De Regelname

‘Van ooit een keer gehoord zinnetje tot ooit een keer gehoord zinnetje’ – Martin Rombouts over Monica Rinck, knippen en conventies

Illustratie door Stefaan Van Hyfte

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. We vragen een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht. 

In deze aflevering: Martin Rombouts, schrijver, performer en organisator, die dit jaar afstudeert aan de schrijversopleiding van ArtEZ met het autobiografische I want to climb the mountain. Een interview over knippen en plakken, literaire conventies en pompoensoep. Lees hier het bijbehorende gedicht: Watch me explode (d-d-d-dynamite)’.

‘Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen’

Uit: Honingprotocollen – Monica Rinck 

Klecks: Vertel eens iets over de regel die je hebt uitgekozen, het gedicht waar het uitkomt en de dichter die hem heeft geschreven. 

Martin Rombouts: Monica Rinck is de nieuwe koningin van de moderne Duitse poëzie. Dit tik ik over van de flaptekst. Het hoogtepunt in haar oeuvre vormen de Honingprotocollen (2012) een bundel waarin zij al het buitensporige in de taal, alle dubbele betekenissen naarstig adopteert en voortdurend op zoek gaat naar tegenstellingen.

In de bundel Honingprotocollen opent bijna ieder gedicht met de regel ‘Horen jullie dat, zo honen honingprotocollen’ hoewel de interpunctie steeds ietsje anders mag zijn. Dat is natuurlijk al fascinerend. Je zou er meteen een artikeltje over willen schrijven. Of ik zou dat in ieder geval. Een interpretatie. ‘Hoe Rinck in Honingprotocollen de betekenis en werking van interpunctie verkent.’ En precies dat gevoel heb je bij elk element, regel, gedicht dat je van haar leest. Heb ik.

Je wil het onmiddellijk duiden en als je het aan het duiden bent kom je erachter dat er vijf mogelijke duidingen zijn. Dat er, zelfs al staan de woorden in een bepaalde volgorde, geen pad is. Alsof je in een bijennest zit en bijentaal kan spreken, dat lijkt me verschrikkelijk. Dat je niet gewoon allemaal gezoem hoort maar oneindig veel stukjes zin. Dat is de hel denk ik. Het was niet mijn bedoeling te concluderen dat Rinck lezen de hel is. Het is een heerlijke ervaring om het voorgelezen te krijgen, en om het voor te lezen. 

K: Wat versta je eigenlijk onder citeren? Citeer je alleen deze regel? Houd je nog rekening met de oorspronkelijke context?

MR: Ik citeer niet alleen die regel, het is zelfs niet per se mijn lievelingsstukje uit het gedicht, dat is ‘Ik heb liederen in me / en een zeis.’ Maar ik denk niet dat ik met die regel weg zou komen, hij werkt zo los minder goed dan op de pagina. Ik heb een hekel aan remixes. Of eigenlijk: ik heb een hekel aan een nieuwe versie horen van een liedje dat ik al ken. Covers, ook verschrikkelijk. Die akkoestische versie van Layla. Fuck you right back van die ene ex van die ene zanger van Fuck you you hoe, I don’t want you back – om met mijn oma te spreken: ‘daar geven wij niet om.’ Over pompoensoep had ze het toen.

Ik geloof dat als dat lukt er smaaktonen ontstaan die laten zien wat waardevol is.

Ik hou best van pompoensoep, maar er mogen geen stukjes in zitten en hij mag ook niet één geheel zijn, het mag niet naar pompoensoep smaken. Juliënne, misschien is dat het. Dat alle losse stukjes smaak, alle losse stukjes citaat, tegelijkertijd herleidbaar en onherleidbaar zijn. Ik geloof dat als dat lukt er smaaktonen ontstaan die laten zien wat waardevol is. Misschien zelfs ‘echt’. En dat is wat werk goed maakt, dat de smaaktonen van een werk laten iets laten zien wat waardevol is. En voor mijn werk: wat ‘echt’ is. 

K: Je werkt überhaupt veel met citaten, verwijzingen, en andere vormen van herhaling. In welke mate komt je leespraktijk overeen met je activiteit als schrijver? Wat zie je als je ‘eigen’ schrijverschap? 

Ik heb altijd alles gelezen wat los en vast zit. Als kind waren dat melkpakken en wijkblaadjes en nu zijn dat internetfora, jehova’s getuigenboekjes en werkinstructies. Daar zitten allemaal zinnen in en die blijven dan rondtollen en als ik aan het schrijven ben komen die weer terug en dan probeer ik daar iets van te kneden.

Ik hou van performance. Van theater en vooral van dans. Vorig jaar schreef ik in mijn stage de tekst voor een dansvoorstelling, The Nonsense Society van choreograaf Jasper van Luijk, over het leven van Franz Schubert. Ik heb veel geleerd van de manier waarop Jasper naar zijn voorstelling keek, als losse stukjes ervaring voor het publiek die na een uur performance een totaalervaring creëerde die precies deed, was, wat hij wilde.

In mijn werk knip ik op eenzelfde manier: van ervaring naar ervaring en van ooit een keer gehoord zinnetje tot ooit een keer gehoord zinnetje. Ik ben iemand die snel afgeleid is, die afleiding vind ik als lezer lastig, maar als schrijver kan ik er steeds beter mee om gaan, door de afleiding in mijn werk toe te laten. 

Dat de werkelijkheid iets met Game of Thrones te maken heeft, daar iets van weg kan hebben.

K: In je afstudeerwerk, I want to climb the mountain, staat op een zeker moment de zin: ‘Ik vraag me af of ik wel een goede protagonist ben’. Hoe zie je die spanning tussen De Conventies Van De Literatuur, zoals een bepaald soort protagonist, en het leven dat ze probeert binnen te dringen? 

MR: Mijn eerste lezer is vaak mijn moeder. Toen ik haar de eerste versie van mijn eindwerk stuurde zei ze aan de telefoon: ‘Ik vind het heel mooi Martin, maar, waar je je bewust van moet zijn is dat een lezer je boek ook kan wegleggen.’ Of zoiets zei ze ongeveer, ik citeer dit uit herinnering.

Ik denk soms dat die mogelijkheid, dat de lezer makkelijk weg kan, ervoor zorgt dat de schrijver een angst heeft die hem verkeerde opvattingen aanpraat. Ik geloof dat er actievere en passievere mensen zijn. Ik denk dat ik van nature/nurture geneigd ben tot een zekere passiviteit, en dat dat me geen slecht mens maakt, minder goed doet mensen. Maar voor een protagonist, een hoofdpersoon in de Klassieke Literatuur, is het een slechte eigenschap! En dus voor de schrijver van dat werk ‘slecht schrijverschap’. Daar zit een probleem denk ik. Het leidt schrijvers, en misschien ook wel mensen, ertoe dat ze denken dat de werkelijkheid zich laat structuren als verhaal. Dat de werkelijkheid iets met Game of Thrones te maken heeft, daar iets van weg kan hebben. ‘Verhalerigheid.’

Iemand anders zei: ‘Het is moeilijk met een passieve hoofdpersoon een boek door te komen’. Ik denk dat dat is wat ik geprobeerd heb, een werk schrijven waarin je met een passief-geneigde hoofdpersoon, ikzelf, iemand die zich snel laat afleiden en dus meevoeren in het verhaal van andere mensen, actief-geneigde mensen – in mijn eindwerk laat ik me meeslepen door Ankit Love, de Maharadja van Kasjmir – toch door het boek heen gesleept wordt. En ik hoop natuurlijk dat ik daarin geslaagd ben.

Ik zie schrijven als tekstkunst: kunst die vanaf het papier op je inwerkt. De wereld werkt in indrukken op je in. Mijn werk is geslaagd als het een combinatie van indrukken is die blootlegt hoe het nu is. Hoe het nu werkt. Maar misschien moet ik dat gewoon ‘realisme’ noemen.

Overzicht

Zomervakantie, of: Klecks verzameld I

Detail uit 'De Theems dichtbij Marble Hill, Twickenham' (1762) van Richard Wilson

Nu de zomer in volle gang begint te komen – met verlossende onweersbuien en al – is het voor Klecks ook tijd voor een aantal weken vakantie. Daarom hebben we, naast de reeksen over Ben Lerner en, recent, over Tsjêbbe Hettiga, alle stukken verzameld waarmee we het hele oeuvre (tot nu toe) van een dichter hebben besproken. Voor wie nog niet genoeg te lezen heeft op het strand.

SchroomruilMichel Bartosik

Van deze Vlaamse pink poet bespraken we het verzameld werk Schroomruil dat in 2013 bij het Poëziecentrum verscheen (de vierde bespreking ooit). Schroomruil is een prachtige uitgave voor een toch vrij onbekende dichter, die vroeg stierf en maar drie bundels publiceerde. In het stuk proberen we een lezing te geven van wat er met Bartosiks poëzie gebeurde toen hij over de dood van zijn vader ging schrijven. (HHtN)

> ‘En strek onbeschaamd vertrouwend’ – Door de dood van een vader

Bespreking

‘je kind smelt / dat is ook de natuur’ – Maartje Smits onderzoekt persoonlijk wat er van de natuur overblijft

Filmstill uit 'poldernostalgie' (2016) van Maartje Smits

Als God de schepping heeft voltooid, stelt hij de dieren die hij heeft gemaakt stuk voor stuk voor aan de eerste mens, Adam, zodat hij ze een naam kan geven. ‘En zoals de mens elk levend wezen noemen zou, zo zou het heten,’ Genesis 2:19. Zo zullen ze heten – maar voor wie? De meeste dieren trekken zich weinig aan van de soortnamen die wij ze geven. Geen wonder dat God meteen na deze doopmarathon een tweede mens schept.

Maartje Smits stelt die vraag naar de namen scherp in haar nieuwe bundel Hoe ik een bos begon in mijn badkamer (2017). Ze schets de situatie van de laatste mens, een vrouw die nooit meer baren zal in een van de laatste gedichten uit de bundel. De vrouw heeft melkklieren ‘waar generaties in zijn verschrompeld’. Dit is de laatste strofe van het gedicht:

dit is toch geen plek om uit te sterven
de laatste mens tekent hokjes in het zand
om zich thuis te voelen
ze kent alle namen van dieren en andere
begrippen die in onbruik zijn geraakt

De Regelname

‘Het is eigenlijk een Grote Vraag, verstopt onder een kleine vraag’ – Maarten Buser over Jana Prikryl, het geheugen en terloopsheid

Beeld door Anath Junge

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. Eens per maand vragen we een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.

Met in deze eerste aflevering: Maarten Buser, dichter, criticus en journalist, die begin 2016 debuteerde met zijn bundel Club Brancuzzi. Een interview over herinneren, anekdotische poëzie die je besluipt en anderstalige invloeden. Lees hier het bijbehorende gedicht ‘Eindeloos scrollen’.

Who remembers where the juice was spat?

Uit: ‘Inverted Poem for the Fluoride Ladies of Pleasant Valley School’ – Jana Prikryl

Bespreking

‘Wurdt wjerljocht byldtaal’ – Over de droom in het late werk van Tsjêbbe Hettinga

Detail uit 'Jacobs droom' (1614) - Domenico Fetti

De dood heeft een eind gemaakt aan Tsjêbbe Hettinga’s oeuvre. Dat wil zeggen: er komen geen gedichten meer bij, we kunnen hoogstens nog onbekend werk ontdekken. Zo’n overzicht – op het omslag van It faderpaard (2017) staat het absolute ‘Alle gedichten’ – is verleidelijk. De compleetheid ervan maakt het aanlokkelijk om Hettinga’s dichterschap ook samen te vatten en een definitief oordeel te vellen over zijn werk. Maar de dood, hoe beslist ook, beëindigt wel maar voltooit niets.

Bespreking

‘And yet:’ – Over relativisme, oprechtheid en ironie

Detail uit 'Jeanne d'Arc' (1879) van Jules Bastien-Lepage

Alle bezoekers van de laatste Gidslezing, gegeven door Ben Lerner, konden een cahier mee naar huis nemen met daarin een lang gedicht van Lerner, inclusief vertaling en een inleiding door Piet Gerbrandy: The Dark Threw Patches Upon Me Also. De lezing vormde een mooie gelegenheid voor De Gids om zowel op papier als online over de Amerikaanse dichter de publiceren, wat onder andere een mooi lang stuk van weer Gerbrandy opleverde, waarin hij No Art (2017) leest, Lerners recent verzamelde poëtische oeuvre.

Lerner gaf, in zijn vlugge maar erg verstaanbare Amerikaans, een indrukwekkende lezing, waarin hij ook weer blijk gaf van zijn blijvende interesse in authenticiteit en maatschappelijk engagement. Gerbrandy stipt die onderwerpen ook aan in zijn stuk en zijn inleiding. Het zijn begrippen die, samen met bijvoorbeeld ironie, inmiddels al even centraal staan binnen wat je het literaire gesprek zou kunnen noemen – of zeg maar gerust het culturele gesprek. In zijn lange gedicht problematiseert bijvoorbeeld Lerner de oprechtheid waarmee we voor een gemeenschap zouden kunnen spreken.

Binnen dat gesprek, ook in de manier waarop Lerner veelal wordt gelezen, is postmodern relativisme of al dan niet postmoderne ironie vaak de antagonist. En dat perspectief is een beetje gevaarlijk. Het neigt er namelijk naar de problematiek van een dichter als Lerner terug te brengen tot een sociaal-culturele modegril, in plaats van een fundamenteel probleem van denken, taal en literatuur. Waarbij het probleem ook is dat die twee niet per se gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn.

Bespreking

‘Misslagen bestaan niet’ – Over naïviteit in De geluiden van Paul Meeuws

Detail van 'Verkrampte hand' (1885) van Auguste Rodin

De meeste bundels die we lezen op Klecks, lezen we omdat ze onze interesse hebben gegrepen, op de een of andere manier. Met Paul Meeuws De geluiden (2016) ligt dat anders. Na de Buddingh-nominatie, die voor ons een verrassing was, vond ik dat een bespreking niet uit kon blijven. Blijkbaar was dit een van de beste debuten van dit jaar, die moest ik toch op een interessante manier kunnen bespreken.

Ik wil niet impliceren dat het zo moeilijk is om Meeuws interessant te lezen. Er zat mij alleen iets in de weg, iets dat ik denk ik een plek heb kunnen geven in mijn ervaring van de gedichten, maar iets dat wel ook bepalend is geworden voor die ervaring. Tijdens het lezen van De geluiden zat me een bepaalde nostalgie dwars die me tekenend leek voor Meeuws’ bundel. Een bepaalde idealisering van het verleden als een periode waarin de wereld eenduidiger was, een eenheid. Een puurder vroeger.

Bespreking

‘een piepkleine dolk / die weerstand biedt’ – Chus Pato’s gedichten als ruïnes, ter nagedachtenis

'Leda en de zwaan' (c. 1563) van Cornelis Bos, naar een vernietigd schilderij van Michelangelo

Chus Pato, een dichteres uit Galicië, Spanje, schreef in 2012 een korte blog voor Poetry International, waar ze dat jaar ook voordroeg. In die blogpost, met de titel Poetry and the remainder, karakteriseert ze gedichten op deze manier:

I consider the poem to be a remainder, a remnant. A poem is what remains, the most resistent zone of a language. I consider a poem to be a fragment of a language that inscribes itself in the wake of a catastrophe (catastrophe is always linguistic).

En dit herformuleert ze zo in de concluderende alinea:

Any poem is an impossibility of language that does not end, a remain, a survivor, something that has appeared. It is always unfinshed, unconcluded, and free.

Een gedicht is, volgens Pato, dat wat in wordt geschreven in de wake van een catastrofe. Het is dat wat overblijft van een ramp. Het resteert, als een ruïne en monument; ‘common grave’ is een term die ze iets eerder in het stukje gebruikt. Pato noteert hier, denk ik, een minimale poëtica. Als deze opmerking niet al voor alle poëzie geldt – iets waar we mogelijk nog over na kunnen denken – dan tenminste voor die van haar.

Bespreking

‘En wat in godsnaam kan mijn kleine / met een tiental metaforen’ – Idwer de la Parra over wat een vader zijn kinderen geeft

Detail uit 'Kruisiging' (1490) van Carlo Crivelli

Once more the storm is howling, and half hid
Under this cradle-hood and coverlid
My child sleeps on.  There is no obstacle
But Gregory’s wood and one bare hill
Whereby the haystack- and roof-levelling wind,
Bred on the Atlantic, can be stayed;
And for an hour I have walked and prayed
Because of the great gloom that is in my mind.

Dit is de eerste strofe van misschien wel het bekendste gedicht over vaderschap uit de Engelse literatuur, ‘A Prayer for My Daughter’ van W.B. Yeats. Onder een storm die zijn gemoed en karakter externaliseert, piekert de dichter over de meest archetypische vraag van het ouderschap: wat wil ik voor mijn kind en hoe kan in het haar geven? Het antwoord dat hij geeft, schijnt mij toe als het typische antwoord van een vader. In de rol van opvoeder en verantwoordelijke besluit de onstuimige Yeats dat hij een rustig leven wil voor zijn dochter, dat ze een bestendige plek voor zichzelf vindt, dat ze vriendelijk zal zijn en goedlachs, een groene laurier op een goede plek:

O may she live like some green laurel
Rooted in one dear perpetual place

De druilerige en donderende Yeats hoopt, simpeler gezegd, dat zijn dochter hebben kan wat hij niet had. Dat ze een ander leven zal leiden dan hij.

Idwer de la Parra lijkt ook een onrustig, ongericht leven achter de rug te hebben. Dan hebben we het, voor de duidelijkheid, over het poëtische ik uit zijn debuutbundel Grond (2016). Dat leven bracht ook, soms per ongeluk lijkt het, kinderen voort. De la Parra vraagt, directer dan Yeats: ‘Hoe te leven? // Wat mijn zoon te zeggen?’ Specifieker nog, in een gedicht waarin hij zijn dochter troost, als zij inmiddels alweer is vergeten waarom ze huilde, vraagt de dichter: ‘Kan ik haar geven wat ik / zelf niet had?’

Bespreking

‘Als ik een heldere gedachte opschrijf, vliegt er een auto in brand’ – De waarachtigheid van het aforisme bij Hannah van Binsbergen

Een detail uit 'Self-portrait of You + Me (David Bowie)' (2007) van Douglas Gordon

In zijn recensie op De Reactor vat Lodewijk Verduin het strijdtoneel van Kwaad gesternte, de VSB-winnende debuutbundel van Hannah van Binsbergen, als volgt samen:

Er komen verschillende segmenten van aangenomen identiteiten en gezichten voorbij; nu eens zijn dat kattebelletjes, dan weer volledige bekentenissen. Deze fracties van identiteiten staan vaak haaks op elkaar. Wanneer je de bundel achter elkaar leest valt dan ook op hoe veelzijdig, en daardoor inconsistent, de vertellende dichter is. Het beschreven subject wisselt tussen kwetsbaar en almachtig, wat haar tegelijkertijd kenbaar en ongrijpbaar maakt.

Van Binsbergens eerste bundel thematiseert een meervoudige identiteit, onverenigbaar tot één coherent persoon – tenminste, als we als we vasthouden aan een idee van identiteit waarin tegendelen onverenigbaar zijn. Zo’n idee lijkt in Kwaad gesternte juist op het spel te staan.