Klecks
Klecks
Klecks
Bespreking
Wat geluk is – Over twee gedichten en een bundel van Rutger Kopland

Toen Rutger Kopland net gestorven was, kocht ik zijn verzameld werk; in Groningen, misschien tijdens Dichters in de Prinsentuin, dat weet ik niet meer. In mijn editie staan alle bundels, maar nog niet de handvol nagelaten gedichten die later in een nummer van Das Magazin werden gepubliceerd.

Daarin staat op bladzijde 390, dus op de keerzijde, een van mijn lievelingsgedichten van Koplands hand, ‘Wat is geluk’. Rechts een bijna lege bladspiegel, alleen de titel van de volgende bundel: Over het verlangen naar een sigaret. Je ziet dus ook in het verzameld werk wel dat het gedicht de bundel waarin het staat afsluit. Ik heb destijd wel gekeken welke dat was – Tot het ons loslaat – om hem eens als losse bundel aan te schaffen. Ik denk dat ik van bijna geen enkel ander gedicht van Kopland weet uit welke bundel het komt, denk dat ik überhaupt maar met moeite de losse titels herinneren kan. ‘Een lege plek om te blijven’ – was dat alleen de titel van het gedicht, of ook van de bundel waarin het stond? Alleen van de bundel, en enkel regels uit het gedicht? Weet ik niet zeker. Het orgeltje van yesterday. Wie wat vindt heeft slecht gezocht. Zover kom ik, ongeveer, gevolgd door een reeks o ja-momenten als ik naar de inhoudsopgave blader. (O ja, Onder het vee. O ja, Voor het verdwijnt, Geduldig gereedschap.)

‘Wat is geluk’, dus, uit Tot het ons loslaat, uit 1997. Afgelopen week pas kwam ik de bundel toevallig in de Slegte tegen en nam ik het mee. Voornemen in pakweg acht jaar ingelost. In Tot het ons loslaat staat het gedicht rechts, naast ‘Oneindig veel problemen’. Dat maakt de indruk anders: ‘Wat is geluk’ is korter, en dat valt op. Een kort gedicht, denk ik voor het eerst. Zo herinner ik het me niet uit het verzameld werk – in mijn herinnering vult het gedicht daar meer dan de helft van de bladzij. (Dat is niet wáár, maar zonder het langere gedicht links is er weinig visuele informatie om die vergissing, in afwezigheid van de bundel, te corrigeren.)

Hoe kan dat, vraag ik me plots af – dat ‘Wat is geluk’ in het verzameld werk op de keerzijde staat? Ook daar begint de bundel op de voorzijde van een vel. Het kost wat bladerwerk om te ontdekken dat ‘Kaart van een Grieks eiland’, waarvan de laatste strofe in de oorspronkelijke bundel los op de volgende bladzijde viel, in het verzameld werk op een enkele bladzijde past. Dat bespaart een pagina.

Wat allemaal maar wil zeggen wat we allemaal wel weten: de vormgeving van het boek beïnvloed hoe je de gedichten leest, is bepalend voor de eerste paar indrukken van waaruit je lezend vertrekt.

En wat me nu voor het eerst opvalt, is dat het openingsgedicht van de bundel – op bladzijde 361 van het verzameld werk, pas na een gigantische hoeveelheid andere gedichten – óók over geluk gaat, zelfs de regel bevat die de titel van een bloemlezing werd, ‘geluk is gevaarlijk’. Ik herinner me dat iemand dat gedicht op muziek moet hebben gezet, want herinner me dat Kopland heeft gezegd dat hij die regel niet zo dramatisch bedoeld heeft, terwijl ie door de zangeres vrij dramatisch werd gezongen. (Niet helemaal fair, denk ik: als je die regel niet zo dramatisch bedoelde, Rutger, had je hem misschien niet zo dramatisch los op een regel moeten plaatsen.)

Niet alleen gaan beide gedichten, ‘Aan een vijver’ en ‘Wat is geluk’, over hetzelfde onderwerp, ze vullen elkaar aan. Hier zijn ze:

AAN EEN VIJVER

Geluk was een dag aan een vijver
in gras met bomen
tot in de hemel omkringd

ik was er het kind van god en
mijn grootvader – beide stierven
geluk is gevaarlijk

de vijver is gaan liggen in de avond
zo spiegelglad dat hemel, bomen en gras
zich herhalen onder de aarde

angst en heimwee, beide vragen mij
terug

/

WAT IS GELUK

Omdat het geluk een herinnering is
bestaat het geluk omdat tevens
het omgekeerde het geval is,

ik bedoel dit: omdat het geluk ons
herinnert aan het geluk achtervolgt het
ons en daarom ontvluchten wij het

en omgekeerd, ik bedoel dit: dat wij
het geluk zoeken omdat het zich
verbergt in onze herinnering en

omgekeerd, ik bedoel dit: het geluk
moet ergens en ooit zijn omdat wij dit
ons herinneren en dit ons herinnert.

Daar zit de rest van de bundel tussen. Tegen de tijd dat je bij ‘Wat is geluk’ aankomt is het geluk uit ‘Aan een vijver’ dus ook voor de lezer een soort herinnering geworden. En waar het eerste gedicht nog confessioneel voelt – de dichter vertelt over een min of meer concrete herinnering aan geluk, over een herinnering aan wat geluk concreet was – is de stem in het tweede gedicht essayistisch, theoretisch, betogend: ‘omdat dit, geldt dat, omdat dit, dat, ik bedoel, zo moet het zijn.’

De particuliere herinnering vormt het vertrekpunt voor een redenering die moet gelden voor elke lezer. Omgekeerd vult het eerdere, meer particuliere gedicht de redenering aan. Eigenlijk: het vult de redenering in. ‘Wat is geluk’ blijft erg abstract – waarom is het geluk een herinnering? Wat moet ik daaronder eigenlijk verstaan? Door ‘Aan een vijver’ wordt dat helder: het geluk ‘was een dag aan een vijver’, en die dag is voorbijgegaan. Niet alleen dat, maar op die dag was de dichter er ‘het kind van god’. De dag is niet maar voorbijgegaan, maar sindsdien is het kinderlijke geloof van de dichter – en van Kopland, herinner ik me vaag uit een documentaire – ook verdwenen. Naar het geluk is niet eenvoudig terug te keren, door bijvoorbeeld naar de vijver te gaan en daar weer te gaan liggen: de god die over dat alles toen waakte, ontbreekt nu.

En tóch, lijkt de dichter te zeggen. Dat geluk heeft bestaan. De dichter was daar gelukkig. Het vreemde van elke geloofsval: god is niet maar verdwenen, maar is er, vanaf het moment van verdwijnen, met terugwerkende kracht nooit geweest. Het geluk dat nog herinnerd worden kan, moet dus toen al zonder die wakende god hebben bestaan. Maar zo is het nooit daadwerkelijk ervaren.

Het geluk moet dus ‘ergens en ooit zijn’, want we herinneren het ons. Of: de herinnering herinnert ons eraan dat het geluk heeft bestaan, dat we gelukkig waren, ook als we ons niet meer kunnen verplaatsen in wie we waren toen dat geluk er was.

Het zorgt voor een wisselwerking tussen twee strofes, de laatste van ‘Aan een vijver’ en de tweede van ‘Wat is geluk’:

angst en heimwee, beide vragen mij
terug

/

ik bedoel dit: omdat het geluk ons
herinnert aan het geluk achtervolgt het
ons en daarom ontvluchten wij het

Het geluk dat ons, herinnerend, achtervolgt, is een vraag vervuld van angst en heimwee. Het maakt het geloof, waarbinnen het geluk in herinnering nu eenmaal is ingebed, misschien weer verleidelijk; het ontvluchten is ook het ontvluchten van het gevaar dat door het herinneren wegvalt, waarvan de angel nu ontbreekt.

(Terwijl ik die regels lees, moet ik denken aan Psalm 121, hoewel ik me in de tekst vergis: ‘Ik sla mijn ogen op en zie de hoge bergen aan, / waar komt mijn hulp vandaan?’ In plaats van ‘hulp’ herinnerde ik me ‘geluk’.)

Het gedicht is natuurlijk ook algemener te lezen dan dat, zeker als je de derde strofe meeneemt: ‘dat wij / het geluk zoeken omdat het zich / verbergt in onze herinnering’. We ontvluchten het geluk omdat we het zoeken. We herinneren ons het geluk, maar op dat moment, dat we ons herinneren, waren we ons van het geluk niet erg bewust. We waren gelukkig. Geluk was een dag aan een vijver, meer niet. En juist door het te zoeken, door het na te jagen, maken we het ons nu onmogelijk gewoon te gaan liggen en, zonder het te weten, gelukkig te zijn.

(Zo schrijft ook Raymond Carver erover, in ‘Happiness’: ‘It comes on / unexpectedly. And goes beyond, really / any early morning talk about it.’)

Wat een andere, laatste lezing mogelijk maakt. Als wij het geluk ontvluchten omdat we het zoeken, en als we het zoeken omdat we ons het geluk herinneren, en die herinnering ons herinnert aan het bestaan van zoiets als geluk, hoewel we het geluk niet opmerkten terwijl we gelukkig waren, dan is het waar wat de eerste regels zeggen:

Omdat het geluk een herinnering is
bestaat het geluk omdat tevens
het omgekeerde het geval is

Het geluk bestaat als herinnering – als herinnering aan geluk. Maar de herinnering is geen herinnering aan geluk, niet echt: het is een gelukkige herinnering, aan een dag aan een vijver, liggend in het gras. Het geluk en de herinnering vallen niet precies samen, maar het geluk doemt pas op in de wisselwerking ertussen. Het doemt op, niet hier, maar dáár: bij wie niets doorhad, wie aan het water lag.

Alsof je hem daar ziet, en het hem zou willen zeggen: je bent gelukkig. Je gaat je dit moment, later, herinneren als een van de gelukkige momenten van je leven.

Geluk is als het omgekeerde van die verdwenen god: waar die laatste, sinds zijn verdwijning, ook uit het verleden verdwenen is, daar begint het geluk pas met terugwerkende kracht te bestaan, als we het ons herinneren. Het begint te bestaan als herinnering aan wat toen gewoon een dag aan een vijver was. Daarmee moet je wie al gelukkig is niet lastigvallen – die moet je daar, aan het water, laten liggen.

Kopland - TholRutger Kopland (1934–2012)
Tot het ons loslaat
(Amsterdam: Van Oorschot, 1997)