Bespreking

Definities, engelen – Enkele opmerkingen bij Wijnbergs Om mee te geven aan een engel

Een bult van de recensies van Nachoem M. Wijnbergs Om mee te geven aan een engel halen het openingsgedicht ‘Engelen definiëren’ aan. Alfred Schaffer merkt in De Groene Amsterdammer op dat het gedicht een gesprek aangaat, het geeft niet zonder meer een antwoord (al is er een strofe die de vraag waarmee hij opent zowel uitbreidt als er een mogelijk antwoord op geeft); Dieuwertje Mertens vindt in Het Parool dat een definitie achterwege blijft (‘En over wat engelen zijn, heeft Wijnberg zo zijn eigen ideeën. Die licht hij niet (!) toe in het openingsgedicht ‘Engelen definiëren”). Edwin Fagel schrijft in Awater dat ‘wie ook echt een definitie verwacht, … nog nooit iets van Wijnberg gelezen [heeft].’

En alle opmerkingen kloppen, natuurlijk – voor zover ik weet wat kloppen betekent. Maar precies daar zit, geloof ik, een beetje speling (waar Schaffer in feite al op wijst).

Want wie zegt dat er geen definitie gegeven wordt, zegt eigenlijk ook dat we zeker weten wat dat is, een definitie. Maar hoe kom je daar achter? Je kunt er, op een bepaalde manier, pas naar vragen als je het begrip al kent. Ik bedoel dat de vraag “Wat is een definitie?” en het antwoord “Een omschrijving van de betekenis van een woord of woordgroep of teken of symbool” niet alleen een uitleg, maar ook een voorbeeld van een definitie vormen.

Ik zeg verder niet dat die notie fout is, maar dat ik ook niet weet op basis waarvan ik zou moeten zeggen dat hij klopt.

Korter gezegd: in de vorm van de vraag, “Wat is X?”, zit al een bepaald notie van definiëren vervat.

Die notie bepaalt de vorm van de vraag, en de vorm van het antwoord, en is door die twee niet meer te verantwoorden, want hij wordt al verondersteld. Ik zeg verder niet dat die notie fout is, trouwens. Maar dat ik ook niet weet op basis waarvan ik zou moeten zeggen dat hij klopt. En dat er dus misschien ook een ander begrip van definiëren denkbaar is.

Volgens mij zou je zeggen dat er in elk geval iets van een definitie gegeven wordt – in de titel al, als je het tweede woord als werkwoord leest: ‘Engelen definiëren.’ Engelen? Engelen definiëren. Dat is wat engelen doen, dat kenmerkt ze. Geen kloppend antwoord, als we een eng begrip van definitie aanhouden, en grammaticaal ook redelijk onhandig. Het is misschien eerder een beschrijving. Maar waarin verschilt een beschrijving van een definitie? Dat lijkt iets te zijn van essenties – een definitie raakt aan de kern van wat iets is, een beschrijving kan een beschrijving zijn van om het even wat.

‘Over welke definities heb je het?’, begint de laatste strofe, om te eindigen met, ‘niet van wat engelen zijn, / die kan je houden, ze mogen toch niet meedoen.’ Er wordt dus in elk geval geen definitie gegeven van wat engelen zijn. Waarom zo’n omweg, na zo’n titel? Omdat Wijnberg de hele bundel lang – zo komt het op me over – in feite in het midden laat of engelen, als zodanig, wel bestaan. En waarom zou je dat niet in het midden laten? ‘Ze mogen toch niet meedoen.’ Gezond verstand gelooft niet in het bestaan van engelen, kritisch verstand sluit ze hoogstens niet uit, maar stelt tegelijkertijd dat we in dat geval niets over ze zouden kunnen zeggen, ze doen in die zin niet mee wat betreft de dingen die bestaan – waarom zou je dan vaststellen wat engelen zijn? Nergens voor nodig, en niet rigoureus mogelijk. Maar dat wil niet zeggen dat je de notie van een engel niet kunt gebruiken – in gedichten, bijvoorbeeld.

Neem deze beschrijving: ‘Kan een engel een man bij een ingang zijn? / Ja, maar enkel van waar hij niet eens één avond / naar binnen mag, / al zit hij in een geel licht-weerkaatsend hemd in een plastic stoel bij de slagboom.’ Ook daar nog steeds geen definitie van een engel, enkel de uitspraak dat een man bij een ingang een engel kan zijn, en een voorwaarde waaronder hij het in elk geval niet is (als hij, bijvoorbeeld, zelf wél naar binnen mag).

Waarom zo’n omweg, na zo’n titel?

Ik zie, trouwens, ook de mogelijkheid de hele bundel te lezen in het licht van Plato’s begrip van anamnese – het idee dat het verkrijgen van kennis een vorm van herinneren is, dat we, op een bepaalde manier, alle mogelijke kennis ‘al’ hebben (in de dialoog is dit ook de reden, kort gezegd, voor het aannemen van een eeuwige ziel). Ik herken daar iets van in een strofe deze:

Nu je hier aangekomen bent
als een vreemdeling
of ze zijn enkel vergeten hoelang je hier al bent,
vraag je om een kamer met in plaats van een deur een ijzeren hek
dat je met je eigen slot af kan sluiten.

Of je een vreemdeling bent, hangt af van hoe lang je al hier bent. Hangt dus af, in zekere zin, van wat ‘hier’ is. Je kunt pas stellen dat je ‘hier’ al was als is vastgesteld waar je bent. (Vandaar dat het verweer tegen vreemdelingen sterk afhankelijk is van nationalisme, bijvoorbeeld.)

Ik moet, daartegenover, denken aan Psalm 119 (een lofzang op Gods wet) waarin het klinkt: ‘Ik ben een vreemdeling op deze aarde, verberg Uw geboden niet voor mij.’ Een vreemdeling op de aarde zijn – dat is (wellicht niet ontoevallig) een van de ‘definities’ die Heidegger geeft voor de mens, naar aanleiding van een gedicht van Hölderlin.

Een latere Genesisverwijzing (naar de passage waarin een engel het paradijs bewaakt, nadat Adam en Eva zich verstoppen voor God omdat ze ontdekt of geleerd hebben naakt te zijn) zet de vergelijking tussen mensschap, vreemdelingschap en de vraag of een engel iemand bij een ingang kan zijn nog sterker aan:

Kan een engel met een zwaard vechten? Je hebt gehoord over een engel met een brandend zwaard,
enkel om je de toegang te weigeren waar je niet meer binnen mag omdat je je verstopte
toen er naar je gezocht werd de laatste keer dat je daar was.

Al met al zet de bundel verscheidene lijntjes uit. Engelen, vreemdelingen, opgeven. Je kunt de bundel economisch proberen te lezen, met ‘opgeven’ als een notie die misschien logisch voorafgaat aan de verschillende vormen en begrippen van handel; of religieus, waarbij de vraag wat een engel is, of iets of iemand een engel is, kenmerkend wordt voor de vraag in welke mate een ervaring misschien überhaupt religieus kan zijn (lees bijvoorbeeld het gedicht ‘Middag’, richting het eind van de bundel, in het licht van het verhaal waarin Abraham bezocht wordt door drie mannen, één ervan min of meer God, die aankondigen dat Sodom en Gomorra zullen worden verwoest, waar Abraham achter komt doordat hij doorvraagt (‘Straks zeggen ze dat alles wat je kent afgelopen is, / maar als je niets doms doet / kan je nog iets te weten komen.’)). Zoals bij eigenlijk al Wijnbergs bundels, zijn de leesmanieren behoorlijk verscheiden. Je kunt, denk ik, doorgaans stellen dat zijn werk zich niet zozeer in die kennisvelden begeeft, maar iets probeert te achterhalen van wat die kennisvelden niet meer bevragen, omdat het als vanzelfsprekend wordt beschouwd. Vandaar de vervreemding die tijdens het lezen soms optreed: je kunt niet uitgaan van de gebruikelijke definities, niet omdat, zoals Mertens het zegt, Wijnberg daar ‘zo zijn eigen ideeën over heeft’, die hij ‘niet toelicht’, maar omdat in ons dagelijkse denken en taalgebruik we in feite helemaal niet zo precies praten als we soms doen lijken. We hanteren woorden niet als vaste termen, met precieze betekenissen, waaruit we continu logisch kloppende, strikte deducties afleiden. Of, zoals Wijnberg het in ‘Als je wil weten waar poëzie goed voor is moet je die vraag ook toestaan’ schrijft:

Poëzie doet niet veel, maar vergeleken met wat? Poëzie laat de doden niet opstaan, weer gaan liggen,
weer opstaan,
maar soms laat het opstaan opstaan.

Een woord als opstaan, waarvan we denken te weten wat het betekent, kan in poëzie weer opstaan, krijgt iets van zijn vreemdheid terug: niet omdat de poëzie de betekenis ‘loszingt’ (zoals een recensent ooit schreef), maar omdat poëzie juist weer laat zien dat die betekenis, in zekere zin, altijd al ten dele losgezongen was. Als er iets vreemd is aan de gedichten die je leest, maar je de hele tijd blijft benadrukken dat ze zo kloppend klinken, moet je je iets beginnen af te vragen over wat je denkt dat kloppen betekent. (En besef je maar weer dat je het niet zelf bent geweest, die de dingen definieerde. ‘Engelen definiëren.’)

De bundel zet me wel aan tot denken, maar over iets anders, en de gedachtegang komt zelden bij de bundel terug.

Ik heb, verder, weinig aan de bundel te recenseren. Ik weet ook niet of dit echt een bespreking is. Tijdens het lezen van Om mee te geven aan een engel merkte ik vooral dat ik er weinig op te zeggen heb, niets anders dan wat ik al eerder over Wijnbergs oeuvre schreef, zowel hier op Klecks als elders. De bundel zet me wel aan tot denken, maar over iets anders, en de gedachtegang komt zelden bij de bundel terug. Dat gaat trouwens op voor bijna alle poëzie van het afgelopen jaar, dus dat ligt vast aan mezelf.

Om dan toch nog maar iets terug te geven, voor wie er iets aan heeft: tijdens het lezen van Om mee te geven aan een engel moet ik steeds aan een zin van Emil Cioran denken: ‘Terwijl de mens achternagezeten wordt door de herinnering aan het paradijs, worden engelen gekweld met verlangen naar deze wereld.’ En de vraag welke van die twee dan vreemdelingen op deze aarde zijn.

downloadNachoem M. Wijnberg
Om mee te geven aan een engel
(Amsterdam: Uitgeverij Pluim, 2018)

De website van Uitgeverij Pluim

Opinie

Geen vorm (“Waarop lijkt een gedicht nog?”) – Gedachten bij het vrije vers, het prozagedicht en het instituut

Rupi Kaur

In 1917 ontkent T.S. Eliot het bestaan van het vrije vers. ‘Het wordt aangenomen,’ schrijft hij, ‘dat het vrije vers bestaat.’ Die illusie moet de wereld uit. Als het vrije vers bestaat, als het een werkelijke vorm is, moet er, stelt hij, een positieve definitie van bestaan. ‘En ik kan het enkel negatief definiëren als (1) afwezigheid van patronen, (2) afwezigheid van rijm of (3) afwezigheid van metrum.’

Daaraan moest ik denken toen op 10 augustus Erik Jurgens een brief instuurde naar het NRC, naar aanleiding van een gedicht van de Dichter des Vaderlands, Ester Naomi Perqun, bij een stuk over Mein Kampf. ‘Zoals zo vaak, tegenwoordig, vraag ik mij af waarom deze tekst ‘gedicht’ mag heten. Er zit geen metrum in, geen rijm, geen binnenrijm, geen structuur, niets wat op een gedicht lijkt. Het is meer een korte ‘column’.’

(Grappig feit: het volgende gedicht dat Perquin schreef rijmde weer intens veel. Ze heeft de feedback blijkbaar meegenomen.)

Hoewel Jurgens zich dit ‘tegenwoordig’ afvraagt, houden de kenmerken die hij noemt het dus al meer dan honderd jaar vol. Metrum, (binnen)rijm, structuur – dezelfde die Eliot verzinnen kan. En het blijft misschien een eerlijke vraag. Blijkbaar kunnen er al een eeuw mensen bestaan die zich afvragen waarom iets nog door mag gaan voor gedicht. En dat dichters en letterkundigen de vraag vaak maar laten voor wat hij is, voorkomt niet dat ze van bijvoorbeeld Tim Hofman of Rupi Kaur soms graag toch even opmerken dat het hier niet om poëzie gaat, of hoogstens, als ze gul zijn, om heel slechte. Om dat te doen moet je toch – zou je zeggen – kunnen vertellen waarom. Waarop lijkt een (goed) gedicht dan wél? Waar herken je die dingen aan?

De Regelname

‘Het tonen van minder sexy zaken als vernietiging, gebrokenheid, verdriet’ – Radna Fabias over menszijn, feilbaarheid, trots en afgeprijsde bordeaux

Beeld: Suze Hoek

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. We vragen een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.

In deze aflevering: Radna Fabias. Ze debuteerde dit jaar met Habitus en dat is niet onopgemerkt gebleven. Naast een scala aan lovende recensies won ze de C. Buddingh-prijs voor het beste debuut, en recentelijk gebruikten Volkskrant en NRC haar dichtregel over Arnon Grunberg in hun recensies van Goede mannen. Als dat geen levende poëzie is?

Lees hier het bijbehorende gedicht.

I’m the body of the queen of my hood filled up
with bad wine bad drugs mu shu pork

Uit: ‘Let me handle my business, damn’ van Morgan Parker

Bespreking

‘Ondanks het feit dat hij haar niet kan zien’ – Edwin Fagel en de vraag van die altijd weer goddelijke vrouw

Alberto Giacometti - Detail van een van de schilderijen van Annette

In een essay, ‘De goddelijke kut. Kunst en poëzie als mystieke daad’, dat vier jaar geleden in Revisor verscheen, zegt Edwin Fagel naar aanleiding van een gedicht van Sasja Janssen dit:

Ze zoekt naar een werkelijkheid tussen deze twee werkelijkheden in: een niet-verzonnen, niet echte werkelijkheid. Een, zou je kunnen zeggen, heilige werkelijkheid.

Even verderop noemt hij dat een ‘mengvorm tussen wat ‘in scène’ en wat ‘echt’ is,’ waardoor je je zou kunnen beginnen af te vragen wat het nou is: verzonnen noch echt, of verzonnen en echt? En waarom zou je dat heilig noemen?

De Regelname

‘Ik weet dat de taal gebroken is’ – Coen Cornelis over Boris Ryzji, wat niet in woorden past, en de melancholie van ‘nog’

Beeld: Evelien Cambre

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. We vragen een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.

In deze aflevering: Coen Cornelis. Hij schrijft poëzie en toneel, en draagt geregeld voor op verscheidene Nederlandse (poëzie)podia. In 2013 studeerde hij af aan de HKU met een stuk waarin toneel en poëzie samensmolten tot één geheel – Bijtend Stof, Trillend Licht. Hij is woonachtig in Utrecht. Lees hier het bijbehorende gedicht.

‘Als ik terugkom uit Nederland, geef ik je Lego,
en dan bouwen we samen een prachtig kasteel.’

‘Je kunt jaren en mensen tot terugkeer bewegen,
en ook liefde, wat zeg ik, er is nog zo veel.’

Uit: ‘Afscheid van Rusland’ van Boris Ryzji

Opinie

‘Zij, die deel is van de uitbuiters’ – Over de naïeve kritiek op engagement, of: Het wachten is op Jezus Christus, onze Heiland

Na lezing van het debuut van Dominique De Groen, Shop Girl, bleef ik met een wat leeg en knagend gevoel achter. Dat begint al bij de titel, die op zijn minst dubbelzinnig is: het gaat om een ‘winkelmeisje’, zoveel is zeker, maar gaat het daarbij om een meisje dat in/voor een winkel(keten) werkt, of om een meisje dat graag shopt? Het eerste is het geval (zo blijkt al uit het achterplat), maar mogelijk het tweede (naar ik vrees) eveneens. Is het niet, op zijn minst, een kokette, vette knipoog naar de cultuur van het shoppen, het kopen van hippe kleding, (deels) vermomd als engagement?

Aldus opent de wat mij betreft exemplarisch kortzichtige bespreking van Shop Girl in de recente Poëziekrant (2018/2), geschreven door Willem Thies. Laat ik, na die zin en bij wijze van disclaimer, meteen maar benadrukken er niet op uit te zijn een of ander wraakstuk te schrijven, en evenmin een polemiekje op gang te brengen – in feite is Thies’ bespreking in waarover ik het wil hebben slechts een voorbeeld-van, en ik zie nu eenmaal geen goede mogelijkheid om het buiten zo’n voorbeeld om te hebben over de vorm van als kritische blik optredende naïviteit die typerend lijkt voor veel van ons huidige denken.

Waarom zouden we bundels recenseren als we niet aan durven te nemen dat de dichters ook hebben gezien wat wij zien?

Die naïviteit begint in dit geval al in de aangehaalde openingsalinea, en bevindt zich bijvoorbeeld in het ‘naar ik vrees’, in het vragende ‘is het niet, op zijn minst’, en in de afsluitende opmerking dat bij het maken van een ‘kokette, vette knipoog naar de cultuur van het shoppen’, het engagement dat daarmee mogelijk gepaard gaat slechts de vermomming is.

De Regelname

‘een soort van knooppunt (of wormgat?)’ – Dominique De Groen over Hiromi Itō, losse regels en narratief

Beeld door Roos Vink

In samenwerking met digitaal cultureel magazine De Optimist presenteert Klecks: De Regelname. We vragen een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op De Optimist wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische double bill, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.

In deze aflevering: Dominique De Groen, die recent debuteerde bij uitgeverij het balanseer met de bundel Shop Girl (gebaseerd op ervaringen als werknemer van de Primark). Een interview over de aard van narratieve poëzie, niet-lineaire lezingen en een landbouwleerdicht van Vergilius. Lees het bijbehorende gedicht: ‘Rites for an abortive Spring’.

Even as a corpse, her calling was still to protect children

Uit: Wild Grass on the Riverbank van Hiromi Itō

Bespreking

‘het programma dat u probeert af te sluiten / is in gebruik.’ – Daniël Vis’ Insect Redux en het 21e-eeuws sublieme

Detail uit Anish Kapoors 'Flayed' (2016)

Hoe doet de wereld zich aan ons voor?

Is dat een goede vraag? We zouden hem kunnen proberen te herformuleren, bijvoorbeeld als: Hoe ervaren wij de wereld? Maar daarmee zien we meteen al een deel van een antwoord – een mogelijk antwoord. De wereld doet zich voor, in dat geval, als een iets dat wij al dan niet ervaren.

Wanneer Heidegger in het begin van de twintigste eeuw Zijn en tijd schrijft, stelt hij dat de westerse filosofie elk ‘iets’ heeft beschouwd als een object. Een object is een ding met eigenschappen: een hamer is zwaar, de zon is heet, een hamster is schattig. Hij beschouwt dat niet zozeer als een fout, maar wel als een beperkte blik. Een hamer is, voordat wij het als object kunnen beschouwen, iets dat we ter hand kunnen nemen – een hamer is iets waarmee we timmeren.

Intussen zet juist de aldus bedreigde mens een hoge borst op en waant hij zich de heer der aarde.

We hebben die beperkte blik ook op onszelf gericht. De mens valt dan op twee manieren te bekijken: ofwel als degene die kijkt (en al die objecten tegenover zich ziet), ofwel als een van die objecten. Dat begint al bij de Griekse filosofie: een mens is ‘een dier met rede.’ Of, bijvoorbeeld bij Plato, een mens is een dier dat kan dansen. (Wat op hetzelfde neerkomt: Plato beschouwt dansen als het redelijk organiseren, sorteren, van bij dieren ongecontroleerde bewegingen; net als zingen voor hem het organiseren van een dierlijk roepen is.)

Bespreking

‘een woord dat vlees vindt’ – Joost Decortes Stalker en de grein van het schrijven

Detail uit Andreus Vesalius (Andries van Wesele) – De humani corporis fabrica

‘Als men zich een esthetica van het tekstplezier zou kunnen indenken,’ schrijft Roland Barthes in Het plezier van de tekst, ‘zou men daarin moeten opnemen: het hardop schrijven.’ Dat is niet, zegt hij, ‘spreken’, en hij schrijft er slechts over alsof het bestaat. Wat niet wil zeggen dat Barthes maar wat aan het fantaseren is – sommige dingen laten zich misschien niet anders bespreken dan onder de suspensie van zo’n ‘alsof’. Het hardop schrijven is niet ‘expressief’, het laat ‘de uitdrukking’ over aan ‘de feno-tekst, aan de vaste code van communicatie’ – de bestaande vormen van grammatica, spelling, begrijpelijkheid, enzovoort; wat we al met al ‘cultuur’ zouden kunnen noemen. ‘Zelf behoort het veel meer tot de geno-tekst, tot de betekening; het wordt niet door de dramatische stembuigingen, de boosaardige intonaties, door de welwillende accenten gedragen, maar door het grein van de stem, dat een erotisch mengsel is van timbre en taal.’ Even verderop: ‘Wat de klanken van de taal betreft is het hardop schrijven niet fonologisch maar fonetisch; het doel ervan is niet de helderheid van de boodschappen, het theater van de emoties; het zoekt veeleer (in een streven naar genot) de driftbewegingen, de met huid bedekte taal, een tekst waarin men het grein van de keel, het patina van de medeklinkers, de wellust van de klinkers, een hele stereofonie van de diepte van het vlees kan horen: de articulatie van lichaam en taal, niet die van betekenis en taalgebruik.’ Het gaat erom de woorden in hun materialiteit, zinnelijkheid, om met de ademtocht, de rauwheid, ‘het vlees van de lippen, heel de uitstraling van de menselijke bek’ te laten horen. Niet de klanken met het oog op hun isolatie tot betekenisvolle elementen van een taal, maar de klanken in het verlangen naar het lichaam dat ze draagt.

Bespreking

‘ik bedoel zij maken een wereld / die hun werd onthouden / door hem te bevolken’ – Over nalatenschap, restanten, overleven en -leveren

Detail uit 'A view of Vesuvius from Posillipo, Naples', Joseph Wright of Derby

Ik zag laatst A Ghost Story, een trage film over rouw, voortleven, herinneren (enzovoort). Casey Affleck speelt het grootste deel van de film een zwijgend lakenspook dat ziet hoe zijn vriendin na een tijdje vertrekt uit het huis waar ze samen woonden, hoe een ander gezin intrekt, ook weer weggaat. Op een zeker moment wordt er in dat huis een feestje gevierd door een stel jonge mensen, en houdt een bebuikte, bebaarde gast na zijn zoveelste biertje een monoloog over, ja, iets als: de zin van het leven, niveau tiener-die-een-half-kantje-Nietzsche-heeft-gelezen-en-nu-de-wereld-snapt.

De strekking is zo’n beetje: God bestaat niet en we gaan allemaal dood, dus niets heeft zin. Met name kinderen en kunstwerken niet. (Op naar het volgende biertje.)

Het is altijd een beetje een tegenstrijdige beweging: heel graag de zinloosheid willen evangeliseren. Toch is de vraag misschien het vragen waard: waarom het gedicht? Waar schrijf je het voor? Voor wie? Moet het overleven? Hoe lang? (Enzovoort.) (In mijn achterhoofd echoot een zin uit Jeroen Mettes’ poëtica bij ‘N30’: ‘Het probleem is dat een gedicht niet kan worden gerechtvaardigd. Er is geen excuus voor.’)