Bespreking

‘je huid is een instrument dat huivert’ – Foto’s en poses in Vicky Franckens Röntgenfotomodel

Detail uit de 'eerste' medische röntgenfoto: de hand van Wilhelm Röntgens vrouw, Anna Bertha Ludwig

Tijdens het herhaaldelijk lezen van Vicky Franckens pas verschenen debuut Röntgenfotomodel begon ik me af te vragen wat ik versta onder ‘beeldende poëzie’.

Wat maakt een regel tot een beeld?

Hoewel we in dagelijkse gesprekken ook beschrijvingen gebruiken, draagt het feit dat een beschrijving in een gedicht staat bij aan de mogelijkheid tot een poëtisch beeld  – waarvan ik een preciezere definitie verder uit zou willen stellen. Dat de omgeving van een beschrijving bijdraagt is volgens mij wat duidelijk wordt wanneer kunstenaars readymades gebruiken. Misschien is het goed te beginnen bij readymades.

Overzicht

Klecks-bundelvooruitzicht 2017 – Februari

Valerius de Saedeleer – Een winterlandschap

De toch wel grootste traditie ter wereld is het schrijven van lijstjes in december, omdat al het lopende proza al is verschoten, elk mooie bruggetje tussen twee soort-van-verwante alinea’s in de voorgaande maanden al is verbruikt. Wie zijn wij om daarvan af te wijken? Klecks blikt vooruit naar de bundels die ons in 2017 hopen te overdonderen. Wat hebben uitgevers inmiddels aangekondigd? Hier verzamelden we de bundels van januari al, vandaag is februari aan de beurt.

Maar eerst een januaribundel die we in het vorige bericht over het hoofd zagen, omdat ‘ie in de brochure blijkbaar buiten de boot gevallen was. Met dank aan Maarten Praamstra voor het bespeuren.

Charlotte van den Broeck, Nachtroer

Met haar debuutbundel Kameleon won Van den Broeck in 2015 de Herman de Coninck Debuutprijs. Waar die bundel ging over toenadering tot het eigen, meisjes- en vrouwenlichaam, daar reist de dichter in haar tweede bundel Nachtroer in een schijnbaar tegenovergestelde richting. Volgens de aankondiging onderzoekt Van den Broeck daarin ‘een diep verlangen naar ontheemding, verdwijning, naar een opgaan in de permanente stroom van het tomeloze leven’. Het wordt nog interessant om te zien of deze twee projecten niet juist in elkaars verlengde liggen. Dat wil zeggen, op welke manier “toenadering” en “verdwijning” dezelfde beweging zouden kunnen beschrijven. (HHtN)

Overzicht

Klecks-bundelvooruitzicht 2017 – Januari

Abraham Johannes Couwenberg - IJsvermaak op een stadsgracht

De toch wel grootste traditie ter wereld is het schrijven van lijstjes in december, omdat al het lopende proza al is verschoten, elk mooie bruggetje tussen twee soort-van-verwante alinea’s in de voorgaande maanden al is verbruikt. Wie zijn wij om daarvan af te wijken? Klecks blikt vooruit naar de bundels die ons in 2017 hopen te overdonderen. Wat hebben uitgevers inmiddels aangekondigd? Vandaag spitten we januari door, in de loop van de week de rest.

Hans Andreus - Verzamelde gedichtenHans Andreus, Verzamelde gedichten

Naar aanleiding van de gedichtenweek publiceert Prometheus het verzamelde dichtwerk van drie dichters, waaronder dat van Hans Andreus, die doorgaans tot de vijftigers gerekend wordt en eigenlijk Johan Wilhelm van der Zant heette. Hij debuteerde in de poëzie met Muziek voor kijkdieren, in 1951, en zijn laatste bundel was Holte van licht in 1976.

Naast poëzie schreef Andreus veel meer – onder andere een flinke hoeveelheid kinderboeken. (RtN)

Vicky Franken - RöntgenfotomodelVicky Francken, Röntgenfotomodel

Toen Meander haar tien jaar geleden vroeg waar ze, wat uitgeven betreft, nog op wachtte, antwoordde Francken dat ze eerst helemaal tevreden wilde zijn met wat ze op papier zette. ‘Eerder gebeurt er niets.’ In januari gebeurt er iets: haar debuutbundel Röntgenfotomodel verschijnt bij De Bezige Bij.

De aankondiging meldt dat in de bundel een lichaam ‘tegen het licht gehouden’ zal worden, ‘om te onderzoeken wat eraan schort, om te bepalen waar het licht doorlaat. Het lijf blijkt sterker dan gedacht.’ Francken won eerder al Write Now! publieksprijs en Meander Dichtersprijs, en ontving daarnaast de Hollands Maandblad Schrijversbeurs voor haar poëzie. Het maakt benieuwd. (RtN)

Bespreking

Echtheid

Detail uit 'El pescador' – Joaquín Sorolla y Bastida

Deze maand staat Klecks in het teken van Ben Lerner, wiens recent uitgegeven essay, The Hatred of Poetry, in het Nederlands verschijnt als Waarom we poëzie haten. Ben Lerner is bekend als de auteur van drie dichtbundels – The Lichtenberg Figures, Angle of Yaw en Mean Free Path – en twee (ook in het Nederlands vertaalde) romans, Leaving the Atocha Station en 10:04. Na een introductie tot de ideeën uit Lerners essay, een bespreking van Lerners poëzie, en een blik op het werk van zijn grote invloed Allen Grossman, sluiten we vandaag de maand af met een stuk over zijn eerste roman.

Veel van wat Lerner in The Hatred of Poetry uitwerkt, is in een bepaalde vorm al terug te vinden in zijn eerste roman. Leaving the Atocha Station gaat over Adam Gordon, een Amerikaanse dichter die met een beurs een jaar lang in Madrid verblijft. Hij denkt na over, krijgt te maken met en beleeft de thema’s van Hatred: de spanning tussen het werkelijke en het virtuele, tussen dichterschap en werk, de moeilijkheid poëzie als iets politieks te zien. Op een zeker moment citeert Adam de titel van het gedicht waar Hatred mee opent.

Bespreking

‘To burn the actual off’ – Ben Lerners The Hatred of Poetry

Deze maand staat Klecks in het teken van Ben Lerner, wiens recent uitgegeven essay, The Hatred of Poetry, in het Nederlands verschijnt als Waarom we poëzie haten. Ben Lerner is bekend als de auteur van drie dichtbundels – The Lichtenberg Figures, Angle of Yaw en Mean Free Path – en twee (ook in het Nederlands vertaalde) romans, Leaving the Atocha Station en 10:04. We beginnen de maand met een bespreking van het essay, en de thema’s die Lerner daarin aansnijdt.

Het essay opent met een gedicht van Marianne Moore, “Poetry”, dat na een heel aantal langere varianten eindigde als dit gedicht van drie regels:

I, too, dislike it.
Reading it, however, with a perfect contempt for it, one discovers in
it, after all, a place for the genuine.

Even nadat hij het vers noemt, vraagt Lerner het volgende:

What kind of art assumes the dislike of its audience and what kind of artist aligns herself with that dislike, even encourages it? An art hated from without and within. What kind of art has as a condition for its possibility a perfect contempt? And then, even reading contemptuously, you don’t achieve the genuine. You can only clear a place for it—you still don’t encounter the actual poem, the genuine article.

Een kunstvorm die zijn eigen minachting vereist als voorwaarde voor zijn werking, wat kan dat zijn? In feite kan Lerners essay gelezen worden als een lange interpretatie en uitwerking van Moore’s gedicht en de vragen die het oproept.

Bespreking

‘Geachte bedachte / zie ons aan’ – Visioenen, het onbeschrijfelijke en de grap

Detail uit 'Lezende mannen' of 'De lezing' ('La Lectura') – Francisco Goya

Deze week verscheen Het moet nog ergens liggen, de nieuwe dichtbundel van Joke van Leeuwen. Op de voorkant zien we een kruk met verbogen poten, getekend door Van Leeuwen zelf, en in de bundel vinden we nog twee vreemde stoelen – de eerste balanceert bijvoorbeeld op één ‘been’.

Door die verbuigingen beginnen de poten op poten te lijken. Ik bedoel natuurlijk: als van dieren. Maar misschien kun je het ook bekijken zoals ik het zeg: door de vervreemding leer je de poten als poten zien – noch van een kruk, noch van een dier. Of andersom: als van beide.

Hoe het ook zij, de manier waarop de afbeeldingen je leren kijken verschilt niet veel van een paar momenten in de bundel zelf. En ook het figuur van de stoel komt terug, in het eerste gedicht, ‘Binnenkomst’, dat aan de vier afdelingen van de bundel voorafgaat:

Bespreking

‘“Wat nu als ik het ben?” Zo inwisselbaar namelijk ben ik best.’ – Engagement en het ‘ik’ bij Perquin

Detail uit 'Portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw' – Jan van Eyck

Twee weken geleden schreef ik over de problematiek van identiteit in engagement, toegespitst op de uitsluitende werking die vermeend universele woorden kunnen hebben. Ik zette een aantal dichters, in wiens gedichten het ‘ik’ en zijn functies worden doorgewerkt, af tegen een naïeve vorm van engagement, die steunt op een eigen en vooral toegeëigend ‘ik’.

In dit stuk zou ik daar op verder willen gaan. Omdat ik het besef van de werkingen van het ‘ik’ tot nu toe een problematiek heb genoemd, zou het idee kunnen ontstaan dat het vooral een probleem is dat moet worden opgelost. Dat is echter alleen het geval vanuit het ‘naïeve’ oogpunt – dat immers aan die werkingen ‘voorbij wil gaan’, en het daarom als obstakel zal moeten ervaren als het benoemd wordt. Dat de werkingen van het ‘ik’ ook juist kunnen worden ingezet, als een soort gereedschap, wil ik naar voren brengen aan de hand van het werk van Ester Naomi Perquin.

Opinie

‘Wat is dat “ik” dat in mij doet?’ – Het probleem van het ‘ik’ in engagement

Op de 34e Nacht van de Poëzie droeg Dichter des Vaderlands Anne Vegter een gedicht voor dat ze geschreven had aan het eind van het parlementaire jaar 2015. De Cultuurpers noemt het een ‘groot statement’, volgens Literair Nederland was Vegter ‘zeker geëngageerd’ ‘met onontkoombare scherpte’, NRC opent met regels uit Vegters gedicht in een stuk dat de hoge hoeveelheid engagement van de avond benadrukt. Het gedicht schildert Nederland af als getroffen door oorlog of aanslagen, met ‘ontploffingen bij benzinestations’, een ‘grote brand’ in Utrecht, lijken in grachten die worden aangevreten door honden, mensen onder puin, gaswolken boven Overijssel. ‘[D]e Veluwe staat in brand’ en ‘iedereen rent’. ‘Het is onveilig voor meisjes. / In de nacht worden ze uit de rijen geplukt.’

Het heet ‘De overkant’, en sluit af met de volgende regels:

Waar is de overheid?
Er zouden tientallen boten klaarliggen om Nederlanders naar de overkant te brengen.
We zijn met duizenden.
Onze boten bezwijken bijna onder het gewicht van de mensen.
Er glijden lichamen over de randen van de boten.
Er keren boten terug.
Met levenden en doden.
Waar is de overkant?
Er is geen overkant.
We drijven verder.
We spoelen over de hele wereld aan.
Niemand zit op vluchtelingen te wachten.
Gelukszoekers.
Zo worden we genoemd.

Haiku

Aan de poort van vroeger – Het moment en de geschiedenis in Bashō’s haiku

Hoewel de haiku inmiddels al ongeveer een eeuw aan bekendheid wint in het westen, blijft het lastig de vorm te vertalen of begrijpen zonder dat hij veel verliest van wat hem – volgens mij – de moeite waard maakt. De meeste westerse ‘definities’ komen ongeveer overeen met wat Ellen Deckwitz in Olijven moet je leren lezen schrijft: ‘Ter opfrissing: een haiku betreft een beschrijving van het moment, doorgaans geschreven in regels van vijf, zeven en weer vijf lettergrepen.’

Op twee manieren vormt zo’n samenvatting een struikelblok. Aan de ene kant omdat wat er staat wel ongeveer klopt, maar onvolledig is: alsof je iemand zou vragen een sonnet te schrijven na enkel gezegd te hebben dat zoiets uit 14 regels bestaat. Aan de andere kant omdat wat er staat wel ongeveer klopt, maar als je je niet bewust bent van cultuurverschillen, je niet doorhebt hoe het klopt (of hoe het ook niet klopt).

Ik wil een paar van die problemen graag verhelderen aan de hand van een van de haiku van Bashō.

Bespreking

‘Maar je hebt vaker iets opgegeven, als op een schaakbord’ – Van begrijpelijkheid en eigenheid; van dragen, belichamen en winst

Telkens als er een nieuwe dichtbundel van Nachoem M. Wijnberg verschijnt – en dat betekent: bijna jaarlijks – herhaalt zich tussen de opvattingen van de dichter en de reacties van een deel van de recensenten een vreemde patstelling. Recensenten grijpen veelvuldig terug op een paradoxaal termenpaar om Wijnbergs gedichten te duiden, zoals helder en raadselachtig of direct en hermetisch. Die twee zijn dan tegelijkertijd van toepassing op de gedichten, waarbij desalniettemin de term aan de ‘mystieke’ kant van het spectrum de overhand lijkt te hebben – de poëzie lijkt helder en direct maar blijft raadselachtig, hermetisch, ondoordringbaar. Het gedicht wordt dus voordat het lezen is begonnen vastgesteld als een ‘geheim’ – en dat is geen ongebruikelijke leeshouding van poëzie in het algemeen – waarbij Wijnbergs poëzie zijn geheim ‘behoudt’ ondanks de helderheid van de taal.

Ten tweede wordt vaak opgemerkt dat Wijnberg ‘naast’ dichter ook hoogleraar in de economie is. Ook die beweging is niet een unieke in het geval van Wijnberg – zodra een dichter of schrijver een opleiding heeft gevolgd aan de bètakant van de faculteiten, maar ook als hij of zij nadrukkelijk vermeldt een bepaalde sport op hoog niveau te beoefenen, wordt diens identiteit vaak in tweeën gespleten. In het geval van Wijnberg blijven de ‘gebieden’ van ‘de poëzie’ en ‘de economie’ vervolgens de rest van de recensie twee afzonderlijke werelden, die niet overlappen, maar in zijn werk (hoogstens) een wisselwerking of kruisbestuiving ondergaan.

Wijnberg zelf spreekt dit soort opvattingen in interviews meestal tegen. Zo ook in het interview dat in juli in het NRC Handelsblad verscheen, naar aanleiding van de bundel die eind vorig jaar verscheen, Van groot belang. Wijnberg zegt zelfs: ‘Als je een krantenartikel kunt lezen, kun je mijn poëzie lezen.’ Hoe kan het dat Wijnberg al een kwarteeuw door veel mensen nadrukkelijk anders gelezen wordt – en dan met name als ondoordringbaarder – dan hoe hij zegt dat hij te lezen is? Is Wijnberg de begrijpelijkheid van zijn werk al meer dan twintig jaar aan het onderschatten? Volgens mij niet.