Bespreking

‘waar is la última?’ – De urgentie van de vertaling in Tijl Nuyts’ Anagrammen van een blote keizer

Een detail uit 'Bileam en de ezel' (1626) van Rembrandt van Rijn

De achterflap van Tijl Nuyts’ (1993) debuutbundel stelt ‘dat Anagrammen van een blote keizer de kunst van het heldere denken tot lyrische hoogten voert.’ Dat zijn zorgvuldig gekozen woorden, waarin een vlugge lezer zich nog wel eens zou kunnen vergissen. Misschien verwacht je namelijk op basis van zo’n tagline een abstracte, conceptuele poëzie, opgebouwd uit precies geformuleerde stellingen. Maar die ‘lyrische hoogten’ zijn geen krachtterm, veeleer een beschrijving. En met die lyriek is Nuyts wel degelijk na aan het denken, maar het is een denken van een wereld aan verschil. Verschillen tussen mensen, gedachten en talen – en ga zo maar even door.

Het is bovenal een lyriek die een verhaal vertelt – hoe tegenstrijdig dat ook mag klinken voor iemand die een beetje onderlegt is in het verschil tussen lyrische en narratieve poëzie. Nuyts voert personages op en ontwikkelt ze, zij zijn het die spreken, denken en voelen. Zoiets schrijft Nuyts ook het gedicht ‘La última’:

in de mond van een personage dat niet de dichter is
klinken woorden van vrouwen, knechten, dronkaards
als duiven die koeren tussen de takken

Al het denken dat de gedichten doen, gebeurt via deze personages, die zich ergens ophouden tussen vleesgeworden concepten en gemythologiseerde bekenden. Een gedicht uit de bundel voelt daarom enerzijds aan als een verhalend denken en anderzijds als een soort geabstraheerde anekdote. Misschien kunnen we dit zelfs in een meer literatuurwetenschappelijke zin samenvatten als de spanning tussen lyriek en narratief.

Op deze manier staan wij lezers, om het met een citaat van Wittgenstein te zeggen, ‘als de os voor de pas geverfde staldeur.’ En dat lijkt precies de plek te zijn waar Nuyts ons wil hebben.

Bespreking

‘Een gedicht maken / dat groter is dan past’ – Over hopen op waar je vertrouwen in hebt

Detail uit 'Vier bomen' van Egon Schiele (1917)

Aurelius Augustinus begint zijn Belijdenissen met een gebed waarin hij God vraagt bij hem binnen te komen, hem te vullen. Hij wil zo dicht mogelijk bij God zijn. Augustinus bidt zo in de volle wetenschap van de moeilijkheden die dat verlangen tekenen. Waar zou God, eeuwig en alomvattend, zich immers op moeten houden in een eindig mens? Augustinus gaat, al biddend, een aantal mogelijke antwoorden na op die vraag – hij belijdt, zogezegd, ook zijn ideeën – maar hij eindigt uiteindelijk toch weer met een bede: ‘Het huis van mijn ziel is te klein om u binnen te laten, maak het ruimer.’

De antwoorden die Augustinus heeft, zijn blijkbaar niet zeker genoeg om zijn gebed overbodig te maken. Enerzijds roept hij: ‘Alles is uit u, alles is door u en alles is in u. Zo is het, ja Heer, zo is het!’ En anderzijds blijft hij die God die overal is toch bidden om eindelijk ruimte te maken voor zichzelf. Twijfelt Augustinus dan of hij God wel echt in zijn hart heeft gesloten? Waarschijnlijk – maar ik denk niet dat deze gebed over zulke twijfels gaat. Dit is denk ik geen uitzondering; we krijgen hier iets mee van het verband tussen geloven en bidden. Tussen iets als vertrouwen en hopen, als we het meer seculier willen vertalen. Namelijk: je bidt juist voor waar je in gelooft.

Geloven is, los van of dat nou in God is of in iemands liefde voor jou, een activiteit. Je moet voortduren blijven geloven. En dat is waar iets als een gebed een rol begint te spelen. Of misschien niet het gebed als een genre, maar het vragende en onbevestigde karakter van het gebed. Als een vraag die ruimte maakt voor de toekomst.

In die hoedanigheid vind ik het gebed tenminste terug in veel van de poëzie die ik lees. Een dichtregel heeft het vermogen om ruimte te laten voor meer dan wat er verwoord kan worden, voor wat we kunnen benoemen, om een vraag te laten bestaan.

Bespreking

‘we jaagden altijd al op elkaar in onszelf’ – Hoe liefde vergaat in Charlotte van den Broecks Nachtroer

Piet Mondriaan - Compositie met rood, geel en blauw (1942)

In haar essay Twee gaten (Gids #6, 2016) noemt Lieke Marsman het gedeelde bed ‘de plek bij uitstek waar ons symbiotische liefdesideaal werkelijkheid wordt’. Dat bed is tegelijk de plek waar duidelijk wordt dat zo’n verlangen naar eenwording niet volledige vervuld kan worden, want ‘zodra de dag aanbreekt gaat ieder zijns weegs.’ Wat onder de lakens een en hetzelfde zou kunnen zijn, dat Shakespeareaanse beest met de twee ruggen, splits ’s ochtends weer op in twee afzonderlijke personen.

Charlotte van den Broecks plaatst haar tweede bundel Nachtroer (2017) in de lijn van gedachten als die van Marsman als ze die in Opiums radioprogramma afzet tegen haar eersteling Kameleon (2015): ‘In de eerste bundel was het een zoektocht naar symbiose, met het eigen lichaam, met andere lichamen. Dat was heel hoopvol. En nu is die symbiose toch wel gefaald in de tweede bundel.’ Dit wordt al duidelijk in het eerste gedicht van de openingsafdeling, waarin niet alleen het bed, maar heel het huis wordt verdeeld tussen scheidende geliefden ‘in bananendozen en bezittelijk voornaamwoorden / de boekenkast in links en rechts’.

Zo begint de reconstructie van een ontbonden relatie.

Bespreking

‘exorbitant, as a secret must be’ – Hoe verleidelijk te blijven

Full disclosure: ik heb Milton’s Paradise Lost (1663) niet uitgelezen. Mijn aantekeningen houden ergens in Boek V op. Dit gebrek aan uithoudingsvermogen heeft me er niet van weerhouden de volgende regels te lezen in Boek IV. Aan het woord is de engel Gabriël die gadeslaat hoe Adam en Eva, nog niet verleid, in het paradijs in elkaars armen verstrengeld liggen te slapen: ‘Sleep on / Blest pair; and O yet happiest if ye seek / No happier state, and know to know no more.’ Binnen de context van de epiek verwijst dit adagium vooral naar de verleiding van Eva door de slang en van Adam door Eva om te eten van de boom van kennis. Meer allegorisch gelezen, klinkt het als een goede raad aan ieder die gelukkig wil zijn – of, in ieder geval, aan ieder die zijn geluk niet op het spel wil zetten voor de mogelijkheid op meer.

Overzicht

Klecks-bundelvooruitzicht 2017 – Maart, april en mei

Isaac Levitan - Bloeiende appelbomen (1896)

De toch wel grootste traditie ter wereld is het schrijven van lijstjes in december, omdat al het lopende proza al is verschoten, elk mooie bruggetje tussen twee soort-van-verwante alinea’s in de voorgaande maanden al is verbruikt. Wie zijn wij om daarvan af te wijken? Klecks blikt vooruit naar de bundels die ons in 2017 hopen te overdonderen. Wat hebben uitgevers inmiddels aangekondigd? Eerder beken we al de bundels die gepland staan voor januari, daarna voor februari – vandaag sluiten we af met de verwachtingen voor maart, april en mei.

Maart

catullus_thumbCatullus, Lesbia: Verzen van liefde en spot

Paul Claes heeft zich na (onder andere) Herakleitos en Baudelaire gewaagd aan de liefdesverzen van Catullus. Deze verzen ‘vol passie en wanhoop’ schreef Catullus als verliefde student in Rome, nadat hij voor een oudere, getrouwde vrouw was gevallen die hij, aldus de aanbieding, zowel ‘verafgoodde’ als ‘verguisde’. Anders dan de titel van de verzameling doet vermoeden – die overigens ‘mannenverslindster’ betekent volgens de aanbieding – bevat Lesbia ook spotgedichten waarmee Catullus rivalen en tegenstanders op hun plek zette. Zo bestookte hij Caesar met ‘scabreuze scheldwoorden’, ‘schuttingtaal’ die hem ‘tot een voorloper van onze stand-upcomedians’ maakte.

Er valt dus niet alleen wat te smachten maar ook te lachen in deze verzameling. En wie een grap graag nog een keer hoort, maar dan in het Latijn, zal blij zijn met het nieuws dat ook Catullus’ originelen zijn opgenomen. Claes leidt zijn vertalingen ook nog in. (HHtN)

roode_thumbAlexis de Roode, Een steen openvouwen

‘Na de liefde (Geef mij een wonder), het landschap (Stad en land) en de tijd (Gratis tijd voor iedereen) richt hij zich in zijn vierde bundel, tegen beter weten in, op het thema goed en kwaad’, aldus Podium in de aankondiging van Een steen openvouwen. We mogen daarmee uitkijken naar ‘zowel de duisterste als de meest gelouterde gedichten’ die De Roode tot nu toe schreef, en dat enerzijds in de vorm van ‘sardonische kantoorgedichten’, en anderzijds in gedichten die geënt zijn op de recente wereldgebeurtenissen.

De Roode is Gildemeester van het Utrechts stadsdichtersgilde, laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium, en werd al in meer dan 70 bloemlezingen opgenomen. Eerder dit jaar publiceerde hij samen met Daniël Dee en Benne van der Velde een bloemlezing hekeldichten, Ik proef iets wat bedorven is. (RtN)

Bespreking

‘likers / wissen waar reality / de waarheid is’ – Over het interpreteren van sociale media

Detail uit 'Les Demoiselles d'Avignon' - Pablo Picasso (1907)

Eerder dit jaar berichtte Time over het eerste grote onderzoek naar de effecten van sociale media op lichaamsbeeld en eetpatronen. Het resultaat? Er bestaat een sterke associatie tussen het gebruik van (visueel georiënteerde) sociale media en problemen rondom lichaamsbeeld, zoals bijvoorbeeld anorexia. In haar bundel Als je een meisje bent (2015) schrijft Maartje Smits over zulke problemen, die kunnen ontstaan binnen de afstand tussen zelf, zelfbeeld en ideaal, zoals in deze strofe:

zij drinkt ik wacht slik
tot zij slikt wacht
drinkt
weer slik ik wacht week mijn tong
zij
 drinkt me weg ik wacht
tot er genoeg tot ze slikt ik slok
tot we weg kunnen voeren vergeten
uitslikken wat tussen ons drong

Elke slok ‘weerstandsthee’, zoals we eerder in dit gedicht ‘14 theelepeltjes’ lezen, creëert afstand tussen zelfbeeld en ideaal. Sterker nog, wie neemt de slokken? Zíj, niet ik – het zelf staat aan de kant van het ideaal, dat niet drinkt, dat niet eet. Een vervreemding die alles te maken heeft met representatie, met hoe we een beeld van onszelf vormen. Binnen sociale media draait het voor een groot deel om dat zelf en hoe we het reprecenteren aan anderen maar eventueel ook aan onszelf.

Smits gedichten gaan subtiel en genuanceerd in op die relatie tussen representatie, werkelijkheid en waarheid in een wereld met internet en sociale media. Om die nuances te zien moeten we echter niet te vlug lezen, een risico dat sommige recensenten wel lopen in hun receptie van Smits bundel.

Bespreking

‘Political problems are structurally identical with problems of representation’ – Over waar poëzie politiek wordt

Joseph Mallord William Turner - The Hero of a Hundred Fights (1847)

Deze maand staat Klecks in het teken van Ben Lerner, wiens recent uitgegeven essay, The Hatred of Poetry, in het Nederlands verschijnt als Waarom we poëzie haten. Ben Lerner is bekend als de auteur van drie dichtbundels – The Lichtenberg Figures, Angle of Yaw en Mean Free Path – en twee (ook in het Nederlands vertaalde) romans, Leaving the Atocha Station en 10:04. Na een introductie tot de ideeën uit Lerners essay en een bespreking van Lerners poëzie, kijken we vandaag naar het werk van zijn intellectuele vader: de dichter-criticus Allen Grossman.

Ben Lerner maakt er geen geheim van dat hij zijn poëzie-theoretische mosterd haalt bij dichter-denker Allen Grossman. Al voor Lerner het essay publiceerde, liet hij diens naam veelvuldig vallen in interviews. Grossmans ideeën over de virtualiteit van poëzie – dat een gedicht een poging is voorbij het menselijke, tijdelijke en wezenlijke te gaan  zijn voor Lerner een belangrijk uitgangspunt, voor zowel zijn poëzie als romans. Vandaag gaan we daarom dieper in op Grossmans poëziekritiek. We lezen een van zijn laatste essays om de criticus in actie te zien. Daarbij dwalen we ook nog even af naar de poëtica van Rutger Kopland, die in het licht van Grossmans denken een interessant politieke bijklank krijgt.

Bespreking

‘There’s no such thing as non sequitur / When you’re in love.’ – Over verantwoordelijk lezen

Detail uit 'Ballet Skirt or Electric Light' – Georgia O'Keeffe

Deze maand staat Klecks in het teken van Ben Lerner, wiens recent uitgegeven essay, The Hatred of Poetry, in het Nederlands verschijnt als Waarom we poëzie haten. Ben Lerner is bekend als de auteur van drie dichtbundels – The Lichtenberg Figures, Angle of Yaw en Mean Free Path – en twee (ook in het Nederlands vertaalde) romans, Leaving the Atocha Station en 10:04. Na een introductie tot de ideeën uit Lerners essay, zetten we de maand voort met een bespreking van Lerner’s derde dichtbundel.

Ben Lerners ideeën over poëzie blijven niet bij het lezen van gecanoniseerde dichters als Emily Dickinson of hedendaagse dichters als Claudia Rankine. Hij heeft zijn ideeën over de virtualiteit van het poëtische tegenover het werkelijke gedicht ook in de praktijk gebracht. Maar in mijn lezing van Mean Free Path wil ik het niet laten bij het aanwijzen van een aantal interessante principes. Zoals Lerner in zijn essay laat zien, kunnen ze ook sterk politieke of ethische effecten teweeg brengen.

Bespreking

De Hopper-belijdenissen IV: ‘the / quiet she / may / be’

Edward Hopper - The Barber Shop (1931)

In een overdenking van wat tijd is, neemt de categorie van ‘de toekomst’ een belangrijke maar ook enigmatische plaats in. De toekomst is dat waar we op rekenen – de volgende zonsopgang, de wasmachine die over een uur klaar is – en tegelijk staat de toekomst ook voor absolute mogelijkheid. De toekomst komt met de seconde dichterbij – de timer van de oven telt af – en tegelijk is de toekomst als zodanig altijd nog niet.

Ook in mijn lezing van Anne Carsons gedichtenserie Hopper: Confessions komen we aan bij deze categorie. Deze gedichten – die ik probeer te lezen als manieren om na te denken over wat tijd is – gingen eerder over wanneer het nu is en vervolgens voor hoe lang dat heden dan duurt. Daarbij kwam het verleden eerder in het spel dan de toekomst – het was tot nu toe belangrijker voor Carson om, lijkt het, om te gaan met het voorbijgaan van de tijd.

Een aanhoudende wind of een straal zonlicht bleken in de vorige aflevering figuren die Carson gebruikt om na te denken over hoe tijd duurt. De tijd blaast als ‘a / wind / of / autumn piercing our bones’, om Carsons ‘Office at Night’ maar te citeren. De wind van de tijd is steeds nieuw en tegelijk hetzelfde, aanhoudende blazen. Tijd gaat voorbij, heden wordt aanhoudend verleden, maar wat duurt is die beweging zelf, waarin tijd zich door ons uitstrekt. Waarvandaan blaast die wind van de tijd anders dan uit de toekomst?

Bespreking

De Hopper-belijdenissen III: ‘I think of myself as being particularly baffled’

Edward Hopper - Room in Brooklyn (1932)

Deze derde aflevering van mijn lezing van Anne Carsons Hopper: Confessions (Men in the Off Hours, 2000) begint als een soort intermezzo. Ik wil een stap terug zetten. Er komt nogal wat ter sprake in de close reading van Carsons gedichten, allerlei overwegingen die ik nu eens eerst in een breder kader wil plaatsen. Op die manier kunnen we misschien beter begrijpen waar Anne Carson precies staat in deze soms best wel overweldigende stroom aan ideeën. Zo krijgen we misschien ook een beter beeld van wat er precies op het spel staan in het lezen van deze gedichten, in het nadenken over tijd.