De Regelname

‘Van ooit een keer gehoord zinnetje tot ooit een keer gehoord zinnetje’ – Martin Rombouts over Monica Rinck, knippen en conventies

Illustratie door Stefaan Van Hyfte

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. We vragen een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht. 

In deze aflevering: Martin Rombouts, schrijver, performer en organisator, die dit jaar afstudeert aan de schrijversopleiding van ArtEZ met het autobiografische I want to climb the mountain. Een interview over knippen en plakken, literaire conventies en pompoensoep. Lees hier het bijbehorende gedicht: Watch me explode (d-d-d-dynamite)’.

‘Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen’

Uit: Honingprotocollen – Monica Rinck 

Overzicht

Zomervakantie, of: Klecks verzameld I

Detail uit 'De Theems dichtbij Marble Hill, Twickenham' (1762) van Richard Wilson

Nu de zomer in volle gang begint te komen – met verlossende onweersbuien en al – is het voor Klecks ook tijd voor een aantal weken vakantie. Daarom hebben we, naast de reeksen over Ben Lerner en, recent, over Tsjêbbe Hettiga, alle stukken verzameld waarmee we het hele oeuvre (tot nu toe) van een dichter hebben besproken. Voor wie nog niet genoeg te lezen heeft op het strand.

SchroomruilMichel Bartosik

Van deze Vlaamse pink poet bespraken we het verzameld werk Schroomruil dat in 2013 bij het Poëziecentrum verscheen (de vierde bespreking ooit). Schroomruil is een prachtige uitgave voor een toch vrij onbekende dichter, die vroeg stierf en maar drie bundels publiceerde. In het stuk proberen we een lezing te geven van wat er met Bartosiks poëzie gebeurde toen hij over de dood van zijn vader ging schrijven. (HHtN)

> ‘En strek onbeschaamd vertrouwend’ – Door de dood van een vader

Bespreking

‘je kind smelt / dat is ook de natuur’ – Maartje Smits onderzoekt persoonlijk wat er van de natuur overblijft

Filmstill uit 'poldernostalgie' (2016) van Maartje Smits

Als God de schepping heeft voltooid, stelt hij de dieren die hij heeft gemaakt stuk voor stuk voor aan de eerste mens, Adam, zodat hij ze een naam kan geven. ‘En zoals de mens elk levend wezen noemen zou, zo zou het heten,’ Genesis 2:19. Zo zullen ze heten – maar voor wie? De meeste dieren trekken zich weinig aan van de soortnamen die wij ze geven. Geen wonder dat God meteen na deze doopmarathon een tweede mens schept.

Maartje Smits stelt die vraag naar de namen scherp in haar nieuwe bundel Hoe ik een bos begon in mijn badkamer (2017). Ze schets de situatie van de laatste mens, een vrouw die nooit meer baren zal in een van de laatste gedichten uit de bundel. De vrouw heeft melkklieren ‘waar generaties in zijn verschrompeld’. Dit is de laatste strofe van het gedicht:

dit is toch geen plek om uit te sterven
de laatste mens tekent hokjes in het zand
om zich thuis te voelen
ze kent alle namen van dieren en andere
begrippen die in onbruik zijn geraakt

De Regelname

‘Het is eigenlijk een Grote Vraag, verstopt onder een kleine vraag’ – Maarten Buser over Jana Prikryl, het geheugen en terloopsheid

Beeld door Anath Junge

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. Eens per maand vragen we een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.

Met in deze eerste aflevering: Maarten Buser, dichter, criticus en journalist, die begin 2016 debuteerde met zijn bundel Club Brancuzzi. Een interview over herinneren, anekdotische poëzie die je besluipt en anderstalige invloeden. Lees hier het bijbehorende gedicht ‘Eindeloos scrollen’.

Who remembers where the juice was spat?

Uit: ‘Inverted Poem for the Fluoride Ladies of Pleasant Valley School’ – Jana Prikryl

Bespreking

‘Wurdt wjerljocht byldtaal’ – Over de droom in het late werk van Tsjêbbe Hettinga

Detail uit 'Jacobs droom' (1614) - Domenico Fetti

De dood heeft een eind gemaakt aan Tsjêbbe Hettinga’s oeuvre. Dat wil zeggen: er komen geen gedichten meer bij, we kunnen hoogstens nog onbekend werk ontdekken. Zo’n overzicht – op het omslag van It faderpaard (2017) staat het absolute ‘Alle gedichten’ – is verleidelijk. De compleetheid ervan maakt het aanlokkelijk om Hettinga’s dichterschap ook samen te vatten en een definitief oordeel te vellen over zijn werk. Maar de dood, hoe beslist ook, beëindigt wel maar voltooit niets.

Bespreking

‘And yet:’ – Over relativisme, oprechtheid en ironie

Detail uit 'Jeanne d'Arc' (1879) van Jules Bastien-Lepage

Alle bezoekers van de laatste Gidslezing, gegeven door Ben Lerner, konden een cahier mee naar huis nemen met daarin een lang gedicht van Lerner, inclusief vertaling en een inleiding door Piet Gerbrandy: The Dark Threw Patches Upon Me Also. De lezing vormde een mooie gelegenheid voor De Gids om zowel op papier als online over de Amerikaanse dichter de publiceren, wat onder andere een mooi lang stuk van weer Gerbrandy opleverde, waarin hij No Art (2017) leest, Lerners recent verzamelde poëtische oeuvre.

Lerner gaf, in zijn vlugge maar erg verstaanbare Amerikaans, een indrukwekkende lezing, waarin hij ook weer blijk gaf van zijn blijvende interesse in authenticiteit en maatschappelijk engagement. Gerbrandy stipt die onderwerpen ook aan in zijn stuk en zijn inleiding. Het zijn begrippen die, samen met bijvoorbeeld ironie, inmiddels al even centraal staan binnen wat je het literaire gesprek zou kunnen noemen – of zeg maar gerust het culturele gesprek. In zijn lange gedicht problematiseert bijvoorbeeld Lerner de oprechtheid waarmee we voor een gemeenschap zouden kunnen spreken.

Binnen dat gesprek, ook in de manier waarop Lerner veelal wordt gelezen, is postmodern relativisme of al dan niet postmoderne ironie vaak de antagonist. En dat perspectief is een beetje gevaarlijk. Het neigt er namelijk naar de problematiek van een dichter als Lerner terug te brengen tot een sociaal-culturele modegril, in plaats van een fundamenteel probleem van denken, taal en literatuur. Waarbij het probleem ook is dat die twee niet per se gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn.

Bespreking

‘Misslagen bestaan niet’ – Over naïviteit in De geluiden van Paul Meeuws

Detail van 'Verkrampte hand' (1885) van Auguste Rodin

De meeste bundels die we lezen op Klecks, lezen we omdat ze onze interesse hebben gegrepen, op de een of andere manier. Met Paul Meeuws De geluiden (2016) ligt dat anders. Na de Buddingh-nominatie, die voor ons een verrassing was, vond ik dat een bespreking niet uit kon blijven. Blijkbaar was dit een van de beste debuten van dit jaar, die moest ik toch op een interessante manier kunnen bespreken.

Ik wil niet impliceren dat het zo moeilijk is om Meeuws interessant te lezen. Er zat mij alleen iets in de weg, iets dat ik denk ik een plek heb kunnen geven in mijn ervaring van de gedichten, maar iets dat wel ook bepalend is geworden voor die ervaring. Tijdens het lezen van De geluiden zat me een bepaalde nostalgie dwars die me tekenend leek voor Meeuws’ bundel. Een bepaalde idealisering van het verleden als een periode waarin de wereld eenduidiger was, een eenheid. Een puurder vroeger.

Bespreking

‘een piepkleine dolk / die weerstand biedt’ – Chus Pato’s gedichten als ruïnes, ter nagedachtenis

'Leda en de zwaan' (c. 1563) van Cornelis Bos, naar een vernietigd schilderij van Michelangelo

Chus Pato, een dichteres uit Galicië, Spanje, schreef in 2012 een korte blog voor Poetry International, waar ze dat jaar ook voordroeg. In die blogpost, met de titel Poetry and the remainder, karakteriseert ze gedichten op deze manier:

I consider the poem to be a remainder, a remnant. A poem is what remains, the most resistent zone of a language. I consider a poem to be a fragment of a language that inscribes itself in the wake of a catastrophe (catastrophe is always linguistic).

En dit herformuleert ze zo in de concluderende alinea:

Any poem is an impossibility of language that does not end, a remain, a survivor, something that has appeared. It is always unfinshed, unconcluded, and free.

Een gedicht is, volgens Pato, dat wat in wordt geschreven in de wake van een catastrofe. Het is dat wat overblijft van een ramp. Het resteert, als een ruïne en monument; ‘common grave’ is een term die ze iets eerder in het stukje gebruikt. Pato noteert hier, denk ik, een minimale poëtica. Als deze opmerking niet al voor alle poëzie geldt – iets waar we mogelijk nog over na kunnen denken – dan tenminste voor die van haar.

Bespreking

‘En wat in godsnaam kan mijn kleine / met een tiental metaforen’ – Idwer de la Parra over wat een vader zijn kinderen geeft

Detail uit 'Kruisiging' (1490) van Carlo Crivelli

Once more the storm is howling, and half hid
Under this cradle-hood and coverlid
My child sleeps on.  There is no obstacle
But Gregory’s wood and one bare hill
Whereby the haystack- and roof-levelling wind,
Bred on the Atlantic, can be stayed;
And for an hour I have walked and prayed
Because of the great gloom that is in my mind.

Dit is de eerste strofe van misschien wel het bekendste gedicht over vaderschap uit de Engelse literatuur, ‘A Prayer for My Daughter’ van W.B. Yeats. Onder een storm die zijn gemoed en karakter externaliseert, piekert de dichter over de meest archetypische vraag van het ouderschap: wat wil ik voor mijn kind en hoe kan in het haar geven? Het antwoord dat hij geeft, schijnt mij toe als het typische antwoord van een vader. In de rol van opvoeder en verantwoordelijke besluit de onstuimige Yeats dat hij een rustig leven wil voor zijn dochter, dat ze een bestendige plek voor zichzelf vindt, dat ze vriendelijk zal zijn en goedlachs, een groene laurier op een goede plek:

O may she live like some green laurel
Rooted in one dear perpetual place

De druilerige en donderende Yeats hoopt, simpeler gezegd, dat zijn dochter hebben kan wat hij niet had. Dat ze een ander leven zal leiden dan hij.

Idwer de la Parra lijkt ook een onrustig, ongericht leven achter de rug te hebben. Dan hebben we het, voor de duidelijkheid, over het poëtische ik uit zijn debuutbundel Grond (2016). Dat leven bracht ook, soms per ongeluk lijkt het, kinderen voort. De la Parra vraagt, directer dan Yeats: ‘Hoe te leven? // Wat mijn zoon te zeggen?’ Specifieker nog, in een gedicht waarin hij zijn dochter troost, als zij inmiddels alweer is vergeten waarom ze huilde, vraagt de dichter: ‘Kan ik haar geven wat ik / zelf niet had?’

Bespreking

‘Als ik een heldere gedachte opschrijf, vliegt er een auto in brand’ – De waarachtigheid van het aforisme bij Hannah van Binsbergen

Een detail uit 'Self-portrait of You + Me (David Bowie)' (2007) van Douglas Gordon

In zijn recensie op De Reactor vat Lodewijk Verduin het strijdtoneel van Kwaad gesternte, de VSB-winnende debuutbundel van Hannah van Binsbergen, als volgt samen:

Er komen verschillende segmenten van aangenomen identiteiten en gezichten voorbij; nu eens zijn dat kattebelletjes, dan weer volledige bekentenissen. Deze fracties van identiteiten staan vaak haaks op elkaar. Wanneer je de bundel achter elkaar leest valt dan ook op hoe veelzijdig, en daardoor inconsistent, de vertellende dichter is. Het beschreven subject wisselt tussen kwetsbaar en almachtig, wat haar tegelijkertijd kenbaar en ongrijpbaar maakt.

Van Binsbergens eerste bundel thematiseert een meervoudige identiteit, onverenigbaar tot één coherent persoon – tenminste, als we als we vasthouden aan een idee van identiteit waarin tegendelen onverenigbaar zijn. Zo’n idee lijkt in Kwaad gesternte juist op het spel te staan.