Bespreking

‘Het is niet de taak van de centrale bank om likes op Facebook te verzamelen’

Het is een veelgehoorde kreet: een stuk openen met een veelgehoorde kreet zonder daarbij ook maar enige bron te vermelden, om vervolgens in dat stuk op een rigoureuze doch gevatte manier tegen die kreet in te gaan, zodat jij je als schrijver serieus en toch gezellig af kunt zetten tegen die niet nader te benoemen (maar duidelijk minder serieuze en gezellige) groep ‘anderen’, en aantoont dat je niet, zoals zij, opgaat in de waan van de dag.

Nog een voorbeeld van een veelgehoorde kreet: dat literatuur bij uitstek haaks moet staan op de waan van de dag. Een mooi ideaal. Maar zijn we dat, op het moment, als literair bedrijf aan het bereiken? En hoe test je zoiets?

Om te zien of literatuur haaks staat op de waan van de dag, moet de kritiek misschien haaks op het haaks op de waan van de dag staan gaan staan. Ik heb daarom de volgende (toegegeven, ietwat onorthodoxe) methode gekozen: ik zal de gedichtenreeks die Alfred Schaffer gepubliceerd heeft in de Tirade die gisteren door mijn brievenbus viel, recenseren/interpreteren met aan het ene uiterste de kranten van gisteren en vandaag (in het bijzonder: het NRC Handelsblad van gisteren, en het AD en Financieel Dagblad van vandaag) en aan het andere uiterste de door de Gereformeerde Bijbelstichting op drukfouten gecorrigeerde Statenvertaling uit 1657 (dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de Canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen TESTAMENTS).

Bespreking

De zeer oude zong

Is het een gedicht waarover iemand het nog zou kunnen hebben, Luceberts ‘De zeer oude zingt’? Sommige gedichten of dichtregels zijn misschien zo bekend geworden, heeft ‘iedereen’ al zo sterk ingeprent, dat we elkaar niet echt meer horen praten als we het erover proberen te hebben. Net als het feit dat je misschien Koplands ‘Jonge sla’ niet meer kunt voordragen zonder dan vooral het totaal doodgelezen-zijn van dat gedicht ten gehore te brengen.

Laat ik dat dan maar als uitgangspunt nemen, dat ik het niet (meer) over ‘De zeer oude zingt’ kan hebben. Als dat niet kan, maar ik schrijf alsof ik het doe, dan heb ik het over iets anders – misschien is dat nog iets waard. Want als zoiets, die onleesbaarheid door overexposure, iets is dat in principe elk gedicht had en zou kunnen overkomen, gaat niet elk gedicht daar dan (onder andere) over? Over hoe het zichzelf onleesbaar maakt?

Bespreking

Notities bij Rebecca Farivar, Correct Animal

Een paar jaar geleden struikelde ik over een paar gedichten op het internet, smalle, simpele gedichten. Na enig zoeken vond ik een bundeltje bij een kleine uitgeverij in Portland. Nu ik het weer uit de kast haal, ontdek ik dat ik van veel bladwijzers (die ik meestal gewoon laat zitten bij gedichten die ik tof vind) niet weet of ze bij de linker of rechter bladzijde hoorden. Ik kan me nog steeds wel inbeelden waarom ik dit tof vond – ik ben sowieso een sucker voor collecties kleine voorwerpen (zie ook verzamelingen netsuke of Kafka’s Zürau-aforismen) – tegelijkertijd weet ik niet of ik, afgezien van wat ik op internet zou vinden, nu nog een bundel uit Oregon over zou laten vliegen.

Een paar opmerkingen bij het herlezen van Correct Animal, van Rebecca Farivar.

Bespreking

‘Niets meer dan afstand’

Vorig jaar verscheen Meer mensen dan reddingsvesten, de vierde bundel van C. Buddingh’-winnaar Willem Thies. De bundel bestaat uit vier afdelingen, waarvan de eerste, ‘Quitte’, beschrijft hoe binnen een relatie afstand ontstaat en weer afneemt – misschien niet precies ontstaat, niet afneemt, maar in elk geval: verandert.

Vanzelfsprekendheid zelf is waarin je je thuis kunt voelen, waarin je zonder onderbreking kunt bewegen.

Opinie

Doorheengaan, voorbijgaan – Na ‘het’ postmodernisme

Dit jaar verscheen Dichters van het nieuwe millenium, onder redactie van Jeroen Dera, Sarah Posman en Kila van der Starre – via Facebook kreeg ik er het een en ander van mee. Wat me benieuwd maakte waren vooral ook (negatieve) reacties van mensen op de inleiding, of zelfs maar op de titel. Ik heb net als die mensen inmiddels de titel en de inleiding gelezen, dus zie ik mijn kans schoon om ook een mening te hebben – maar dan over die reacties zelf.

Bespreking

‘Ik geloof in de dood’ – Van rouw & zombiewording

In 2013 debuteerde Maarten van der Graaff (1987) met Vluchtautogedichten, waarvoor hij in 2014 de C. Buddingh’-prijs ontving. Twee jaar later, in 2015, publiceerde hij Dood werk. Die laatste bundel bestaat uit twee afdelingen, één met lijsten, één met geklokte gedichten.

Het klokken is niet beperkt tot de gedichten daar. ‘In 2013’, ‘in 2014’, ‘in 2015’ – ik klok net vlug een stuk van Van der Graaffs leven. Van zijn leven? Van zijn leven in de mate waarin hij zich opschrijft, waarin hij zich literair produceert of literair geproduceerd wordt, wat eigenlijk vooral wil zeggen: zijn leven in de mate waarin hij dood is. Die notie komt ook langs in het vierentwintigste geklokte gedicht (‘waarin sectie wordt gepleegd’): ’20:28 Ik ben al dood en teken op / hoe ik heb geleefd.’

Hoe kunnen we Maarten van der Graaffs dood begrijpen?

Algemeen

Opening Klecks

Dit is Klecks. Hier willen we het gaan hebben over literatuur in het algemeen, en poëzie in het bijzonder. Hoe dat precies zit, kun je in feite veel beter hier lezen – daar hebben we het allemaal al uitgelegd.

Om te beginnen hebben we vast drie artikelen online geslingerd: