets wat op een gedicht lijkt. Het is meer een korte ‘column’.’

(Grappig feit: het volgende gedicht dat Perquin schreef rijmde weer intens veel. Ze heeft de feedback blijkbaar meegenomen.)

Hoewel Jurgens zich dit ‘tegenwoordig’ afvraagt, houden de kenmerken die hij noemt het dus al meer dan honderd jaar vol. Metrum, (binnen)rijm, structuur – dezelfde die Eliot verzinnen kan. En het blijft misschien een eerlijke vraag. Blijkbaar kunnen er al een eeuw mensen bestaan die zich afvragen waarom iets nog door mag gaan voor gedicht. En dat dichters en letterkundigen de vraag vaak maar laten voor wat hij is, voorkomt niet dat ze van bijvoorbeeld Tim Hofman of Rupi Kaur soms graag toch even opmerken dat het hier niet om poëzie gaat, of hoogstens, als ze gul zijn, om heel slechte. Om dat te doen moet je toch – zou je zeggen – kunnen vertellen waarom. Waarop lijkt een (goed) gedicht dan wél? Waar herken je die dingen aan?

Vrije verzen, prozagedichten

Laten we eens teruggaan naar die kenmerken die Jurgens en Eliot noemen. Eerst is het misschien goed om op te merken dat die kenmerken door de tijd heen niet dezelfde zijn geweest. Veel poëzie uit de Germaanse tak van de talenfamilie had bijvoorbeeld veel meer met heffingen (waarbij het aantal lettergrepen in een regel varieert, terwijl het aantal nadrukken gelijk blijft) en alliteratie, dan met metrum en rijm, die meer uit de klassieke, Franse en Engelse tradities komen. Dat Eliot en Jurgens deze drie kenmerken noemen, is dus toch ietwat historisch getint. Op andere plaatsen en in andere tijden hadden mensen andere kenmerken opgenoemd.

Dat maakt deze drie kenmerken natuurlijk niet minder terecht. We bevinden zich nu eenmaal in onze tijd, en niet in een andere. Wat zegt Eliot er dus op?

Met de aantijging van metrumloosheid rekent Eliot vrij vlug af. ‘Elke regel is te verdelen in versvoeten en nadrukken,’ schrijft hij. Simpele metrums zijn herhalingen van één soort versvoet, maar Eliot ziet geen reden waarom die herhaling op zou moeten treden. En het interessantste vrije vers wordt volgens hem geschreven ‘ofwel door een erg simpele vorm te nemen, zoals een jambische pentameter, en er steeds van af te wijken, ofwel door zonder vorm te beginnen, en steeds een simpele te benaderen.’ Een gedicht verhoudt zich dus altijd wel op een bepaalde manier tot een strakker ritme, is zijn idee. ‘Het spook van een simpel metrum loert achter het tapijtwerk van zelfs het meest ‘vrije’ vers.’

We bevinden zich nu eenmaal in onze tijd, en niet in een andere.

‘Er is [dus] geen ontsnappen aan metrum, je kunt het enkel meester worden. Maar hoewel er overduidelijk te ontsnappen is aan rijm, zijn schrijvers van vrije verzen geenszins de eerste schapen over de dam.’ Ook strak metrische dichters stopten al met rijmen, is het idee. Eliot noemt een aantal voorbeelden. En hij ziet een voordeel: ‘De bevrijding van het rijmen is wellicht ook een bevrijding van het rijm. Bevrijd van zijn uitputtende taak saaie verzen te ondersteunen, kan rijm met meer effect worden ingezet waar dat het meest nodig is.’ Daar herkent iedereen denk ik wel iets in; wanneer wij het hier over ‘Sinterklaaspoëzie’ hebben, doelen we vaak op gedichten die vooral (en misschien helaas) rijmen, waarbij we meteen erkennen dat we het niet erg waardevolle poëzie vinden. (Dat is dan ook meestal de hele lol ervan.)

In een stuk met de heldere titel, ‘De misvatting van prozagedichten: een uitbreiding van Eliots “Reflections on Vers Libre‘, voert Sarah Manguso Eliots argumentatie verder. Dit keer ligt het prozagedicht onder vuur. Waar het feit dat in een gedicht regels door de schrijver worden afgebroken wellicht nog de laatste burcht leek te vormen tegen absolute chaos, en we ‘prozagedichten’ als een geval apart zien, stelt Manguso dat die dus even negatief gedefinieerd wordt, en op dezelfde manier weerlegd kan worden: ‘Gedichten kunnen relatief veel of relatief weinig regelafbrekingen bevatten,’ schrijft ze, ‘of, in het geval van sommige gedichten, helemaal geen afbrekingen.’

Maar welke vorm houden gedichten over, als zowel regelafbreking als structuur, metrum en rijm, zijn gesneuveld?

Met andere woorden: ook bij het verschil tussen vers en prozagedicht gaat het om een geleidelijke schaal. Dit is bijvoorbeeld goed te zien in het dit jaar verschenen en bekroonde Habitus, van Radna Fabias, waarin binnen een en hetzelfde gedicht de regels soms na drie woorden al worden afgebroken, en een moment later ver voorbij de kantlijn een aantal regels lang doorlopen. Dat de tekst daar niet wordt uitgelijnd, maakt niet midner dat het hier gaat om regels waarvan de afbreking niet door de dichter bepaald is, in plaats van door de kantlijn.

Er kunnen, al met al, lange stukken ‘prozagedicht’ voorkomen in een tekst die verder relatief veel regelafbrekingen telt. En of iets een prozagedicht is, hangt op een bepaalde manier ook volledig af van het nogal banale feit van papieromvang. Elk prozagedicht is te drukken als éénregelig gedicht (ofwel door het papier te vergroten, ofwel door het lettertype te verkleinen).

Maar welke vorm houden gedichten over, als zowel regelafbreking als structuur, metrum en rijm, zijn gesneuveld?

De institutionele definitie

Het valt misschien te zeggen dat elk tekstinhoudelijke kenmerk zal sneuvelen. Zodra we een nieuw kenmerk noemen zal er een gedicht opduiken dat er niet aan voldoet, of een grapjas komen die een gedicht schrijft waaraan precies dat kenmerk ontbreekt (terwijl het bijvoorbeeld wel strak metrisch is, of rijmt, enzovoort). Wat we langzaam ontdekken is dat ‘gedicht’ een benaming is voor onderling ontzettend verschillende teksten – een beetje zoals wanneer we ‘dier’ gebruiken om iets anders dan een mens aan te duiden, het een term is voor een weelde aan ontzettend verschillende, soms volstrekt niet vergelijkbare wezens.

Een populair alternatief is tegenwoordig dan ook geen inhoudelijk tekstkenmerk, maar een institutionele definitie. Afhankelijk van hoe breed je het instituut neemt, beschouw je een tekst bijvoorbeeld als gedicht wanneer het als zodanig door een (gerenommeerde, als je daar overzicht over hebt) uitgever is gepubliceerd; of als het door een (door het ‘literaire veld’, als je daar het overzicht over hebt) erkende dichter geschreven is, enzovoort.

Die definitie snijdt op een bepaalde manier misschien wel hout, maar vertelt ons nog steeds niet zoveel over wat een gedicht nu is, over waarom een bepaald instituut dan overgaat tot zijn keuzes. Hij is handig voor wie bezig wil gaan met poëzie als cultureel fenomeen, als te bestuderen veld, maar het beslaat niet de volledige reikwijdte van de menselijke ervaringen van ‘gedichten’. Een dichter hanteert, op het moment van schrijven, geen institutionele definitie. Een acquirerend redacteur heeft, wanneer hij of zij zoekt naar nieuwe dichters, geen institutionele definitie. Je kunt die redacteur naïef vinden, en stellen: alles wat jij uit zou geven, wordt daardoor poëzie. Maar als een redacteur die definitie zou overnemen, en willekeurig wat zou uitgeven, zou hij of zij vlug uit zijn of haar functie worden gezet, denk ik zo. Ik bedoel dat zo’n redacteur nu eenmaal een bepaald idee van poëzie heeft, en aan de hand daarvan acquirerend werk verricht, zoals ook dichters een bepaald (al dan niet expliciet uitgewerkt) idee hebben van wat poëzie is, die niet met de institutionele definitie samenvalt.

Agency, ‘niets aan te doen’?

Kila van der Starre vroeg mij eens wat ik vond van Rupi Kaur, waarop ik toen antwoordde dat ze overduidelijk iets schreef waar grote behoefte aan was. Lezers hebben iets aan haar teksten. Ik vind het moeilijk om op die behoefte neer te kijken. Als je Rupi Kaur geen poëzie vindt, heb je, wat mij betreft, in elk geval iets uit te leggen over de ethische implicaties van poëzie. Hoe kan het dat de poëzie een grote massa mensen, die behoefte heeft aan woorden, blijkbaar onverzadigd achterlaat, of zelfs niet aanspreekt? Wat betekent dat?

Wat niet wil zeggen dat ik Rupi Kaur als heiland zie – haar werk is ook mij vaak te eenduidig, ik ben snel ‘uitgelezen.’

In die reactie kon Van der Starre zich destijds wel vinden, waarop zij zelf ook haar institutionele poëzieopvatting benoemde. Destijds uitte ik mijn ongemak met die definitie met de opmerking dat, in het geval van een ready-made, een dichter een bepaalde tekst juist als gedicht lijkt te herkennen, iets wat, volgens mij, door de institutionele opvatting niet gedekt wordt. Van der Starre stelde dat ik dichters daarmee ontzettend veel agency gaf. Ik weet niet of ik het daarmee eens ben. (Het gesprek ging niet verder omdat hij plaatsvond tijdens het NK Poetry Slam, we beide onze biertjes van de bar hadden ontvangen en de volgende ronde weer begon.)

Hoe kan het dat de poëzie een grote massa mensen, die behoefte heeft aan woorden, blijkbaar onverzadigd achterlaat, of zelfs niet aanspreekt? Wat betekent dat?

Wat is agency? Daarover bestaat überhaupt in de filosofie en sociologie wel wat discussie, maar over het algemeen is een ‘agent’ een wezen met de capaciteit om te handelen; het is, in filosofische begrippen, een wezen dat zijn omgeving actief beïnvloeden kan. Maar precies met het actieve deel van het begrip heb ik in dit geval een probleem. Wanneer een dichter een tekst tegenkomt, en het in hem of haar opkomt om deze als ready-made op te nemen in een bundel, of voor te dragen vanaf een podium, of in elk geval als aantekening neer te pennen in een schrift of bestand, is dat herkennen niet zonder meer een actieve keuze, en evenmin op dat moment een uitoefening op zijn omgeving. Iets komt in hem of haar op.

Op dezelfde manier is het niet zonder meer een actieve keuze van een redacteur om over een tekst te struikelen (of er een gericht te ontvangen) waarvan hij of zij besluit het te publiceren. Er wordt op een bepaalde manier poëzie herkend, en die herkenning niet zonder meer te reduceren is tot een actieve handeling.

Natuurlijk ben ik me daarbij bewust van het feit dat, wanneer dichters of redacteurs eenmaal bepaalde posities bekleden, de institutionele definitie erg goed vangt dat zij een behoorlijke macht hebben om anderen bepaalde teksten als poëzie te laten beschouwen. Ik zeg niet dat het institutionele poëziebegrip zozeer fout is, als dat er nog iets aan ten grondslag ligt. Het is een heel handig middel, willen we iets vaststellen over wat we als poëzie gaan beschouwen wanneer we poëzie beschouwen als sociocultureel fenomeen – maar zeggen dat iets een sociocultureel fenomeen is op het moment dat relevante instituten het zo beschouwen is op een bepaalde manier een tautologie die alleen achteraf werkt, die ons slechts vertelt dat nieuwe poëzie ontstaat doordat de instituten overgaan tot de introductie ervan, maar ons niet vertelt waarom ze dan het ene wel en het andere niet kiezen.

Gevoelens zijn niet zozeer terecht of onterecht, ze zijn er vooral nu eenmaal.

Met andere woorden: als je op Erik Jurgens antwoordt: het is een gedicht omdat Ester Naomi Perquin het schreef, of omdat het NRC het publiceerde, of omdat Van Oorschot Perquin uitgeeft, of omdat professionele critici Perquin recenseren of beschouwen als dichter, of omdat letterkundigen haar werk in academische papers onder de loep nemen, gok ik dat Erik Jurgens afhaakt, en ik geloof dat iets aan dat afhaken terecht is, ook als ik erken dat de antwoorden kloppen.

Op dezelfde manier heb ik het idee dat wanneer ik op iemand die problemen heeft met het werk van Rupi Kaur, en antwoord: het is uitgegeven, het is poëzie, ik niet zozeer reageer op het wringende gevoel dat iemand bij zichzelf opmerkt, alswel stel dat het wringende gevoel onterecht is, of fout. Maar gevoelens zijn niet zozeer terecht of onterecht, ze zijn er vooral nu eenmaal.

In de context daarvan schreef Bertram Mourits ook een mooi stuk bij het werk van Tim Hofman, waarin hij concludeerde:

Kunst is kunst, als de instanties die dat mogen beslissen, besluiten dat iets kunst is. Hofmans bundel is uitgegeven door een literaire uitgeverij, dus de criticus die hem het literaire domein ontzegt, plaatst hem daarmee meteen op een avant-gardistisch voetstuk … [J]e kunt niet zeggen ‘laat alle bloemen bloeien’, om vervolgens de feloranje afrikaantjes te negeren die je niet bevallen. Hofman wil niets overhoop gooien. Juist daarom plaatst hij poëzielezers voor problemen. Dat maakt hem tot een dichter. Niets aan te doen.

Daarin zien we aan de ene kant een herhaling van de institutionele opvatting (‘als de instanties die dat mogen beslissen, besluiten dat iets kunst is’). Die zin verhult een hele bult. Van wie mogen die instanties dat beslissen? Van degenen met een institutionele opvatting, die een bepaalde instantie, vast met een aantal goede redenen, als wel of niet relevant beschouwen. Bijvoorbeeld omdat die instanties subsidie krijgen, of omdat ze veel worden ingekocht door boekhandels – allemaal heel relevante zaken. Maar in feite komt daarmee alle agency bij de literatuurwetenschapper te liggen, die zichzelf alle passiviteit wat betreft het poëziebegrip toe-eigent, door te verhullen dat het helemaal niet gezegd is welke instanties er op elk moment toe doen.

En in Mourits conclusie zit een andere interessante beweging. ‘De criticus die hem het literaire domein ontzegt, plaatst hem daarmee meteen op een avant-gardistisch voetstuk.’ Met andere woorden, ‘de erfenis van dada en de jaren zestig’, zoals Mourits het zegt, is dat uitsluiten geen effectieve methode (meer) is om iets of iemand het literaire domein te ontzeggen. Dat is nog steeds geen werkbare definitie, maar het geeft ons een handige maatstaf: elke definitie waarmee een bepaalde tekst op voorhand uitgesloten zou kunnen worden (en dat zijn alle definities), schept daarmee automatisch een negatieve ruimte waarin alles wat zichzelf wel opwerpt (of wat wordt opgeworpen) als poëzie, een avant-gardistische positie inneemt. Zelfs als het daar helemaal niet mee bezig is (zoals Hofman of Kaur).

Een fenomenologie van het gedicht

‘Ik zeg niet dat het institutionele poëziebegrip zozeer fout is, als dat er nog iets aan ten grondslag ligt,’ schreef ik net. Daarmee kan ik, op een bepaalde manier, dus geen definitie bedoelen. Ergens doel ik dus zelfs op een grondslag die niet meer te bepalen is in termen van agency, omdat het geen actieve handeling is (zo’n actieve handeling zou immers simpelweg kunnen worden opgevat als datgene wat gedichten definieert).

Ik benadruk dan ook nog maar eens dat ik dus geen van de aangehaalde definities (zij het door metrum, rijm, regelafbreking of instituut) aan het weerleggen ben. Het gaat mij erom op basis waarvan deze definities mogelijk zijn. In de grond moeten al deze definities geloven dat er zoiets bestaat als poëzie – hoeveel dit vervolgens ook door dezelfde definities zelf geproblematiseerd wordt. Zelfs als een definitie stelt dat poëzie een effect is van het zeggen dat iets poëzie is, is het het geval dat er van dingen gezegd wordt dat ze poëzie zijn, en stelt zo’n definitie dus, effectief, dat er zoiets is als poëzie, zij het bij gratie van een vreemde, pseudo-circulaire beweging.

En zo’n definitie zegt nog steeds weinig over wat wordt ervaren als poëzie.

Daarin ben ik geïnteresseerd. Zoals ik net de dichter en de acquirerend redacteur noemde, die zich door hun leven bewegen en soms teksten ontmoeten die op zo’n manier op hen overkomen, dat ze die herkennen als poëzie (hetgeen geen handeling is maar eerder een aantasting, een aangetast-worden), waarna ze overgaan tot werken met die teksten – zo is het evengoed voor lezers het geval dat ze bepaalde teksten (h)erkennen als poëzie. Het is duidelijk dat Erik Jurgens niet-rijmende, niet-metrische, al met al wat hij noemt ‘structuurloze’ gedichten niet als zodanig (h)erkent, waarbij de mate van activiteit die hij daarmee uitoefent in feite in het midden blijft. Natuurlijk valt er vervolgens met Jurgens te discussiëren, en misschien weet je hem misschien tot het een of ander over te halen, maar dat reduceert het initiële feit van zijn ervaring niet.

Natuurlijk valt er vervolgens met Jurgens te discussiëren, en misschien weet je hem misschien tot het een of ander over te halen, maar dat reduceert het initiële feit van zijn ervaring niet.

Al met al is het, denk ik, nuttig om, in plaats van te blijven denken over een enkele definitie van poëzie, na te denken in termen van een fenomenologie van poëzie. Dat wil zeggen: gegeven dat er ervaringen van poëzie zijn (zoals er voor een fenomenologische beschouwer godservaringen zijn, ook als je zelf atheïst bent), is het de vraag: wat maakt deze ervaringen mogelijk? Welke structuren moeten er bestaan willen deze ervaringen überhaupt kunnen plaatsvinden?

Het gaat dus niet om de vraag of een bepaalde definitie juist is, maar steeds weer op basis waarvan het mogelijk is hem te formuleren. Dat procedé geeft ons allerlei aspecten die belangrijk zijn voor specifieke lezers of instanties, willen zij iets kunnen ervaren als zijnde poëzie. Dat heeft niet te maken met agency, maar met de voorwaarden voor bepaalde vormen van bewustzijn en ervaring überhaupt.

‘💃🏽🌻💃🏽 i will be reflecting 🌞’

Op 31 oktober plaatst Rupi Kaur op Instagram de zin ‘together we are an endless conversation’, schuin boven een tekening van een oude platenspeler. Ik kan van alles van die zin vinden (ik kan hem afgezaagd vinden, of hol, of te algemeen, of erg goed, of prikkelend, of ik kan er vrij onverschillig tegenover staan). Wat ik in elk geval weet, is dat, als ik de zin zou tegenkomen in een langer gedicht van bijvoorbeeld Ben Lerner, of Rainer Maria Rilke, ik hem in elk geval niet meteen af zou schrijven, noch meteen ‘slecht’ zou vinden. Ik ben daardoor dan ook geneigd Rupi Kaur hier het voordeel van de twijfel te geven.

Die formulering, ‘het voordeel van de twijfel geven’, lijkt misschien mijn initiële houding tegenover Kaur te verraden, al gok ik dat het daarmee om een vertekend beeld gaat. Het geval wil dat ik erg graag een stuk over Kaur op Klecks had geschreven, en haar twee bundels meer dan eens in de boekhandel heb opgepakt met het doel ze daartoe aan te schaffen. Maar wanneer ik daarin vervolgens bladerde, overkwam me vaak het besef dat ik geen idee had wat ik er inhoudelijk over zou moeten, of zelfs kunnen zeggen. Zoals ik eerder in dit stuk schreef: ik was vlug uitgelezen. En stukken op Klecks hebben toch vaak te maken met dat ik het gevoel heb iets te kunnen zeggen in de wake van een bepaald gedicht, of een bepaalde bundel.

Naast het plaatje schrijft Kaur overigens meer dan die zin. ‘it’s the last show tonight 💃🏽🌻💃🏽 but our conversations are endless my loves. i will be reflecting on all of the ones we’ve had over the last month until we meet again 🌞’ Blijkbaar is ze op tour geweest, is de tour ten einde, is dit op een bepaalde manier een gelegenheidsgedicht. Het doet me ook meteen denken aan de haikutraditie, waarin gedichten heel vaak fungeren als bijvoorbeeld een groet of een compliment, en waarbij, al met al, gedichten een bepaalde rol vervullen binnen een groter sociaal geheel. Zo bestaat daarin ook het genre van de haibun, waarin prozateksten (zij het reisverslagen, dagboeken of essays) met haiku worden afgewisseld en daarmee samen een geheel vormen. (Dat het niet altijd helemaal duidelijk is, zoals met poëzie, wat haibun precies behelst, benoemt Hiroaki Sato helder in On Haiku, dat recent verscheen.)

Ik kan die vergelijking natuurlijk alleen maar maken omdat ik me ooit wat heb verdiept in de haiku en aanverwante zaken, en het is helder dat mijn verhaal hier de breedte behoorlijk op kan zoeken. Is het antwoord op definitie-vragen dan iemands hele levensverhaal? Nee. Waarom heb ik het opeens over haikai no renga terwijl ik me begon met éénregelig gedicht van Rupi Kaur? Omdat deze specifieke dingen, blijkbaar, voor mij meespelen wanneer ik deze specifieke regel lees, en de vraag begint mee te spelen of ik die al dan niet als poëzie ervaar.

Waar het mij vooral om gaat is om aan de hand van zo’n fenomenologische blik onze verhouding tot definities te heroverwegen.

Natuurlijk is het voor veel studies of discussies helemaal geen werkbare methode om zo’n fenomenologie op te stellen voor alle meespelende lezers en instituten (al zou ik de moed niet zo snel opgeven, er zijn heel grondige en mooie bottom-up geschiedenisboeken geschreven, die begonnen bij allerhande groepen lezers, afwijkende edities van boeken, drukkersculturen, sociale en theologische contexten, enzovoort). Waar het mij vooral om gaat is om aan de hand van zo’n fenomenologische blik onze verhouding tot definities te heroverwegen.

Er is, overduidelijk, geen eenduidige definitie van poëzie. Als die er al is, dan zijn ofwel de lezers van Rupi Kaur, ofwel de lezers van Ester Naomi Perquin, ofwel zijn de Erik Jurgens van deze tijd er geen lezers van. Iedereen die vervolgens concludeert dat er dus geen definitie of begrip van poëzie is, slaat de plank volledig mis. Er zijn, even overduidelijk als dat er geen eenduidige definitie is, overduidelijk heel veel poëziebegrippen, die allemaal een bepaalde rol spelen in de wereld. Dat het poëziebegrip niet uit te putten is, betekent niet dat er geen begrippen zijn die het op een bepaald moment beter beschrijven, die hun werk op een bepaald moment beter doen.

Het is dus heel nuttig om op bepaalde momenten een bepaald poëziebegrip te hanteren. Dat kan echter nooit het einde van de discussie zijn. De vervolgvraag, die altijd open blijft, is: waarom gebruik ik nu en hier dit begrip? Er kan iets opduiken waardoor we zullen moeten zeggen, deze definitie is voor onze huidige doeleinden niet voldoende. We kunnen iets of iemand tegenkomen waardoor we de houding of blik die we op dat moment hebben moeten herzien. Dat maakt die houding of blik niet fout, maar op dat moment ontoereikend. Waarom is dit nuttig? Zodat je, bijvoorbeeld, kunt blootleggen dat de redenen waarmee je Tim Hofman wilt afschrijven ten dele te maken hebben met ordinair elitairisme – maar wellicht ook deels, op dat moment, met bepaalde inhoudelijke kritiek, zelfs al hanteer je die inhoudelijke maatstaven op een ander moment misschien niet, of anders.

Iedereen die vervolgens concludeert dat er dus geen definitie of begrip van poëzie is, slaat de plank volledig mis.

Wat ik volgens mij vooral zeg, is dus dat de vraag of iets poëzie is, niet zozeer onïnteressant is, maar slechts het begin vormt van een overdenking, in plaats van de conclusie. De reflectie aan de hand van de vraag of iemand iets als poëzie ervaart, die op die ervaring volgt, kan ons veel meer zeggen over poëzie dan welke definitie dan ook. Ik zou met Kaur kunnen zeggen: together we are an endless conversation – ware het niet dat ook dat de dingen te simpel, eindig, en begrijpelijk voorstelt, terwijl juist daarmee ook de punt nog niet is gezet.

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel (Joure, 1993) is schrijver. Hij debuteerde met Constellaties (2014) en was laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium. Daarna verscheen zijn roman Het leven zelf (2017). Hij publiceerde verhalen, gedichten en essays in bijvoorbeeld Tirade, Revisor en Het Liegend Konijn. In november verscheen van hem Het woedeboek (2018).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *