Bespreking

‘To burn the actual off’ – Ben Lerners The Hatred of Poetry

Deze maand staat Klecks in het teken van Ben Lerner, wiens recent uitgegeven essay, The Hatred of Poetry, in het Nederlands verschijnt als Waarom we poëzie haten. Ben Lerner is bekend als de auteur van drie dichtbundels – The Lichtenberg Figures, Angle of Yaw en Mean Free Path – en twee (ook in het Nederlands vertaalde) romans, Leaving the Atocha Station en 10:04. We beginnen de maand met een bespreking van het essay, en de thema’s die Lerner daarin aansnijdt.

Het essay opent met een gedicht van Marianne Moore, “Poetry”, dat na een heel aantal langere varianten eindigde als dit gedicht van drie regels:

I, too, dislike it.
Reading it, however, with a perfect contempt for it, one discovers in
it, after all, a place for the genuine.

Even nadat hij het vers noemt, vraagt Lerner het volgende:

What kind of art assumes the dislike of its audience and what kind of artist aligns herself with that dislike, even encourages it? An art hated from without and within. What kind of art has as a condition for its possibility a perfect contempt? And then, even reading contemptuously, you don’t achieve the genuine. You can only clear a place for it—you still don’t encounter the actual poem, the genuine article.

Een kunstvorm die zijn eigen minachting vereist als voorwaarde voor zijn werking, wat kan dat zijn? In feite kan Lerners essay gelezen worden als een lange interpretatie en uitwerking van Moore’s gedicht en de vragen die het oproept.

Bespreking

‘Geachte bedachte / zie ons aan’ – Visioenen, het onbeschrijfelijke en de grap

Detail uit 'Lezende mannen' of 'De lezing' ('La Lectura') – Francisco Goya

Deze week verscheen Het moet nog ergens liggen, de nieuwe dichtbundel van Joke van Leeuwen. Op de voorkant zien we een kruk met verbogen poten, getekend door Van Leeuwen zelf, en in de bundel vinden we nog twee vreemde stoelen – de eerste balanceert bijvoorbeeld op één ‘been’.

Door die verbuigingen beginnen de poten op poten te lijken. Ik bedoel natuurlijk: als van dieren. Maar misschien kun je het ook bekijken zoals ik het zeg: door de vervreemding leer je de poten als poten zien – noch van een kruk, noch van een dier. Of andersom: als van beide.

Hoe het ook zij, de manier waarop de afbeeldingen je leren kijken verschilt niet veel van een paar momenten in de bundel zelf. En ook het figuur van de stoel komt terug, in het eerste gedicht, ‘Binnenkomst’, dat aan de vier afdelingen van de bundel voorafgaat:

Bespreking

‘“Wat nu als ik het ben?” Zo inwisselbaar namelijk ben ik best.’ – Engagement en het ‘ik’ bij Perquin

Detail uit 'Portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw' – Jan van Eyck

Twee weken geleden schreef ik over de problematiek van identiteit in engagement, toegespitst op de uitsluitende werking die vermeend universele woorden kunnen hebben. Ik zette een aantal dichters, in wiens gedichten het ‘ik’ en zijn functies worden doorgewerkt, af tegen een naïeve vorm van engagement, die steunt op een eigen en vooral toegeëigend ‘ik’.

In dit stuk zou ik daar op verder willen gaan. Omdat ik het besef van de werkingen van het ‘ik’ tot nu toe een problematiek heb genoemd, zou het idee kunnen ontstaan dat het vooral een probleem is dat moet worden opgelost. Dat is echter alleen het geval vanuit het ‘naïeve’ oogpunt – dat immers aan die werkingen ‘voorbij wil gaan’, en het daarom als obstakel zal moeten ervaren als het benoemd wordt. Dat de werkingen van het ‘ik’ ook juist kunnen worden ingezet, als een soort gereedschap, wil ik naar voren brengen aan de hand van het werk van Ester Naomi Perquin.

Opinie

‘Wat is dat “ik” dat in mij doet?’ – Het probleem van het ‘ik’ in engagement

Op de 34e Nacht van de Poëzie droeg Dichter des Vaderlands Anne Vegter een gedicht voor dat ze geschreven had aan het eind van het parlementaire jaar 2015. De Cultuurpers noemt het een ‘groot statement’, volgens Literair Nederland was Vegter ‘zeker geëngageerd’ ‘met onontkoombare scherpte’, NRC opent met regels uit Vegters gedicht in een stuk dat de hoge hoeveelheid engagement van de avond benadrukt. Het gedicht schildert Nederland af als getroffen door oorlog of aanslagen, met ‘ontploffingen bij benzinestations’, een ‘grote brand’ in Utrecht, lijken in grachten die worden aangevreten door honden, mensen onder puin, gaswolken boven Overijssel. ‘[D]e Veluwe staat in brand’ en ‘iedereen rent’. ‘Het is onveilig voor meisjes. / In de nacht worden ze uit de rijen geplukt.’

Het heet ‘De overkant’, en sluit af met de volgende regels:

Waar is de overheid?
Er zouden tientallen boten klaarliggen om Nederlanders naar de overkant te brengen.
We zijn met duizenden.
Onze boten bezwijken bijna onder het gewicht van de mensen.
Er glijden lichamen over de randen van de boten.
Er keren boten terug.
Met levenden en doden.
Waar is de overkant?
Er is geen overkant.
We drijven verder.
We spoelen over de hele wereld aan.
Niemand zit op vluchtelingen te wachten.
Gelukszoekers.
Zo worden we genoemd.

Haiku

Aan de poort van vroeger – Het moment en de geschiedenis in Bashō’s haiku

Hoewel de haiku inmiddels al ongeveer een eeuw aan bekendheid wint in het westen, blijft het lastig de vorm te vertalen of begrijpen zonder dat hij veel verliest van wat hem – volgens mij – de moeite waard maakt. De meeste westerse ‘definities’ komen ongeveer overeen met wat Ellen Deckwitz in Olijven moet je leren lezen schrijft: ‘Ter opfrissing: een haiku betreft een beschrijving van het moment, doorgaans geschreven in regels van vijf, zeven en weer vijf lettergrepen.’

Op twee manieren vormt zo’n samenvatting een struikelblok. Aan de ene kant omdat wat er staat wel ongeveer klopt, maar onvolledig is: alsof je iemand zou vragen een sonnet te schrijven na enkel gezegd te hebben dat zoiets uit 14 regels bestaat. Aan de andere kant omdat wat er staat wel ongeveer klopt, maar als je je niet bewust bent van cultuurverschillen, je niet doorhebt hoe het klopt (of hoe het ook niet klopt).

Ik wil een paar van die problemen graag verhelderen aan de hand van een van de haiku van Bashō.

Bespreking

‘Maar je hebt vaker iets opgegeven, als op een schaakbord’ – Van begrijpelijkheid en eigenheid; van dragen, belichamen en winst

Telkens als er een nieuwe dichtbundel van Nachoem M. Wijnberg verschijnt – en dat betekent: bijna jaarlijks – herhaalt zich tussen de opvattingen van de dichter en de reacties van een deel van de recensenten een vreemde patstelling. Recensenten grijpen veelvuldig terug op een paradoxaal termenpaar om Wijnbergs gedichten te duiden, zoals helder en raadselachtig of direct en hermetisch. Die twee zijn dan tegelijkertijd van toepassing op de gedichten, waarbij desalniettemin de term aan de ‘mystieke’ kant van het spectrum de overhand lijkt te hebben – de poëzie lijkt helder en direct maar blijft raadselachtig, hermetisch, ondoordringbaar. Het gedicht wordt dus voordat het lezen is begonnen vastgesteld als een ‘geheim’ – en dat is geen ongebruikelijke leeshouding van poëzie in het algemeen – waarbij Wijnbergs poëzie zijn geheim ‘behoudt’ ondanks de helderheid van de taal.

Ten tweede wordt vaak opgemerkt dat Wijnberg ‘naast’ dichter ook hoogleraar in de economie is. Ook die beweging is niet een unieke in het geval van Wijnberg – zodra een dichter of schrijver een opleiding heeft gevolgd aan de bètakant van de faculteiten, maar ook als hij of zij nadrukkelijk vermeldt een bepaalde sport op hoog niveau te beoefenen, wordt diens identiteit vaak in tweeën gespleten. In het geval van Wijnberg blijven de ‘gebieden’ van ‘de poëzie’ en ‘de economie’ vervolgens de rest van de recensie twee afzonderlijke werelden, die niet overlappen, maar in zijn werk (hoogstens) een wisselwerking of kruisbestuiving ondergaan.

Wijnberg zelf spreekt dit soort opvattingen in interviews meestal tegen. Zo ook in het interview dat in juli in het NRC Handelsblad verscheen, naar aanleiding van de bundel die eind vorig jaar verscheen, Van groot belang. Wijnberg zegt zelfs: ‘Als je een krantenartikel kunt lezen, kun je mijn poëzie lezen.’ Hoe kan het dat Wijnberg al een kwarteeuw door veel mensen nadrukkelijk anders gelezen wordt – en dan met name als ondoordringbaarder – dan hoe hij zegt dat hij te lezen is? Is Wijnberg de begrijpelijkheid van zijn werk al meer dan twintig jaar aan het onderschatten? Volgens mij niet.

Bespreking

‘Het is niet de taak van de centrale bank om likes op Facebook te verzamelen’

Het is een veelgehoorde kreet: een stuk openen met een veelgehoorde kreet zonder daarbij ook maar enige bron te vermelden, om vervolgens in dat stuk op een rigoureuze doch gevatte manier tegen die kreet in te gaan, zodat jij je als schrijver serieus en toch gezellig af kunt zetten tegen die niet nader te benoemen (maar duidelijk minder serieuze en gezellige) groep ‘anderen’, en aantoont dat je niet, zoals zij, opgaat in de waan van de dag.

Nog een voorbeeld van een veelgehoorde kreet: dat literatuur bij uitstek haaks moet staan op de waan van de dag. Een mooi ideaal. Maar zijn we dat, op het moment, als literair bedrijf aan het bereiken? En hoe test je zoiets?

Om te zien of literatuur haaks staat op de waan van de dag, moet de kritiek misschien haaks op het haaks op de waan van de dag staan gaan staan. Ik heb daarom de volgende (toegegeven, ietwat onorthodoxe) methode gekozen: ik zal de gedichtenreeks die Alfred Schaffer gepubliceerd heeft in de Tirade die gisteren door mijn brievenbus viel, recenseren/interpreteren met aan het ene uiterste de kranten van gisteren en vandaag (in het bijzonder: het NRC Handelsblad van gisteren, en het AD en Financieel Dagblad van vandaag) en aan het andere uiterste de door de Gereformeerde Bijbelstichting op drukfouten gecorrigeerde Statenvertaling uit 1657 (dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de Canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen TESTAMENTS).

Bespreking

De zeer oude zong

Is het een gedicht waarover iemand het nog zou kunnen hebben, Luceberts ‘De zeer oude zingt’? Sommige gedichten of dichtregels zijn misschien zo bekend geworden, heeft ‘iedereen’ al zo sterk ingeprent, dat we elkaar niet echt meer horen praten als we het erover proberen te hebben. Net als het feit dat je misschien Koplands ‘Jonge sla’ niet meer kunt voordragen zonder dan vooral het totaal doodgelezen-zijn van dat gedicht ten gehore te brengen.

Laat ik dat dan maar als uitgangspunt nemen, dat ik het niet (meer) over ‘De zeer oude zingt’ kan hebben. Als dat niet kan, maar ik schrijf alsof ik het doe, dan heb ik het over iets anders – misschien is dat nog iets waard. Want als zoiets, die onleesbaarheid door overexposure, iets is dat in principe elk gedicht had en zou kunnen overkomen, gaat niet elk gedicht daar dan (onder andere) over? Over hoe het zichzelf onleesbaar maakt?

Bespreking

Notities bij Rebecca Farivar, Correct Animal

Een paar jaar geleden struikelde ik over een paar gedichten op het internet, smalle, simpele gedichten. Na enig zoeken vond ik een bundeltje bij een kleine uitgeverij in Portland. Nu ik het weer uit de kast haal, ontdek ik dat ik van veel bladwijzers (die ik meestal gewoon laat zitten bij gedichten die ik tof vind) niet weet of ze bij de linker of rechter bladzijde hoorden. Ik kan me nog steeds wel inbeelden waarom ik dit tof vond – ik ben sowieso een sucker voor collecties kleine voorwerpen (zie ook verzamelingen netsuke of Kafka’s Zürau-aforismen) – tegelijkertijd weet ik niet of ik, afgezien van wat ik op internet zou vinden, nu nog een bundel uit Oregon over zou laten vliegen.

Een paar opmerkingen bij het herlezen van Correct Animal, van Rebecca Farivar.

Bespreking

‘Niets meer dan afstand’

Vorig jaar verscheen Meer mensen dan reddingsvesten, de vierde bundel van C. Buddingh’-winnaar Willem Thies. De bundel bestaat uit vier afdelingen, waarvan de eerste, ‘Quitte’, beschrijft hoe binnen een relatie afstand ontstaat en weer afneemt – misschien niet precies ontstaat, niet afneemt, maar in elk geval: verandert.

Vanzelfsprekendheid zelf is waarin je je thuis kunt voelen, waarin je zonder onderbreking kunt bewegen.