Klecks
Klecks
Klecks
De Regelname
‘Op den duur zag ik mezelf als een soort orakel’ – Mattijs Deraedt over dichten vanuit je omgeving, diepgang en helderheid, en de halsbandparkieten van Brussel

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. We vragen dichters welke regel ze zelf geschreven zouden willen hebben – en waarom. En we vragen ze met die regel iets nieuws te schrijven dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.

In deze aflevering: Mattijs Deraedt. Hij is dichter en poëzieredacteur bij het literaire tijdschrift Kluger Hans. In 2020 verscheen bij Poëziecentrum zijn debuutbundel De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan, dat genomineerd werd voor de Grote Poëzieprijs.

Lees hier het bijbehorende gedicht.

Diep in de palm zingt een goud-
geveerde vogel, zingt zonder
zinnebeeld of zin. Zingt.

Uit ‘Of Mere Being’ van Wallace Stevens (vertaling Lloyd Haft)

*

derraedt - afbeelding

(Beeld door Anna van Duijn)

Klecks: Vertel eens iets over de regels die je hebt gekozen, het gedicht waaruit ze komen en de dichter die ze heeft geschreven.

Mattijs Deraedt: Ik heb het werk van de Amerikaanse dichter Wallace Stevens recent ontdekt dankzij een tip van mijn goede vriend, dichter Tijl Nuyts. Ik ben al een tijdje aan het schrijven aan een reeks gedichten over de halsbandparkietengemeenschap in Vorst, waar ik woon. Vorst is een deelgemeente van Brussel en ik vind hun aanwezigheid in een stad als deze fascinerend. Op mijn zoektocht naar inspirerende teksten ontdekte ik dat Wallace Stevens prachtige gedichten heeft geschreven over vogels, zoals dit gedicht ‘Of Mere Being’, maar bijvoorbeeld ook ‘Thirteen Ways of Looking at a Blackbird’.

Wat ik intrigerend vind aan het gedicht is dat er een plek wordt getoond die zich op het snijpunt tussen onze wereld en een eeuwige, spirituele wereld lijkt te bevinden. Een plek die we met ons verstand niet kunnen vatten. De dichter probeert haar aanvankelijk nog te begrijpen vanuit een menselijk kader, maar moet toegeven dat de vogel die er zingt dat doet ‘zonder zinnebeeld of zin’ of in het Engels ‘without human meaning, without human feeling’. Dit gedicht doet mij sterk denken aan de reeks beeldhouwwerken ‘Bird in Space’ van Constantin Brâncuși. Beide makers presenteren een ‘goud-geveerde vogel’, met dat verschil dat Brâncuși zo abstract te werk gaat dat je geen veren meer kan onderscheiden. Ik zag een aantal van die werken in BOZAR en was er enorm van onder de indruk. Zowel Brâncuși als Stevens doet een poging om de essentie van de vogel te laten zien. Zulke werken overvallen mij en zetten me aan het denken. Zo merkte ik bijvoorbeeld dat, hoewel ik mezelf niet als een gelovig persoon zie, het werk van Brâncuși mij tijdens het schrijven erover tot het gebruik van woorden als ‘ziel’ dwong. Omdat ik er binnen de context van mijn poëzie simpelweg geen beter woord voor kon vinden.

In de gedichten die ik het afgelopen jaar heb geschreven valt me op dat ik mezelf minder op de voorgrond plaats, dat ik eerder verschillende microkosmossen in mijn onmiddellijke omgeving onderzoek en naar voor schuif. Tegelijk zeg je als dichter op die manier ook weer iets over jezelf, want je bent uiteindelijk altijd het kanaal waarlangs de werkelijkheid binnenkomt. Maar misschien ben ik nog meer dan vroeger geïnteresseerd geraakt in de wisselwerking tussen verschillende spelers in eenzelfde omgeving. Zo las ik een tijdje geleden voor het eerst iets over de Actor Network Theory en dat vond ik heel fascinerend.

Voor mijn debuutbundel De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan heb ik vooral mezelf onderzocht: wie ik ben als twintiger, wie ik ben als man, wat me gevormd heeft. Toen hij af was, kwam er een soort rust over me heen. Uit die toestand zijn sindsdien al verschillende nieuwe gedichten voortgekomen.

Zo kan ik opnieuw het bruggetje maken naar het gedicht van Stevens, want het meditatieve karakter van zijn tekst spreekt me enorm aan. Hij gaat voor mij over loslaten, over laten gebeuren.

K: In het gedicht van Wallace Stevens bevindt de palm zich voorbij de laatste gedachte, aan het einde van de geest. De gouden vogel in jouw gedicht lijkt zich eerder aan het uiterste der aarde te bevonden. Wat bracht je ertoe de metafoor te heroriënteren, en de regel letterlijker te gebruiken?

MD: Mijn gedicht is geïnspireerd op iets wat in de jaren ’70 van de vorige eeuw in Brussel plaatsvond. De eigenaar van het pretpark Meli Park op de Heizel liet over een periode van een paar jaar tientallen halsbandparkieten los tijdens experimenten. Hij probeerde ervoor te zorgen dat de vogels in de buurt van het park zouden rondvliegen, maar wel telkens terug zouden komen. Fast forward naar 2021 en er leven meer dan tienduizend halsbandparkieten in Brussel. Een groot deel daarvan heeft voorouders uit het Meli Park.

De eerste keer dat ik ze opmerkte in mijn straat, was ik verbaasd en heb ik opgezocht waar ze vandaan kwamen. Sindsdien ga ik regelmatig naar het park van Vorst dat vlakbij ligt, waar twee grote families blijken te wonen. Ik kijk hoe ze luid kwetterend door de kruinen schieten, aan hun grote nesten bouwen of als donzige bolletjes in het gras zitten om zaadjes te pikken. Hun kleurrijke en opvallende aanwezigheid contrasteert enerzijds met de grootstedelijke omgeving van Brussel, en anderzijds past ze voor mij volledig bij het meerstemmige, weerbarstige en soms surreële karakter van de stad.

In dit gedicht schrijf ik op basis van de anekdote van hun herkomst een soort scheppingsverhaal, waarin de pretparkeigenaar iets in gang zet dat hij niet kan overzien. Ik wou in dit gedicht de halsbandparkiet een mythisch karakter geven, er een soort hedendaagse feniks van maken, geïnspireerd op de vogel die Stevens in zijn gedicht beschrijft. Door zijn regels als slot te gebruiken wou ik de parkiet laten transformeren in iets dat buiten tijd en ruimte staat.

Ik houd er enorm van om iets van meerdere kanten te bekijken, om op zoek te gaan naar tegenstrijdigheden en verschillende lagen. Dat heb ik met het thema mannelijkheid gedaan in mijn debuutbundel en ben ik in mijn nieuwe gedichtenreeksen opnieuw aan het onderzoeken.

K: In je werk is een trend naar een meer directe stijl te ontwaren, en ooit noemde je Ingmar Heytze daarvoor als inspiratie. Wat versta je onder directheid, en waartoe wil je die inzetten?

MD: Het werk van Ingmar Heytze gaf me de moed om dicht bij concrete gebeurtenissen, plaatsen en mensen in mijn persoonlijke omgeving te blijven. Hij toonde me dat je de zaken niet per se complex moet maken om interessante, sterke poëzie te schrijven. En daarnaast herontdekte ik dankzij hem hoe je met een kader kan werken.

Tussen het moment dat ik begon met poëzie – zo’n tien jaar geleden – en 2016, was ik steeds hermetischer gaan schrijven, beïnvloed door dichters als Paul Snoek, Hugo Claus, Lucebert, Peter Verhelst, Tomas Tranströmer… Maar ook door de essays over poëzie van Ilja Leonard Pfeijffer. Op den duur zag ik mezelf als een soort orakel waar bevreemdende gedichten uit opwelden. Die situatie was echter niet houdbaar: ik kreeg hoe langer hoe meer het gevoel in een doodlopend straatje te zijn beland. Pas toen ik het werk van Heytze ontdekte, besefte ik: oké, zo kan het dus ook. Je kan helder schrijven en tegelijk diepte creëren, de deur naar een andere wereld op een kier zetten. Je kan in een sobere, soepele taal iets creëren dat invoelbaar en krachtig is. Je kan een meer directe impact hebben op je lezer, zonder oppervlakkig of expliciet te worden. Ik vind dat je zijn beste gedichten kan vergelijken met heel slimme pop- of rockmuziek: ze raken je en zitten heel knap ineen.

Onlangs sprak ik hem voor het eerst voor een artikel in Awater en het hield voor mij heel erg steek dat zijn voorbeeld Frank Koenegracht bleek te zijn. Dat is een dichter die ik ook bewonder en die met een eenvoudige taal fantastische dingen doet. Ik houd heel erg van het geconcentreerde aspect dat sommige literatuur heeft: met zo weinig mogelijk woorden zoveel mogelijk vertellen.

Die evolutie in mijn dichterschap heeft ervoor gezorgd dat ik een combinatie maak tussen enerzijds het zintuiglijke, associatieve aspect van de beweging van De Vijftigers en anderzijds een meer hedendaagse toegankelijkheid. Daardoor voel ik ook een zeker verwantschap met een dichter als Marieke Lucas Rijneveld. Hun poëzie is tegelijk heel erg poëzie van vandaag en bevat anderzijds klassieke elementen.

In mijn werk breng ik graag een vrij directe schrijfstijl en een vorm van mysterie samen. In het gedicht ‘Dag 4745’ vertrek ik opnieuw vanuit iets in mijn onmiddellijke omgeving en zoek ik naar manieren om het alledaagse op te laden met betekenissen in de hoop iets te creëren dat het alledaagse overstijgt.

mattijs_derraedt_frontcover_00

 

Matijs Deraedt
De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan
(Gent: Poëziecentrum, 2020)