Klecks
Klecks
Klecks
Bespreking
‘Er staat niets wat er gisteren nog niet stond.’ – Over Nele Buyst, Regels

‘In haar dichtbundel onderzoekt Nele Buyst de vele vormen en gedaantes die hiërarchie aanneemt’, aldus de achterflap van Regels. Een titel die meteen een breedte aan betekenis vangt: voorschriften, dichtregels, iets minder direct ook regelmaat en gewoonte (iets dat zich ‘in de regel’ op een bepaalde manier voltrekt). Het is maar de vraag of het daarbij om verschillende betekenissen gaat. Regelmaat kan door regels worden afgedwongen, dichtregels horen in hun opeenvolging te worden gelezen. Dat lezen zelf is niet zonder een bepaalde machtsspanning: een tekst staat weerloos tegenover de keuzes van een lezer, maar je kunt moeilijk zeggen een tekst te lezen als je je, in je begrip ervan, niet houdt aan wat er nu eigenlijk staat. Al met al is het zo’n vreemd idee nog niet om het onderwerp hiërarchie te overdenken door middel van poëzie.

Welke middelen heeft een gedicht wat dat betreft tot z’n beschikking? Onder andere: de nauwkeurige formulering. Een paar voorbeelden van dichtregels: ‘Stel je moeder eens gerust. In percentages. / Hoeveel geweten heb je?’ ‘Met welke versie van jezelf valt aangenaam te leven?’ ‘Wissel eens van perspectief.’ ‘Ga liggen. Ik heb het strand op je komst voorbereid.’ ‘Vandaag maar 42 stappen gezet, / dat wil zeggen: zittend / al mijn menselijk kapitaal verbrand.’ Hier worden situaties verwoord op een manier waarop je ze, over het algemeen, niet zou verwoorden. Je zegt eerder dat je een badhanddoek hebt neergelegd, niet dat je een strand hebt voorbereid, om maar wat te noemen. Tegelijkertijd is het vrijwel meteen duidelijk wat er wordt gezegd: de situaties blijven herkenbaar. Zo’n herformulering vestigt onze aandacht op statistische, berekenende en bedwingende elementen in ons dagelijks leven die ons anders misschien niet zouden opvallen. De manier waarop Buyst in Regels hiërarchie aftast is vergelijkbaar met de manier waarop Iduna Paalman in De grom uit de hond halen vormen van alledaags risico (en het ‘management’ ervan) in kaart bracht.

Zo’n herformulering is soms grappig, omdat het raar is zo exact over zo’n situatie te praten, of vervreemdend, als die rare toon toch ongemakkelijk herkenbaar overkomt. (Ik vind het al lang niet raar meer wanneer iemand me vertelt hoeveel stappen hij vandaag heeft gezet.) In het beste geval is het effect een mengsel: moet je lachen, maar misschien uit lichte angst. (Met terugwerkende kracht kan ik me best een leidinggevende of mediator voorstellen die dat zegt, ‘wissel eens van perspectief’ – toch, in de context van de bundel klinkt het in eerste instantie vreemd.)

Regels is vrij gemakkelijk oppervlakkig te lezen. De bundel vraagt je niet nadrukkelijk het onderzoek dat erin plaatsvindt daadwerkelijk te volgen. De gedichten dwingen je niet tot stilstand. Dat is niet alleen een voordeel: nu moet je als lezer jezelf dwingen bij zinnen stil te blijven staan, vragen te stellen, na te denken. Pas als je de bundel meer als een onderzoeksopstelling begint te beschouwen, en vooral te gebruiken, wordt goed zichtbaar wat de gedichten nu eigenlijk te bieden hebben.

Neem een strofe als deze:

Park. Orders op borden.
Hier is geen plaats voor een ongebonden hond.
Vergeten is een doen, geen overkomen.
Er staat niets wat er gisteren nog niet stond.

Heel leesbare regels, je bent er zo doorheen. Hij wordt pas zwaarder als je de herformuleringen vergelijkt met hoe je zoiets normaal zou zeggen (waarbij de bundel ons op den duur vraagt vraagt: ‘Durf je het woord ‘normaal’ nog te gebruiken?’). Een ‘ongebonden’ hond, geen ‘aangelijnde’: de borden dwingen je je hond te bedwingen. Hiërarchie is een overgankelijke constructie. ‘Vergeten is een doen’, ‘Er staat niets wat er gisteren nog niet stond’ – vergeetachtigheid of ongeïnformeerdheid zijn, in zo’n situatie, verwijtbaar. Opname in de hiërarchische structuur is geen keuze, je kunt nalatig zijn, schuldig door wat je niet hebt gedaan.

Die formulering is ook nog eens in rijmende regels gegoten, regels die zich naar een schema schikken. Het roept de vraag op: is een vrij vers vrij van rijm of vrij om te rijmen? Het voelt wat overdreven om er zo’n filosofisch onderscheid als dat tussen positieve en negatieve vrijheid bij te halen – wat zelf de vraag opwerpt: waarom? Welke gewoonte dwingt me op een gegeven moment te stoppen met vragen, bepaalde onderdelen van het gedicht luchtig te laten?

Het zijn niet de vragen die Buyst in Regels expliciet stelt, maar de vragen die ze ons in staat stelt te stellen die de gedichten de moeite waard maken. Voor de oplettende lezer is er genoeg te zien.

Op een gegeven moment schrijft Buyst: ‘Op een schaal van 0 tot 12, / hoe voel ik me nu?’ Dat lijkt weer zo’n vooral vervreemdende herformulering, ware het niet dat de vraag gesteld wordt na een ‘drijfnatte angstige nacht.’ (Niet het eerste gedicht over slapeloosheid.) Klinkt het dan ook niet als een manier om grip te krijgen op zo’n situatie, aangereikt door therapie, misschien? Zou je zo’n therapeutische techniek dan niet poëtisch kunnen noemen? Als we die vragen bereid zijn te stellen, wint de bundel aan gewicht. Als, ja – dat laat de dichter geloof ik aan ons. Ik besefte in elk geval weer eens: hiërarchie is niet alleen beklemmend, het gebrek eraan ook. Het is aangenaam om regelmatig te kunnen slapen, maar je hebt dat niet altijd zelf in de hand. Welke situaties lijken daarop? (Welke niet?) ‘Altijd en opnieuw de vraag gesteld / wie hier wie krijgt getemd?’

Nele Buyst, Regels

Nele Buyst
Regels
(Gent: Poëziecentrum vzw, 2020)

Website van het Poëziecentrum
Gedichten van Nele Buyst op nY