Opinie

Psychoanalyse van Huub Beurskens

Detail uit Jheronimus Bosch - Het narrenschip
Detail uit Jheronimus Bosch - Het narrenschip

Even geleden ontstond er wat commotie rondom de poëzie van M. Vasalis. Hoofdrollen voor Huub Beurskens, Martin Reints en Jos Joosten. Onzin, slecht geschreven toonbeeld van onzin, onsamenhangende onzin, nee, nee, juist een ingenieuze tegenstelling van orde naar onorde, enzovoort, enzovoort. Om maar even te benadrukken: men vraagt zich maar weer eens af wat zinnig en redelijk is, en wat niet.

In onderstaand stuk reageert gastschrijver Jonathan Griffioen op met name Beurskens’ opmerkingen over Vasalis ‘De idioot in het bad,’ en op het vermeende gebrek aan samenhang tussen de ‘afzonderlijke beelden’ van dat gedicht. (Luister het hier.)

Psychoanalyse van Huub Beurskens

Terwijl ik dit schrijf ben ik bezig in Carl Gustav Jungs Antwoord op Job (1952). Daarin beschouwt hij de oudtestamentische God, Jahwe, als een personage dat een psychologische ontwikkeling doormaakt. Hij laat zien dat Jahwe eigenlijk mens wil zijn, en in Job na de jobstijding zijn meerdere herkent; Jung meent dat Job van Jahwe ‘wint.’

Ik zie mezelf graag als bizarro-Frank Koenegracht – ik ben doordeweeks dichter en op zondag psychiater. Let wel, amateurpsychiater, want ik ben laagopgeleid, in tegenstelling tot Koenegracht, die is juist heel erg hoogopgeleid. Ook ben ik een ex-patiënt, ik kreeg PDD-NOS toen ik vijf was. Ik heb mijn psychiaters onthouden, en als ik aan ze denk is dat een beetje als denken aan ex-geliefden.

Als Jung zich over Jahwe mag buigen, mag ik dat vast ook over Huub Beurskens in zijn analyse van Vasalis’ ‘De idioot in het bad.’

Ik vind het altijd een beetje zielig als een analyse het gebrek aan samenhang in een gedicht wil onthullen. Dat bewijst hoogstens het bestaan van de mogelijkheid het gedicht als onsamenhangend te lezen. Onzin zonder samenhang – zo betitelt Beurskens Vasalis’ gedicht. Maar de idioot in bad is al honderden jaren aanwezig. Beurskens lijkt over een wat beperkte en starre fantasie te beschikken, die gaat bedekken wat gewoon in de wereld aanwezig is. Hij lijkt in elk geval de grootste moeite te hebben om met Vasalis mee te komen.

Alexis De Roode noemt de argumenten die Beurskens aanvoert in een reactie PDD-NOS-redenaties:

Altijd triest als tweederangsdichters een eersterangsdichter proberen te fileren met dit soort PDD-NOS-redenaties, die vrijwel altijd berusten op het aanwijzen van metonymen als logische fouten. Taal is geen wiskunde jongens, dat zou je als dichter moeten weten.

Ik ben gewend dat mensen weinig precies over autisme spreken, en neem aan dat hij niet specifiek PDD-NOS bedoelt, dat het gebruikt wordt als synoniem voor autistisch/autistiforme. Waarom zou je anders de restgroepdiagnose als specifieke metafoor willen inzetten?

Het probleem zit hem niet zozeer in het inwisselbare gebruik van een term als autist, maar in de koppeling zelf. Als de term betekent dat er iets fout gaat voordat de redenering er is, haak ik af. Dan zegt de term dat PDD-NOS het gemankeerde resultaat produceert, alsof PDD-NOS een gemankeerd vertrekpunt is dat alleen maar gemankeerde resultaten produceren kan. Dan wijst de term simpelweg alle door PDD-NOSsers gemaakte redeneringen af. Terwijl ik in theorie mijn neiging om taal letterlijk te nemen omzeilen kan, zoals eerder al deed met de noemer van De Roode. Ik moet daar wel even voor gaan zitten, tijd voor nemen.

Dat bewijst hoogstens het bestaan van de mogelijkheid het gedicht als onsamenhangend te lezen

Toch denk ik niet dat het juist is om zo’n term als PDD-NOS-redenaties gelijk over boord te gooien. Ik vind de term bruikbaar, als je het woord redenering bijvoorbeeld vervangt door drogredenering. Ik vind het prima om zoiets te koppelen aan een specifiek soort fout, zoals er ook fouten typisch zijn voor dyslexie.

Een gevaar bij de term PDD-NOS-redenaties is dat PDD-NOS simpelweg als defect wordt toegeschreven aan een rede die verder algemeen en geldig zou zijn. Maar mensen beschouwen zintuigelijke beperkingen altijd vanuit hun eigen zintuigelijke beperkingen. Zo leek men bij Family Guy te denken dat Helen Keller roerloos in een zwembad zou blijven staan terwijl Stewie het spel Marco Polo met haar probeert te spelen. Heen-en-weerzwemmend zegt Stewie “Marco… Marco…” En Keller staat daar maar, roerloos. De premisse: Helen Keller is doof en blind en dus kan ze geen spelletjes zoals Marco Polo spelen.

Keller beschrijft in een van haar essays, die gebundeld zijn als The World I Live In & Optimism, hoe gemakkelijk mensen die zelf niet doofblind zijn vergeten dat alles tactiele eigenschappen heeft, zoals het tempo van voetstappen leeftijd geslacht en het gewicht van een lijf verraadt – de trillingen die ze voortbrengen gaven haar voldoende informatie om te weten of het mannen of vrouwen betreft, hoe oud ze zijn, hoe fit, welke richting bewogen wordt, waar ze in de ruimte zijn. Bewegen gaat met luchtverplaatsing gepaard, die kan gevoeld worden.

Als je een defect simpelweg van de rede aftrekt, blijf je je eigen compleetheid veronderstellen. Alsof je zelf geen aapje bent met zintuigelijke beperkingen.

Het proberen me een beeld te vormen van zulke bloemen hield me meer bezig dan dat van de voorstelling van de voeten, waar het toch om zou moeten gaan, nietwaar.

Aldus Beurskens. Hij stelt: poëtisch bedoelde onzin is nog altijd onzin, en poëzie is onzin tot het tegendeel bewezen is. Hij moet niets van onzin hebben, onzin zoals het tot bloemen hallucineren van tenen – terwijl hallucineren toch echt een reguliere hersenfunctie is. In zijn lezing komt het niet voor. De bloemen zijn er niet. En tenen zijn ook helemaal geen bloemen. Tenen zijn zo schijnt belangrijker dan bloemen. Het is toch waar het om zou moeten gaan, nietwaar.

De idioot in het bad kan alleen met veel moeite zijn tenen als bloemen zien, aldus Beurskens, omdat als Beurskens in bad zit, en zijn tenen ziet, hij grote moeite moet doen om bloemen te zien, want het zijn tenen die hij ziet, en géén bloemen. Voetvormige bloemen, met vijf bloemkoppen! Je kan het je niet voorstellen of je hebt het je voorgesteld.

Beurskens lijkt totaal van de belevingswereld van de idioot verstoken, een beetje zoals een autist van de belevingswereld van de ander verstoken kan zijn. Ik vind Beurskens’ redeneren een bepaalde schoonheid bezitten – een schoonheid die ik autistisch wil noemen.

Ik zie vaker schoonheid in waanzin. Zoals bij het verhaal van een gemarginaliseerde vrouw die in de GGZ-isoleercel op de vloer lag te huilen, en plots werd bezocht door het idee dat zij een engel was. Op die manier werd door de psychose haar eigenwaarde afgedwongen op het moment dat het lichaam en de geest van alle keuzevrijheid en alle contact met anderen beroofd was.

Ik vind Beurskens’ redeneren een bepaalde schoonheid bezitten – een schoonheid die ik autistisch wil noemen.

De onsamenhangende onzin die Beurskens leest bestaat vanwege het gebrek aan een theorie van anderen, een theory of mind. Beurskens snapt, als we die theorie volgen, het verschil niet tussen zijn tenen en die van de idioot in het gedicht, wanneer die als bloemen worden gezien. Bleke bloemen. Die ook weer slaan op idioten. Beurskens zit steeds ongeduldiger te wachten tijdens deze elegante beeldtaal, die getrapt komt (eerst als tenen, dan met tenen als bleke bloemen, dan als metafoor voor het tragische leven van de idioot zelf als een bleke bloem tussen de bloemen). Beurskens wacht en wacht tot er bad-activiteiten voorbijkomen, zoals het wassen van een kuit, of van een oor, met een spons, die wellicht geel moet zijn, maar rood mag ook. Wie bad zegt moet ook spons zeggen. Een bad nemen zonder spons is onsamenhangende onzin.

Voor Beurskens lijkt poëzie pas te kunnen slagen als hem een bepaalde scherpte geboden wordt – als duidelijk is waar hij bijvoorbeeld in een bus zit, aan welke kant, wat er aan die kant aan landschapselementen onderweg van A naar B voorbij zou komen.

Ik ga dus voorzichtig mee in de typering van De Roode.

De idioot in bad is geen onsamenhangende onzin. De idioot zit al eeuwenlang in bad. Eeuwenlang is onderdompeling voorgeschreven aan idioten en werden idioten als verrassing achterwaarts in een bad gekieperd. De plotse confrontatie met het water heeft vele fantasieën van artsen op bezoek gehad, en gaat in elk geval terug tot de 16e eeuw. Een manische gek viel van de kar waarop hij vervoerd werd, en toen hij uit het water kwam, was hij genezen. Dit voorschrijven van water en beweging is intussen door verschillende mythische gestalten bezocht – de leer van de vochten, de vezels, de gassen, de zenuwen. De verbintenis tussen lichaam en geest.

Die idioot zit niet zomaar een beetje in bad onsamenhangende onzin te vertegenwoordigen. De idioot in bad is zijn historische positie aan het innemen die hij al eeuwen in de geschiedenis van de psychiatrie inneemt. De idioot zit zwijgend in bad, en Vasalis zoekt een soort toenadering. Ik zeg ‘een soort,’ want ze voert namens de psychiatrie de monoloog van de Rede over zijn waanzin.

En dan duikt Beurksens op om met zijn autistische drogredenering ook Vasalis en met haar de psychiater bij de waanzin te parkeren, tot onsamenhangende onzin hernoemd om haar meer te vergeten.

Eigenlijk ben ik gewoon teleurgesteld in Beurskens. Hij lijkt een leuk spel te hebben gevonden dat hij speelt om te komen tot het soort gedichten dat hij graag leest. Welk gedicht is het beste ter wereld? Dat vind ik een mooie zoektocht binnen de poëzie. Beurskens zoekt naar dat wat ontegensprekelijk iets teweegbrengt in Beurskens. De autistische drogreden filtert de gedichten die een beroep doen op te complexe sprongen, bijvoorbeeld tussen invalshoeken van verschillende subjecten in dit gedicht van Vasalis.

Vasalis lijkt niet van plan om Beurskens als lezer te behagen, maar probeert juist iets heel anders – de belevingswereld van de idioot te benaderen, zo stelt zij zich voor. Die benadering, daar peinst Beurskens niet over. Die is aan het filteren. Beurskens moet weten waar hij is, en dan kan hij kijken – aan de hand genomen door de scherpte terwijl Vasalis juist de waas, het wazige, wil laten bestaan.

De autistische drogreden filtert de gedichten die een beroep doen op te complexe sprongen

Ik vind eigenlijk vooral niet dat de botsing die hij meemaakt Vasalis toegeschoven mag worden. Alsof het gedicht iets doet wat Beurskens, namens de rede, simpelweg als onzin mag toevoegen aan de berg onzin.

Ik geloof niet dat hier geen begripsvorming mogelijk is. Niet van de voet die een bloem voorstelt, maar van een idioot in een bad die al drie nachten niet heeft geslapen – wat trillingen veroorzaakt, zijn vermoeide spieren rond het oog, het ooglid beweegt mee terwijl de idioot blijft kijken. Alles is aan het trillen in zijn ogen. Je tenen lijken omhoog te bewegen als je met trillende oogleden naar ze kijkt. Iedereen kan een fallusvorm in plant- en bloemstengels en tenen herkennen. De idioot ziet niet de voet zoals Beurskens zijn voet ziet. De idioot zijn zintuigelijke beperkingen zijn verschoven. Alles is heel licht aan het trillen. De idioot ziet zijn voet bewegen, probeert het scherper te zien, zijn teenstengels lijken te groeien. Iedereen met die specifieke visuele verstoring zou die associatie kunnen hebben. Groeiende stengels, penissen, bloemen. Om tot die begripsvorming te komen heb je nog geen inlevingsvermogen nodig. Dit is allemaal fysiologie.

En zelfs als het niet lukt je dat voor te stellen, kun je verder lezen door gewoon te erkennen dat die idioot in dat bad zijn voet voor een bloem aanziet. Of die voet een bloem is, wordt eigenlijk niet aan de lezer gevraagd. We hebben de mogelijkheid om die waarneming als van de idioot op te vatten. Het is geen vraag die het gedicht aan de lezer stelt, die noodzakelijk een antwoord zou behoeven.

Vasalis lijkt gelijktijdig met de idioot in het bad en met twee grote vragen bezig: Wat is waanzin? En: Hoe beleeft de gek zijn waanzin? Het antwoord lijkt door dichters vaak te worden gegeven in de vorm van een onoplosbaar element in de syntaxis. Juist door gaten te laten vallen, zinsdelen te schrijven die geen fundament vormen voor wat volgt. Die leemte, stilte, blindheid, doofheid, het ontbrekende verband dat de waanzin is, is deel van de wereld. Die kan er niet door Beurskens buiten worden geplaatst.

6 gedachten over “Psychoanalyse van Huub Beurskens”

  1. Huub Beurskens zegt:

    Beste Jonathan Griffioen,

    mag ik, met alle respect voor je doorwrochte betoog, mijn autisme een beetje verdedigen of toelichten? Als ik het goed begrijp vind je dat ik niet in staat ben me in de beleving van de idioot van Vasalis’ gedicht ‘De idioot in het bad’ in te leven. Daar heb je een punt. Maar ligt dat uitsluitend aan mijn autistische psyche of word ik ook door iets in het gedicht zelf belemmerd?
    De eerste drie strofen van het gedicht tonen toch vooral de gebeurtenissen van ‘buitenaf’ gezien, in elk geval niet door de ogen van de idioot. En dan komt de vierde strofe:

    ‘Zijn zorgelijk gezicht is leeg en mooi geworden,
    Zijn dunne voeten staan rechtop als bleke bloemen,
    Zijn lange, bleke benen, die reeds licht verdorden
    Komen als berkenstammen door het groen opdoemen.’

    Door het eraan voorafgaande lees ik dat drie maal gebruikte bezittelijke voornaamwoord ‘zijn’ nog steeds vooral als door een blik van buiten het bad, en dat ‘zijn zorgelijk gezicht’ ‘leeg en mooi’ is geworden zal de idioot toch niet van zichzelf vinden, lijkt me. Die eerste regel van deze strofe eindigt ook niet met een punt maar met een komma.
    Maar wat als er bijvoorbeeld het volgende zou hebben gestaan?

    ‘Zijn zorgelijk gezicht is leeg en mooi geworden.
    Hij ziet zijn dunne voeten staan als bleke bloemen,
    Zijn lange, bleke benen, die reeds licht verdorden
    Komen als berkenstammen door het groen opdoemen.’

    Je zou van mij geen gesputter of gespetter hebben vernomen, integendeel. Wat een mooie overgang en verplaatsing zou dat zijn geweest, van het zien ván het gezicht naar het zien mét dat gezicht…! Een leesteken en een paar woorden, meer is het niet. Ik was op slag van mijn autisme af geweest en had de bloemen samen met de berkenstammen zonder meer geaccepteerd en het verschijnen ervan meebeleefd, zoals ik met de krankzinnige van Gogol mee leef wanneer hij zegt de koning van Spanje te zijn.
    Nu kan men wel beweren dat het in dat gedicht ook zo ‘bedoeld’ is, maar waar dichtkunst het van bedoelingen moet hebben, ben ik toch liever een kommaneukende autist, een pietlut overigens die niet per se logica of ratio als ‘zin’ tegenover ‘onzin’ beschouwt.
    Intussen doet zich natuurlijk het idiote verschijnsel voor dat ik dat gedicht van Vasalis inmiddels in mijn hoofd heb zoals ik het gelezen had willen hebben en zoals het wellicht de bedoeling was…
    In de hoop dat ik je nu niet nog meer tegenval en dus op enige clementie,
    met een vriendelijke groet,
    Huub Beurskens

  2. Benno Barnard zegt:

    Twee aantekeningen bij deze interessante conversatie.

    1. Ik heb grote bezwaren tegen een verschijnsel dat onze beschaving nu al meer dan een eeuw aankleeft, namelijk het psychologiseren en psychiatriseren van de onschuldigste persoonlijke eigenaardigheden (en daarbij als noodzakelijke consequentie het therapeutiseren van de halve westerse mensheid). Ik ken verscheidene autisten, die aan diverse vormen van autisme lijden, en daarnaast ken ik Huub Beurskens nogal goed – ik kan iedereen verzekeren dat hij van alles is, maar beslist niet autistisch.
    2. Ik betreur het dat de door mij gewaardeerde Alexis de Roode over Huub Beurskens spreekt als een tweederangsdichter. Als ik niet zo lui was, zou ik in een essay kunnen aantonen dat Beurskens in zijn beste werk een briljant dichter is.

    Met vriendelijke groet,
    Benno Barnard

    1. Roelof ten Napel zegt:

      Volgens mij gaat dit stuk niet over de vraag of Beurskens autistisch is (en het zou niet geven als hij dat was) – het verschijnsel autisme wordt door Griffioen gebruikt om een specifiek soort ‘drogreden’ te benoemen. Zie ook de zin: ‘Ik vind het prima om zoiets [als de term autisme] te koppelen aan een specifiek soort fout, zoals er ook fouten typisch zijn voor dyslexie.’ Ook iemand zonder dyslexie kan fouten maken die typisch zijn voor dyslectische medemensen, en precies zo wordt in dit stuk de term autisme gebruikt.

      Ik zie, op persoonlijke noot, de strekking van Griffioens stuk in Beurskens’ reactie alleen maar bevestigd. Griffioen geeft aan dat Beurskens niet meegaat in impliciete perspectiefwisselingen, Beurskens geeft aan dat hij daar best in mee was gegaan als die geëxpliciteerd waren. Het punt is nu juist dat je zo’n sprong óók kunt maken als dat niet zo expliciet wordt gemaakt, maar dat Beurskens als lezer hier getypeerd wordt als iemand voor wie zulke impliciete mogelijkheden niet worden benut. (Dat is, wat persoonlijke voorkeuren betreft, iemands volste recht – maar kan Vasalis niet als tekortkoming worden toegeschoven.)

      1. Huub Beurskens zegt:

        De onderliggende, al dan niet bewuste gedachtegang zou dus moeten zijn: hoewel je het taalkundig zo kunt lezen, is het inhoudelijk onzin dat de observerend vertellende instantie zelf, dus vanuit haar of zijn eigen fysieke en psychische standpunt buiten idiotie en bad, die voeten als bloemen en die benen als berkenstammen ziet – precies zoals ik heb beweerd –, dus verandert men van de weeromstuit als lezer vanwege een nochtans vooronderstelde logica binnen een en dezelfde grammaticale zin (mee) van kijker náár de idioot in kijker áls de idioot. Mij best, al vind ik het vooral getuigen van toeschietelijkheid jegens een instantie of strofe die versintern autistisch is.
        Wordt er trouwens niet erg veel soesa gemaakt rond een teleurstelling van een poëzielezer?

        1. Roelof ten Napel zegt:

          Nee, het is geen onzin om de vertellende instantie die waarneming te laten doen, het is simpelweg niet de enige mogelijkheid – zulke dingen kunnen naast elkaar bestaan. (Je kunt het hele gedicht ook lezen als in een ruime vrije indirecte rede, dan treden er helemaal geen perspectiefwisselingen op, maar kun je de waarneming alsnog aan de idioot toeschrijven.) Maar een strofe ‘versintern autistisch’ noemen klinkt in elk geval al heel anders dan het vers zelf ‘onsamenhangende onzin’ noemen – dus ik geloof dat men het langzaam aan eigenlijk gewoon eens is geworden, zij het met verschillende waardering voor het gedicht in kwestie.

          (Verder is deze plek aan weinig anders gewijd dan poëzieleessoesa, zeker als het mooie stukken als hierboven oplevert.)

          Dank voor de reacties, nog.

  3. Benno Barnard zegt:

    Nee, het stuk gaat inderdaad niet over de vraag of Beurskens autistisch is; de ontkenning daarvan is maar een kanttekening van mij, zij het geen onbelangrijke in menselijk opzicht. Met de eigenlijke discussie laat ik me verder niet in.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *