De Regelname

‘We kunnen haar handelingen alleen maar van een afstand bekijken’ – Peter De Voecht over Sylvia Plath, angst, en werken met intuïeties

Illustratie: Jelko Arts
Illustratie: Jelko Arts

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. We vragen een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.

In deze aflevering: Peter De Voecht. Hij is de schrijver van de roman Slachtvlinders (2016) en twee prentenboeken voor volwassenen bij Uitgeverij De Eenhoorn, recent nog De vrouw van de schilder (2019). Hij publiceerde al eerder op De Optimist maar nog niet zo’n ambitieus gedicht als hij met een regel van Sylvia Plath schreef. Hoe zag zijn schrijfproces eruit?

Lees hier het bijbehorende gedicht.

‘Their shadows must cover Canada’

Uit: ‘Crossing the Water’ van Sylvia Plath (1971)

Klecks: Vertel eens iets over de regel die je hebt uitgekozen, het gedicht waaruit hij komt en de dichter die ze heeft geschreven.

Peter De Voecht: De regel komt uit het wondermooie gedicht ‘Crossing the Water’ van Sylvia Plath, verschenen in de gelijknamige, postuum verschenen bundel uit 1971. Het klinkt misschien heel groots als ik het zo uitdruk, maar voor mij hangt dit gedicht samen met een eerste echt poëtisch ontwaken. In de middelbare school had ik al wel kennis gemaakt met gedichten en analyses ervan, maar tijdens mijn opleiding fotografie (die ik overigens niet heb afgemaakt) besprak docent en dichter Dirk van Bastelaere dit gedicht met ons. Dan pas leerde ik hoe diep je kon graven in woorden en vooral de witruimtes en spaties die die woorden staande hielden.

Die bespreking is me altijd bijgebleven, bijna vanuit een besef dat het zo dus ook kon, gedichten lezen of schrijven. In ‘Crossing the Water’ zitten zoveel vormelijke en inhoudelijke schakeringen die elkaar versterken, waardoor het beeld van het water en het bootje en de twee uit papier gesneden mensen erin een ruimtelijkheid krijgen die veel groter is dan hun silhouetten, net zoals de bomen van wie de schaduwen uit deze regel zijn, groot genoeg worden om heel Canada te bedekken.

Sylvia Plath ontnam zichzelf van het leven op dertigjarige leeftijd. Ze had nog eten klaargezet voor haar kinderen, alsof het een laatste stap was die ze nog moest volmaken. Daarna verstikte ze zichzelf in haar gasoven. De wrede combinatie van een soort laatste zorg voor haar kinderen met het volledig laten gaan van elke vorm van connectie met de buitenwereld resoneert diep in me. Vandaar ook dat ik tweemaal verwijs naar doodmoederen in mijn gedicht. We kunnen haar handelingen alleen maar van een afstand bekijken en proberen via ons empathisch vermogen dicht genoeg komen om tot begrip te komen. Misschien is mijn gedicht wel zo’n poging, of tenminste, een poging van de ik-verteller die de rol van het in het leven achtergelaten kind opneemt.

Ze had nog eten klaargezet voor haar kinderen, alsof het een laatste stap was die ze nog moest volmaken.

Het was voor mij een schrijfproces waarbij ik het rationele voldoende wilde loslaten en net intuïtiever probeerde werken. Net zoals het ik-personage kan wensen dat de moederfiguur gewoon het leven als leven moest beschouwen en niet als iets meer complexer, zo mocht dit gedicht gewoon het gedicht zijn wat het moest zijn – op ongewone wijze.

Niet alleen tracht ik te wijzen op de achterblijvers bij zelfdoding en hun verwoede poging tot begrip, maar ook op de diepgewortelde gevoelens die bij zo’n persoon moeten zitten, in het meest bijzonder de alles overwoekerende angst die bij zoveel mensen aan de grondslag ligt van het onvermogen tot handelen, de nood aan het onvermogend handelen, of zelfs de nood aan roekeloos handelen.

K: Welke rol speelde de dichtregel tijdens het schrijven van het nieuwe gedicht?

PDV: De schaduwen waarover het gaat in de versregel, zijn die van de bomen die langs het water komen drinken. Dat ze, in mijn gedicht, wel Canada moeten bedenken in plaats van bedekken gaat voor mij over de implicatie dat degene die die projectie maakt, zich inbeeldt dat ze zo groot moeten worden of met zovelen moeten zijn, terwijl het tegelijkertijd wijst het op de onmogelijkheid ervan, alsof elk van hun schaduwen zo gigantisch overkomt dat ze dat hele enorme land moeten bedekken.

De regel kan zo ook gelezen worden als iets dat angst inboezemt, dat het gaat over iets dat groter is dan ons begrip, en zo raakt aan het concept van het Sublieme, waarin overweldigende fascinatie en een verpletterend gevoel van de eigen nietigheid een betekenisvolle overlap vinden. Bovendien vind ik de regel bedrieglijk eenvoudig: hij is niet zo spectaculair als een ‘Are you not blinded by such expressionless sirens?’, een andere regel uit Plaths gedicht, maar de waarde van de regel schuilt voor mij in de ‘must’. Bovendien groeien de schaduwen hier uit de initiële scène-zetting waarin alles zwart is: ‘Black lake, black boat, two black, cut-paper people’ en ‘black trees’. Alsof de schaduw van een zwarte boom een tweede stap in het duister is, een diepte onder de diepte. Die toch ook een lichtbron impliceert – anders is er geen schaduw.

K: Je refereert in je gedicht ook aan regels van Wende Snijders en Joost Zwagerman, uit Snijders’ nummer ‘Voor alles’ (2018). Deed Plaths gedicht je al aan die tekst denken?

PDV: Ik leerde Wende’s nummer veel later kennen dan Plaths gedicht. Een vriendin van me liet het enkele maanden geleden horen, tijdens een gesprek waarbij we het hadden over met al te veel voorzichtigheid in het leven staan. Het nummer hechtte zich meteen aan me vast. Er wordt, vind ik, iets heel wezenlijks gezegd over angst en de onmogelijkheid om ten volle te leven door hoe die angst ons lamlegt. Toen de opzet voor het gedicht en de thematiek meer en meer vorm begonnen te krijgen voor me, besefte ik dat ik de connectie met dit nummer wilde maken. Het zegt op een andere manier iets over de levensangst die ik met Plath wilde belichten. Maar ook het tegendeel van die angst wordt in het nummer geboren. Hoe de songtekst evolueert van een koude wereld vol onzekerheden of dingen die te groot zijn – groot als de schaduwen van bomen die wel Canada moeten bedekken – naar een liefdesverhaal, vanuit dat soort puurheid, op het einde.

Uiteraard is het geen toeval dat ik hierbij koos voor een tekst van Zwagerman, die net zoals Plath ervoor koos zijn eigen leven te beëindigen.

Ik vond het zinvol een fragment uit de songtekst te nemen en dat het hele tweede deel van het driedelige gedicht te laten zijn en de verbinding met de context de aanzet te laten zijn voor een transformatieve invulling. Door verschillende zaken bij elkaar te plaatsen – een schedel bij een glas water, een flard songtekst in een gedicht, de Marianentrog die uit een oogbol gesneden wordt – ontstaat er weer een nieuw betekenisveld. Vaak is dat ook de manier waarop poëtische beelden geboren worden.

Ik wilde tijdens het schrijfproces kijken hoe het fragment uit ‘Voor alles’ zich verhield tot de vorming van hetgeen er rond uitbotte. Uiteraard is het geen toeval dat ik hierbij koos voor een tekst van Zwagerman, die net zoals Plath ervoor koos zijn eigen leven te beëindigen. De vraag wat er nodig is om op zo’n punt te komen dat je die beslissing maakt is er één die voor mij tussen de regels van het gedicht sluimert. En natuurlijk heerst ook de vraag waar de eerder vermelde lichtbron voor die schaduwen zit, die schaduwen groot genoeg om Canada te bedekken, net zoals in het nummer van Wende een ommezwaai plaats vindt naar het einde toe. Misschien is dat wel waar de weerballonnen de dennennaalden en de bodem de zon raken, en er voor angst even, heel even, geen plaats meer is – lang genoeg om weer adem te halen.

K: Je geeft aan dat je bij het schrijven van dit gedicht het rationele voldoende wilt loslaten om intuïtie een kans te geven. Hoe houd je vervolgens grip op je gedicht – hoe voorkom je dat je eigen ideeën over wat je wilt schrijven te veel afwijken van wat er op papier komt te staan?

PDV: Ik doe al jarenlang aan vechtkunst. Een van de opmerkelijkste dingen die ik daarbij ontdekte was hoeveel meer mijn lichaam ‘weet’ dan ikzelf, of omgekeerd, hoezeer ik mijn lichaam vertraag. De beste acties maak ik op momenten dat ze ‘gebeuren’, dat ik de tijd niet heb om ze te bedenken, dat mijn lichaam handelt op basis van fysiek geheugen en daarbij uit pure noodzaak het tussenstation van mijn brein vermijdt. Dan pas merk je waartoe je in staat bent.

In de film Enter the Dragon (1973) zit een scène waarin Bruce Lee het als volgt beschrijft: ‘And when there is an opportunity, I do not hit, it hits all by itself.’ Dat it, het het, daar blijf ik naar op zoek binnen poëzie. Waarbij het zoeken automatisch dat intuïtieve het in de weg staat. Maar tegelijk kom je niet op het punt waarop het het kan raken zonder de nodige ervaring, of de nodige tikken tegen je hoofd op de weg daarnaartoe.

Ik hou erg van Emily Dickinsons versregel ‘Tell all the Truth but tell it slant’. Dat indirecte, de omweg, dat is de stilte tussen de noten die de muziek maakt. Maar om de juiste omweg te kunnen maken moet je de eindbestemming kennen, en het begin: in dit geval angst om de angst zelf (het gedicht begon zelfs met de angst eraan te beginnen).

Het herschrijfproces is daarnaast ontzettend belangrijk. Het gedicht heeft uiteindelijk op mijn computer ook weer (v10) in de bestandsnaam staan, waarbij je telkens probeert uit te puren. Dat blootleggen is misschien wel de finale vorm van het bewaken van de oorspronkelijke ideeën die toen nog niet onder woorden gebracht konden worden. Het onnoembare zal woordeloos blijven, maar ook ‘woordeloos’ is een woord.

De vrouw van de schilder Peter De VoechtPeter De Voecht
De vrouw van de schilder
(Wielsbeke: De Eenhoorn, 2019)

De website van De Eenhoorn

Gepubliceerd door Harm Hendrik ten Napel

Harm Hendrik ten Napel (1991) komt uit Friesland, en is via Groningen in Nijmegen terecht gekomen. Daar studeerde hij recent af in de filosofie. In 2013 publiceerde hij een bundel zeer korte verhalen bij Lemniscaat, Ze vraagt: Is dit je kamer. Hij is naast schrijver en filosoof ook boekverkoper.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *