De Regelname

‘Als ik mijn gedichten teruglees zie ik dat ze vaak dubbele of valse boodschappen bevatten’ – Asha Karami over onwerkelijkheid, conditionering, dromen, en zomer in de Bijlmer

Detail uit de illustratie van Reinout Dijkstra
Detail uit de illustratie van Reinout Dijkstra

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. We vragen een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.

In deze aflevering: Asha Karami. Komende zaterdag draagt ze voor op de Nacht van de Poëzie, eerder stond ze al in de finale van het NK Poetry Slam. Ze studeerde aan de Schrijversvakschool, en gedichten van haar verschenen eerder in literaire tijdschriften als Terras, Het Liegend Konijn, De Gids en Revisor. Haar debuutbundel, Godface, verschijnt binnenkort.

Lees hier het bijbehorende gedicht.

‘o – mijn vriend – deze wereld is niet de echte’

Uit ‘ik heb mij met moeite alleen gemaakt’ van Hans Lodeizen.

Klecks: Vertel eens iets over de regel die je hebt uitgekozen, het gedicht waaruit hij komt en de dichter die hem heeft geschreven.

Asha Karami: Het was niet mijn eerste keuze. Ik begon met:

‘It is time to curb my inspiration and to pause a while along the way, as when one looks at a woman’s vagina.’

Een regel uit de Engelse vertaling van ‘Les Chants de Maldoror’ van de Lautréamont.

Hierop heb ik écriture automatique toegepast met een mindfold op (een oogmasker waarbij je je ogen open kunt houden, maar die geen licht doorlaat) en de wekker vier uur later gezet. In deze duisternis heb ik veel zinnen opgeschreven, maar het werd een te psychedelisch en kleurrijk geheel. Ik ben daarom opnieuw begonnen, met een nieuwe regel. Ik zie wel dat het neonlicht van het eerste gedicht over het uiteindelijke gedicht valt.

Ik kwam kort erna deze regel tegen van Lodeizen. Een typische romantische notie waar ik weleens mee speel in mijn gedichten. Als ik mijn gedichten teruglees zie ik dat ze vaak dubbele of valse boodschappen bevatten, waardoor betekenis of zingeving iets fictiefs of betwistbaars wordt. Enerzijds is het idee – dat de wereld niet echt is – een voelbaar dilemma en anderzijds een cliché; een mystieke zoektocht die hoort bij óf een periode van de ideeëngeschiedenis óf een fase in de adolescentie, een fase waarin je eigen identiteit onvast is, je nog zoekt naar wie je bent en je wat je plek is in de wereld. Je lichaam is buiten je controle veranderd en er is seksualiteit.

Lodeizen was zelf ook jong toen hij zijn werk maakte, een jongen van een hoge socio-economische positie, hij had zijn studie zelfs gedeeltelijk in het buitenland gevolgd, had homoseksuele contacten die zijn vader afwees en koos voor de ideeënwereld van de literatuur in plaats van een meer tastbaar, praktisch beroep.

In het gedicht van Lodeizen is de regel ambigu, het kan ook gaan over poëzie of het gedicht zelf – dat de wereld van literatuur niet de echte is. Hij verwijst naar fictie ‘het zeventiende jaar van Venetië en zachtjes, zachtjes slaan zij het boek dicht’ (verhaal in een verhaal) en schoenen ‘van perkament’. Literatuur is per definitie nadenken over de werkelijkheid, wat Lodeizen hier suggereert. Of je reflecteert erop, of je observeert het en spiegelt, of je creëert nieuwe werkelijkheden.

In mijn gedicht is op een pilaar onder de A6 het woord ‘niet’ weggestreept. Dan wordt het: ‘o – mijn vriend – deze wereld is de echte’. Dit is de echte wereld. Wat de lyrische ik, een puber, confronteert terwijl ze op skeelers, met haar zonnebril op, deze periode van haar leven in de Bijlmer probeert door te komen. In plaats van de werkelijkheid af te wijzen wordt het juist een affirmerende regel. (Ik moet hierbij denken aan Deleuze die affirmatie verkiest boven negatie. In plaats van bekritiseren of afwijzen van het bestaande zorgt affirmatie er eerder voor dat je vervolgens juist ‘iets’ van de wereld gaat maken, iets gaat creëren/bedenken binnen die werkelijkheid.)

K: Het gedicht van Hans Lodeizen waaruit je een regel hebt genomen heet ‘ik heb mij met moeite alleen gemaakt’. In jouw gedicht wordt het lyrisch ik zelf nooit teruggebeld. Hoe heb je je tijdens het schrijven tot de oorspronkelijke thematiek willen verhouden?

AK: ‘Met moeite alleen maken’ lees ik als: het is erg moeilijk om te zorgen dat je alleen bent, je moet daar veel moeite voor doen, er zijn vaak veel mensen om je heen, die je dingen vertellen, verwachtingen van je hebben, aandacht willen etc. Het ‘alleen zijn’ is een wens. Om zelfstandige gedachten te hebben heb je ‘alleen zijn’ nodig. Voor jezelf nadenken en in je gedachten afwijken is ook een vorm van alleen zijn. In het geval van Lodeizen zie je dat hij veel stappen heeft genomen om ‘zich alleen te maken’ – in het buitenland studeren, beroepskeuze, zijn seksualiteit uiten – ondanks alle autoritaire invloeden om hem heen die ertegen waren.

In mijn eigen gedicht lijkt de lyrische ik juist op zoek naar connectie. Het grootste thema voelt voor mij als vriendschap, liefde en fascinatie zonder obsessie. Uiteindelijk wordt de relatie tussen de personages een monetaire. Er wordt aan het eind alleen nog afgerekend.

Ontsnappen aan de werkelijkheid kun je ook doen door je richten op een ander. Er is dan zoveel projectie dat het weinig met de werkelijkheid te maken heeft. Uit mijn ervaring voel je je juist eenzamer als je je veel op een ander (of anderen) richt wat niet met werkelijk alleen zijn te maken heeft.

Wacht, wat was de vraag ook alweer? Ik denk dat het woord ‘vriend’ me vooral raakte in de gekozen regel. En waarschijnlijk voerde de adolescente vibe me terug naar mijn tienerjaren in de Bijlmer, naar zomerdagen die zo desolaat en tegelijk vrij en wijds voelden. Je was vrij en moest je vermaken in dat gebied dat niet helemaal veilig voelde.

K: Er is een moment in het gedicht waarop het lyrisch ik te horen krijgt dat de ervaren wereld een illusie is, door de vrouw op straat. Wat fascineert je aan dat idee, of aan mensen die dat denken?

AK: Het concept van tijd wordt inderdaad afgewezen door een vrouw die later door de politie wordt afgevoerd. Ik vind het interessant dat velen moeite hebben met mensen die de (afgesproken) werkelijkheid bevragen. Ik heb hier wel theorieën over.

We zijn onvermogend de wereld direct te ervaren. Wat je ervaart als ‘waar’ heeft meer te maken met hoe je zintuigen en brein functioneren en bestaande geconditioneerde gedachten dan met de werkelijkheid.

Het is ergens ook een christelijk idee, dat deze wereld niet de echte is (en het hiernamaals wel). Ik hoop dat in mijn gedicht het inzicht dat dit de echte wereld is als een schok overkomt. Als er een echte en niet echte wereld is, zeg je dat iets echter is dan iets anders, dat er een hiërarchie is. Door verschillende visies evenveel ruimte te geven zorg ik voor anarchie. Ik denk dat ware harmonie en collectieve levensvreugde alleen kan ontstaan als iedereen over zichzelf kan beschikken en over niets en niemand anders.

Terzijde: ook bij een psychedelische ervaring of in een intense meditatieve toestand kun je zulke diepe en rijke gevoelens ervaren dat de normaal ervaren wereld daarbij onecht lijkt.

K: Om het gedicht bij deze regel te schrijven, wilde je in eerste instantie écriture automatique gebruiken. In je komende bundel, Godface, staan gedichten waarin je gebruik hebt gemaakt van notities van dromen. Hoe belangrijk vind je het om die thematiek, van onzekerheid en het onbewuste, ook te verweven in het schrijfproces zelf? Waarom?

AK: Het bewustzijn, onderbewustzijn en collectief bewustzijn vind ik alle drie fascinerend. Ik vind het interessant om te onderzoeken en bloot te leggen hoe je als mens geconditioneerd bent. Wat zijn je automatische reacties, wat zijn je verwachtingen en hoe is het als die gedwarsboomd worden? Om mezelf ook uit te dagen en te onderzoeken probeer ik niet alleen op mijn gedachten te vertrouwen maar ook andere onvoorspelbare bronnen aan te spreken zoals écriture automatique en dromen. Dit roept voor mij belangrijke vragen op: Welke rol hebben gedachten in mijn poëzie? Wat is de bron van creativiteit? Ben ik alleen een curator van de zinnen die tot mij komen? Wie is dan de maker? Leest het publiek een gedicht dat ik uit een droom heb overgeschreven even kritisch als een ander gedicht? Behoor ik zelf ook tot het publiek als het een droom betreft?

Ik merk dat ik het zelf lastig vind om iets te veranderen aan de dromen zoals ik ze net ontwaakt opschrijf, omdat ik daarmee mogelijk met (kritische) gedachten de pure dromen tekortdoe. Het voelt ook radicaal om mijn droomnotities onaangepast te publiceren.

Door mijn dromen op te schrijven kan ik ook onderzoeken wat mijn psyché onbewust met taal, beeld, emotie en verhaal doet. En in hoeverre ik dit kan gebruiken voor kunst. Het is interessant om te zien wat je natuurlijke taalgebruik en syntaxis is, er komen bijvoorbeeld neologismen voor in mijn dromen. Soms blijkt zo’n woord iets te betekenen in een taal die ik niet ken. Ik zou het iedereen aanraden, je dromen beschrijven en bestuderen over de jaren heen.

godfaceAsha Karami
Godface
(Amsterdam: De Bezige Bij, 2019)

De website van De Bezige Bij

Gepubliceerd door Roelof ten Napel

Roelof ten Napel (Joure, 1993) is dichter, schrijver en essayist. Zijn poëziedebuut, Het woedeboek (2018), werd genomineerd voor de Grote Poëzieprijs, de C. Buddingh’-prijs en de Poëziedebuutprijs Aan Zee. Eerder publiceerde hij Constellaties (2014) en de roman Het leven zelf (2017), en in 2015 was hij laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *