Bespreking

‘ik bedoel zij maken een wereld / die hun werd onthouden / door hem te bevolken’ – Over nalatenschap, restanten, overleven en -leveren

Detail uit 'A view of Vesuvius from Posillipo, Naples', Joseph Wright of Derby

Ik zag laatst A Ghost Story, een trage film over rouw, voortleven, herinneren (enzovoort). Casey Affleck speelt het grootste deel van de film een zwijgend lakenspook dat ziet hoe zijn vriendin na een tijdje vertrekt uit het huis waar ze samen woonden, hoe een ander gezin intrekt, ook weer weggaat. Op een zeker moment wordt er in dat huis een feestje gevierd door een stel jonge mensen, en houdt een bebuikte, bebaarde gast na zijn zoveelste biertje een monoloog over, ja, iets als: de zin van het leven, niveau tiener-die-een-half-kantje-Nietzsche-heeft-gelezen-en-nu-de-wereld-snapt.

De strekking is zo’n beetje: God bestaat niet en we gaan allemaal dood, dus niets heeft zin. Met name kinderen en kunstwerken niet. (Op naar het volgende biertje.)

Het is altijd een beetje een tegenstrijdige beweging: heel graag de zinloosheid willen evangeliseren. Toch is de vraag misschien het vragen waard: waarom het gedicht? Waar schrijf je het voor? Voor wie? Moet het overleven? Hoe lang? (Enzovoort.) (In mijn achterhoofd echoot een zin uit Jeroen Mettes’ poëtica bij ‘N30’: ‘Het probleem is dat een gedicht niet kan worden gerechtvaardigd. Er is geen excuus voor.’)

Bespreking

‘op dit hân-skip hear en fiel ik ferheard oan / en sjoch it wurdt freonskip’ – Poëzie als een handelend spreken

Bileam en de engel – Detail van een illustratie uit de Holman Bijbel (1890)

In Tusken de bedriuwen troch is âlderdom (1981) opent Tsjêbbe Hettinga een gedicht met de volgende regels:

nei de lange boatreis ta it fleis bin ik by har belâne
lân lyk in minske wetterich widzjend en fol geheimen noch
fee en flinter de winter de baas befolkje it fredich fjild
en as kabouter op dit hân-skip hear en fiel ik ferheard oan

en sjoch it wurdt freonskip

[na de lange bootreis naar het vlees ben ik bij hen beland
land als een mens waterig wiegend en vol geheimen nog
vee en vlinder de winter de baas bevolken het vredige veld
en als kabouter op dit handschap hoor en voel ik verwondering

en zie het wordt vriendschap]

En daarin beginnen al een aantal onderwerpen waarover ik het zou willen hebben. Laat ik ze voor nu samenvatten in twee ideeën: 1) dat van een handschap, van het land als een handschap, en 2) dat van een blinde die ons vraagt te zien, een blinde die ons zegt: zie het wordt vriendschap. Met die blinde bedoel ik niet Hettinga, of óók, maar daar gaat het me niet om – ik bedoel dat het gedicht niet zien kan waar het ons op wil wijzen.

Bespreking, Opinie

‘Hettinga weigert.’ – Over autobiografie, projectie, en het bespreken van levenswerk

Detail uit een scherm van Hasegawa Tōhaku, afbeelding van dennenbomen.

Op zaterdag 13 mei plaatste de Volkskrant naar mijn weten als het eerste landelijke dagblad een recensie van Het vaderpaard / It faderpaard, het recent verschenen verzamelde werk van Tsjêbbe Hettinga. De recensie is geschreven door Maria Barnas, neemt de helft van bladzijde 23 van Sir Edmund in beslag – op de bovenste helft siert een foto van schapen in een door mist bedekt weiland. Hij telt 507 woorden, waarvan 59 aan geciteerde poëzie. Naast de recensie staat informatie over het boek; vertaler(s), uitgeverij, verkoopprijs, het aantal bladzijden (832), het genre, de titel, en gelukkig ook het aantal sterren dat deze bundeling gedichten verdient.

Hoe beoordeel je het werk van een man die, beginnend bij zijn vierentwintigste levensjaar, tot na zijn vierenzestigste – zijn laatste bundel werd postuum op zijn computer gevonden – poëzie publiceerde?

Bijvoorbeeld met een score van 3 uit 5.

Laat ik meteen zeggen aan te nemen dat Barnas die sterren liever ook achterwege zou laten. (Ik heb geen idee hoeveel vrijheid een recensent zou hebben zo’n beoordeling te weigeren.) Laat ik, voordat ik verder ga, ook benadrukken dat ik in zekere zin opkijk naar mensen die zich in staat voelen tot het op zo’n manier beoordelen van poëzie, in dit geval van een geheel oeuvre. Hoewel ik achter de ideeën staan waarmee er hier op Klecks stukken geplaatst worden, is het natuurlijk evengoed te zien als een vlucht om poëzie meer te bespreken dan echt te recenseren. Desalniettemin rijst de vraag: hoe moet je zo’n enorme hoeveelheid poëzie in zo’n kleine ruimte behandelen?

Overzicht

Klecks-bundelvooruitzicht 2017 – Zomer

Detail uit 'Zeegezicht bij Les Saintes-Maries-de-la-Mer' (1888) van Vincent van Gogh

Het is traditioneel niet de drukste periode, wat poëzie betreft – de zomer. Toch zijn er in de hier en daar verschenen zomeraanbiedingen wel wat bundels op te sporen. Klecks vat de komende maanden aan verschijningen (wat we weten over juni, juli, augustus en zelfs september) weer even voor je samen.

Juni

Jeroen van Kan, De wereld onleesbaar

Twintig jaar schreef hij onder pseudoniem Wesley Albstmeyer, maar de nu co-presentator van Boeken laat De wereld onleesbaar onder eigen naam verschijnen.

Het is een bundel van een ‘machteloze betekenisjarger’, aldus de uitgever, die ‘tegen beter weten in voortdurend jacht blijft maken’ op houvast, die hij onvindbaar weet. Het valt natuurlijk te hopen dat de inhoud zich minder gaat bedienen van gemeenplaatsen dan zijn flaptekst. (Daar gaan we in elk geval vanuit.)

Wat dat betreft krijgen we de volgende regels alvast mee: ‘kijk het lijk van de wereld daar eens liggen op die tafel / al dat ongepaste bloesemen alleen nog een dode belofte van niks / de wreedheid van april voorgoed vergolden’. (RtN)

Bespreking

‘Wie is het die loog: / mijn hoofd of mijn oog?’ – Over kinderpoëzie, herkenbaarheid, intensivering en Shakespeare

Detail uit een Superguppie-illustratie door Fleur van der Weel

Min of meer naar aanleiding van dit stuk in het NRC, ben ik de afgelopen tijd eens de ‘kinderpoëzie’ ingedoken. Dat plaats ik meteen maar tussen aanhalingstekens, want intuïtief zie ik niet helemaal hoe ik die van ‘gewone’ of ‘volwassen’ poëzie zou moeten onderscheiden. Is volwassen poëzie ‘moeilijker’? Moeilijker hoe? Ik heb niet het idee dat ik, wanneer ik poëzie lees, primair bezig ben met een intellectuele oefening die ingewikkelder of minder ingewikkeld zou kunnen. Een gedicht kan zich misschien de ene keer makkelijker prijsgeven dan de andere, maar die verwoording moet ons niet misleiden te denken dat het punt van een gedicht is om te ‘ontdekken’ wat het ‘achterhoudt’. (Daar schreef ik eerder over, in de context van recensenten die Nachoem M. Wijnbergs poëzie maar al te gemakkelijk ‘geheimzinnig’ vinden.)

Een van mijn langer standhoudende intuïties is het idee dat een gedicht de taal intensiveert. Wat ik daarmee bedoel is dat poëzie geen essentieel andere manier van spreken is dan ons dagelijkse taalgebruik, maar dat poëzie op een strategische manier gebruikmaakt van de mogelijkheden die binnen die dagelijkse taal al bestaan. Er zit een bepaalde moeilijkheid in het aanwijzen van die strategieën, omdat het niet altijd een kwestie is van een van het gedicht los te denken ‘vorm’, iets dat je zou kunnen abstraheren om het vervolgens ‘nog eens’ met een ander gedicht te proberen.

Hoe het ook zij, ik merkte dat de ‘kinderpoëzie’, zoals het NRC kopte, inderdaad soms ‘beter’ zou moeten kunnen – iets waar we het weinig over hebben, hier op Klecks, omdat de stukken hier niet primair uit moeten zijn op een waardeoordeel. Waar het ‘m voor mij in zat, was het feit dat veel van de poëzie naar mijn idee enkel een poging deed herkenbaar te zijn – en dat staat misschien lijnrecht tegenover die intensivering waar ik het net over heb. Het is misschien dan ook beter niet te spreken over ‘beter’ of ‘slechter’, maar simpelweg te benoemen dat veel van de gedichten weinig voor me lijken te doen.

Algemeen, Overzicht

Genomineerden C. Buddingh’-Prijs 2017 bekendgemaakt

Detail uit een landschap van Béla Spányi,

De genomineerden voor de C. Buddingh’-Prijs 2017 – prijs voor het beste debuut verschenen in de periode van 1 maart 2016 tot 28 februari 2017 – zijn bekendgemaakt. De jury stelt dat 2016 een rijk jaar was, wat poëtische debuten betreft, met name door toedoen van kleine uitgeverijen; de grote hebben ‘weinig of geen debuten’ uitgebracht, schrijven ze. Het heeft geleid tot ‘degelijke bundels, vormelijk en muzikaal en soms tot voldragen poëzie die openstaat voor het experiment en blijk geeft van een bijzonder gevoel voor taal waarmee de tijd van nu gepeild wordt.’

Met die gedachte in het achterhoofd is de wellicht opvallend afwezige Hannah van Binsbergens Kwaad gesternte, waaraan de VSB Poëzieprijs 2017 werd toegekend. De jury van de Buddingh – dit jaar bestaande uit Mischa Andriessen, Ton Naaijkens, Maud Vanhauwaert – heeft echter precies vier debuten genomineerd die allemaal in 2017 verschenen zijn, en zodoende überhaupt niet ingezonden waren voor de VSB. Daarmee is misschien tactisch het probleem verholpen van de intuïtief toch lastige verhouding tussen een prijs voor het beste debuut en een prijs voor de beste bundel überhaupt (al valt te hopen dat zulke overwegingen überhaupt niet hebben meegespeeld).

Drie van de vier genomineerde debuten werden al door Klecks besproken, en op 30 april plaatsten we ook een bespreking van de vierde.

Bespreking

‘en wij ouder werden en lichamen achterlieten en lichamen opnamen’ – Worden net als net in het werk van Thomas Möhlmann

Detail uit 'De raaf wordt beroofd van de veren waarmee hij zich had getooid' (1671) – Melchior d'Hondecoeter

In een oud interview met Remco Ekkers liet Thomas Möhlmann het volgende optekenen:

Het is moeilijk om dit uit te leggen, zonder dat het heel plat klinkt, want het is in principe een heel duidelijk idee: er is meer werkelijkheid om ons heen dan die we direct ervaren. Door daar beter naar te kijken of door daar van uit te gaan, kun je het pas zien, maar het is net nog lastiger dan dat. Het gaat er om steeds te proberen stil te staan bij datgene dat net voorbij ligt aan wat je denkt of wat je zien kunt, vanuit de vooronderstelling dat het zich daar ook daadwerkelijk bevindt.

En in een interview na het verschijnen van zijn debuut, De vloeibare jongen, in Lava 11.3, vertelde hij dat het hem in gedichten ging

om het eigen universum dat je in de taal kunt creëren, een aannemelijk universum dat door lichte verdraaiingen gaat knarsen. Het gaat me om het niet opzichtig verklooien van de werkelijkheid, het spanningsveld dat daardoor ontstaat.

Hij legde daar uit dat puur al door de daad van het schrijven, gedichten zich loswerken van datgene dat voor het schrijven de aanzet vormde. Het gedicht werkt binnen zulke opvattingen als een vorm van uitstellen of vertragen – en het is goed om te beseffen dat ook zulke ingrepen de werkelijkheid verdraaien, niet precies intact laten. Gedichten als vormen van weerstand tegen de directe ervaring, tegen het idee dat we heel de tijd als vanzelfsprekend simpelweg zien hoe het zit.

Bespreking

Over doden, auteurschap, vertalen, vrijheid en de Bibliotheek

Detail uit 'Sonnenblumen' (1911) van Egon Schiele

In ’s Middags zwem ik in de Noordzee (2014) nam Wim Brands een aantal gedichten op die geschreven waren ‘vrij naar’ andere dichters. Het geval wilde dat ik één ervan herkende, dat wil zeggen, werkelijk herkende, herkende als een ander gedicht, het gedicht waarnaar het geschreven zou zijn. Ik leek het simpelweg voor het eerst ‘in het Nederlands’ te lezen. Initieel maakte ik me daar ietwat kwaad over – waarom zou je zeggen dat je iets ‘vrij’ naar een andere dichter schreef, als wat je ervan gemaakt hebt ook door zou kunnen gaan voor een vertaling? Gevoelsmatig vond daarmee een bepaald soort toe-eigenen plaats, een bepaalde transgressie.

Inmiddels is mijn reactie omgeslagen in een vraag, en wil ik een poging doen beter na te denken over wat daar gebeurt. Een poging misschien méér te lezen in wat dat ‘vrij naar’ zou kunnen betekenen. Het zou ook, bedacht ik me bijvoorbeeld, een poging kunnen zijn niet te beweren dat het je gelukt is iets te vertalen, een poging om afstand tot het origineel te houden. Niet om het origineel weg te duwen, maar om wat je daar zelf van maakte er niet aan gelijk te stellen.

Hoe het ook zij: er bestaan nu twee gedichten die in een vreemde verhouding tot elkaar staan, elkaar erg nabij maar op een nadrukkelijk geschapen afstand. Wat brengt dat aan het licht?

Bespreking

‘o kraai, wat doe je in mijn binnenplaats?’ – Noemer en het risico op een ander bij Joost Baars

Detail uit 'Kraai op een wilgentak', Okuhara Seiko

Wat betekent het om afwezig te zijn? Hoe ben je dat? En hoe verhoudt je afwezigheid zich tot je naam? Dat zijn vragen waarop ik ten minste deels een antwoord wil formuleren voor ik Joost Baars’ Binnenplaats zou kunnen beginnen te bespreken. (Tegelijkertijd is het stellen van die vragen al een bepaald begin, omdat de vragen bij me spelen vanwege het lezen van die bundel, ze stellen is onderdeel van het lezen zelf.)

Wat ik maar gezegd wil hebben: deze bespreking volgt een omweg. Een besliste omweg, geloof ik – geen omzwerving – maar toch. Ik hoop dat er mensen bereid zijn mee te bewegen, omdat ik denk dat de omweg ons brengt op een plek waar Baars’ gedichten sterker resoneren dan daarvoor, luider kunnen klinken dan eerst.

Voor enig houvast, eerst even de feiten. Binnenplaats opent na een motto met een los gedicht, ‘Kosmologie van het tapijt’. Daarna volgen vier afdelingen, die alle behalve de derde een eigen motto meekrijgen. ‘Binnenplaats’ bevat gedichten elk geschreven aan een Jij (met een hoofdletter die persoonsnamen niet krijgen), ‘Meer dan aan elkaar’ bestaat uit een grotere variatie aan gedichten, vervolgens komt ‘Waar ik niet heen wil gaan’, een afdeling vertalingen van sonnetten van Gerard Manley Hopkins, en ten slotte ‘Het dal van Spoleto’, een reeks gedichten geschreven aan verschillende vogels of vogelsoorten. Het laatste gedicht wordt in de inhoudsopgave gerekend tot die laatste afdeling, maar staat in de bundel wel na een leeg gelaten bladzijde.

Bespreking

‘en iedereen lag in een deuk’ – Poëzie en punchlines in Griffioen (en Wijnberg)

Jan Steen – Detail uit Dorpsschool

Eind 2015 verscheen Wijk, het debuut van Jonathan Griffioen, dat afgelopen lente werd genomineerd voor de C. Buddingh-prijs. Een deel van de regels (of fragmenten van regels) kreeg ik eerder te lezen, nadat ik Griffioen leerde kennen tijdens het finaleweekeind van Write Now! 2012. Het voelt dan ook soms vreemd de bundel in zijn ‘uiteindelijke’ vorm te lezen: hier en daar spoken nog schimmen van gedichten rond die, in zekere zin, niet meer bestaan. Anders gezegd: ik ben me bij het lezen van Wijk bewuster dat bepaalde associaties door anderen niet zullen worden gemaakt, bewust van mijn persoonlijke context – hoewel die bij welke andere bundel dan ook een rol zal spelen.

Tegelijkertijd is poëzie misschien bij uitstek het soort taalgebruik dat zoiets zou moeten kunnen overleven – en daarin komt het overeen met een goede grap. (Een grap maakt op een soortgelijke manier gebruik van het impliciete, terwijl dat impliciete op een bepaalde manier gedeeld moet worden, wil de grap werken.) In ‘Wanneer wordt het grappig op iets te wachten?’, een gedicht uit Nachoem Wijnbergs Nog een grap, lezen we ook over het omgekeerde:

Ik herinnerde mij
dat het grappiger was,
maar je moet veel weten
om het grappig te vinden,
en bijna niemand weet meer zoveel.

Een grap in poëzie komt soms over als gevaarlijk. Het komt voor dat mensen iets ‘geen poëzie meer vinden’ omdat het ‘te grappig’ is, te veel op een mop lijkt, doet lachen. Ik weet niet of ik erachter kom waar dat ‘m in zit, maar ik ben wel benieuwd: wat doen grappen in en met een gedicht? Wat doen ze in Wijk?