Bespreking

‘het programma dat u probeert af te sluiten / is in gebruik.’ – Daniël Vis’ Insect Redux en het 21e-eeuws sublieme

Detail uit Anish Kapoors 'Flayed' (2016)

Hoe doet de wereld zich aan ons voor?

Is dat een goede vraag? We zouden hem kunnen proberen te herformuleren, bijvoorbeeld als: Hoe ervaren wij de wereld? Maar daarmee zien we meteen al een deel van een antwoord – een mogelijk antwoord. De wereld doet zich voor, in dat geval, als een iets dat wij al dan niet ervaren.

Wanneer Heidegger in het begin van de twintigste eeuw Zijn en tijd schrijft, stelt hij dat de westerse filosofie elk ‘iets’ heeft beschouwd als een object. Een object is een ding met eigenschappen: een hamer is zwaar, de zon is heet, een hamster is schattig. Hij beschouwt dat niet zozeer als een fout, maar wel als een beperkte blik. Een hamer is, voordat wij het als object kunnen beschouwen, iets dat we ter hand kunnen nemen – een hamer is iets waarmee we timmeren.

Intussen zet juist de aldus bedreigde mens een hoge borst op en waant hij zich de heer der aarde.

We hebben die beperkte blik ook op onszelf gericht. De mens valt dan op twee manieren te bekijken: ofwel als degene die kijkt (en al die objecten tegenover zich ziet), ofwel als een van die objecten. Dat begint al bij de Griekse filosofie: een mens is ‘een dier met rede.’ Of, bijvoorbeeld bij Plato, een mens is een dier dat kan dansen. (Wat op hetzelfde neerkomt: Plato beschouwt dansen als het redelijk organiseren, sorteren, van bij dieren ongecontroleerde bewegingen; net als zingen voor hem het organiseren van een dierlijk roepen is.)

Bespreking

‘een woord dat vlees vindt’ – Joost Decortes Stalker en de grein van het schrijven

Detail uit Andreus Vesalius (Andries van Wesele) – De humani corporis fabrica

‘Als men zich een esthetica van het tekstplezier zou kunnen indenken,’ schrijft Roland Barthes in Het plezier van de tekst, ‘zou men daarin moeten opnemen: het hardop schrijven.’ Dat is niet, zegt hij, ‘spreken’, en hij schrijft er slechts over alsof het bestaat. Wat niet wil zeggen dat Barthes maar wat aan het fantaseren is – sommige dingen laten zich misschien niet anders bespreken dan onder de suspensie van zo’n ‘alsof’. Het hardop schrijven is niet ‘expressief’, het laat ‘de uitdrukking’ over aan ‘de feno-tekst, aan de vaste code van communicatie’ – de bestaande vormen van grammatica, spelling, begrijpelijkheid, enzovoort; wat we al met al ‘cultuur’ zouden kunnen noemen. ‘Zelf behoort het veel meer tot de geno-tekst, tot de betekening; het wordt niet door de dramatische stembuigingen, de boosaardige intonaties, door de welwillende accenten gedragen, maar door het grein van de stem, dat een erotisch mengsel is van timbre en taal.’ Even verderop: ‘Wat de klanken van de taal betreft is het hardop schrijven niet fonologisch maar fonetisch; het doel ervan is niet de helderheid van de boodschappen, het theater van de emoties; het zoekt veeleer (in een streven naar genot) de driftbewegingen, de met huid bedekte taal, een tekst waarin men het grein van de keel, het patina van de medeklinkers, de wellust van de klinkers, een hele stereofonie van de diepte van het vlees kan horen: de articulatie van lichaam en taal, niet die van betekenis en taalgebruik.’ Het gaat erom de woorden in hun materialiteit, zinnelijkheid, om met de ademtocht, de rauwheid, ‘het vlees van de lippen, heel de uitstraling van de menselijke bek’ te laten horen. Niet de klanken met het oog op hun isolatie tot betekenisvolle elementen van een taal, maar de klanken in het verlangen naar het lichaam dat ze draagt.

Bespreking

‘ik bedoel zij maken een wereld / die hun werd onthouden / door hem te bevolken’ – Over nalatenschap, restanten, overleven en -leveren

Detail uit 'A view of Vesuvius from Posillipo, Naples', Joseph Wright of Derby

Ik zag laatst A Ghost Story, een trage film over rouw, voortleven, herinneren (enzovoort). Casey Affleck speelt het grootste deel van de film een zwijgend lakenspook dat ziet hoe zijn vriendin na een tijdje vertrekt uit het huis waar ze samen woonden, hoe een ander gezin intrekt, ook weer weggaat. Op een zeker moment wordt er in dat huis een feestje gevierd door een stel jonge mensen, en houdt een bebuikte, bebaarde gast na zijn zoveelste biertje een monoloog over, ja, iets als: de zin van het leven, niveau tiener-die-een-half-kantje-Nietzsche-heeft-gelezen-en-nu-de-wereld-snapt.

De strekking is zo’n beetje: God bestaat niet en we gaan allemaal dood, dus niets heeft zin. Met name kinderen en kunstwerken niet. (Op naar het volgende biertje.)

Het is altijd een beetje een tegenstrijdige beweging: heel graag de zinloosheid willen evangeliseren. Toch is de vraag misschien het vragen waard: waarom het gedicht? Waar schrijf je het voor? Voor wie? Moet het overleven? Hoe lang? (Enzovoort.) (In mijn achterhoofd echoot een zin uit Jeroen Mettes’ poëtica bij ‘N30’: ‘Het probleem is dat een gedicht niet kan worden gerechtvaardigd. Er is geen excuus voor.’)

Bespreking

‘je kind smelt / dat is ook de natuur’ – Maartje Smits onderzoekt persoonlijk wat er van de natuur overblijft

Filmstill uit 'poldernostalgie' (2016) van Maartje Smits

Als God de schepping heeft voltooid, stelt hij de dieren die hij heeft gemaakt stuk voor stuk voor aan de eerste mens, Adam, zodat hij ze een naam kan geven. ‘En zoals de mens elk levend wezen noemen zou, zo zou het heten,’ Genesis 2:19. Zo zullen ze heten – maar voor wie? De meeste dieren trekken zich weinig aan van de soortnamen die wij ze geven. Geen wonder dat God meteen na deze doopmarathon een tweede mens schept.

Maartje Smits stelt die vraag naar de namen scherp in haar nieuwe bundel Hoe ik een bos begon in mijn badkamer (2017). Ze schets de situatie van de laatste mens, een vrouw die nooit meer baren zal in een van de laatste gedichten uit de bundel. De vrouw heeft melkklieren ‘waar generaties in zijn verschrompeld’. Dit is de laatste strofe van het gedicht:

dit is toch geen plek om uit te sterven
de laatste mens tekent hokjes in het zand
om zich thuis te voelen
ze kent alle namen van dieren en andere
begrippen die in onbruik zijn geraakt

Bespreking

‘op dit hân-skip hear en fiel ik ferheard oan / en sjoch it wurdt freonskip’ – Poëzie als een handelend spreken

Bileam en de engel – Detail van een illustratie uit de Holman Bijbel (1890)

In Tusken de bedriuwen troch is âlderdom (1981) opent Tsjêbbe Hettinga een gedicht met de volgende regels:

nei de lange boatreis ta it fleis bin ik by har belâne
lân lyk in minske wetterich widzjend en fol geheimen noch
fee en flinter de winter de baas befolkje it fredich fjild
en as kabouter op dit hân-skip hear en fiel ik ferheard oan

en sjoch it wurdt freonskip

[na de lange bootreis naar het vlees ben ik bij hen beland
land als een mens waterig wiegend en vol geheimen nog
vee en vlinder de winter de baas bevolken het vredige veld
en als kabouter op dit handschap hoor en voel ik verwondering

en zie het wordt vriendschap]

En daarin beginnen al een aantal onderwerpen waarover ik het zou willen hebben. Laat ik ze voor nu samenvatten in twee ideeën: 1) dat van een handschap, van het land als een handschap, en 2) dat van een blinde die ons vraagt te zien, een blinde die ons zegt: zie het wordt vriendschap. Met die blinde bedoel ik niet Hettinga, of óók, maar daar gaat het me niet om – ik bedoel dat het gedicht niet zien kan waar het ons op wil wijzen.

Bespreking

‘Wurdt wjerljocht byldtaal’ – Over de droom in het late werk van Tsjêbbe Hettinga

Detail uit 'Jacobs droom' (1614) - Domenico Fetti

De dood heeft een eind gemaakt aan Tsjêbbe Hettinga’s oeuvre. Dat wil zeggen: er komen geen gedichten meer bij, we kunnen hoogstens nog onbekend werk ontdekken. Zo’n overzicht – op het omslag van It faderpaard (2017) staat het absolute ‘Alle gedichten’ – is verleidelijk. De compleetheid ervan maakt het aanlokkelijk om Hettinga’s dichterschap ook samen te vatten en een definitief oordeel te vellen over zijn werk. Maar de dood, hoe beslist ook, beëindigt wel maar voltooit niets.

Bespreking, Opinie

‘Hettinga weigert.’ – Over autobiografie, projectie, en het bespreken van levenswerk

Detail uit een scherm van Hasegawa Tōhaku, afbeelding van dennenbomen.

Op zaterdag 13 mei plaatste de Volkskrant naar mijn weten als het eerste landelijke dagblad een recensie van Het vaderpaard / It faderpaard, het recent verschenen verzamelde werk van Tsjêbbe Hettinga. De recensie is geschreven door Maria Barnas, neemt de helft van bladzijde 23 van Sir Edmund in beslag – op de bovenste helft siert een foto van schapen in een door mist bedekt weiland. Hij telt 507 woorden, waarvan 59 aan geciteerde poëzie. Naast de recensie staat informatie over het boek; vertaler(s), uitgeverij, verkoopprijs, het aantal bladzijden (832), het genre, de titel, en gelukkig ook het aantal sterren dat deze bundeling gedichten verdient.

Hoe beoordeel je het werk van een man die, beginnend bij zijn vierentwintigste levensjaar, tot na zijn vierenzestigste – zijn laatste bundel werd postuum op zijn computer gevonden – poëzie publiceerde?

Bijvoorbeeld met een score van 3 uit 5.

Laat ik meteen zeggen aan te nemen dat Barnas die sterren liever ook achterwege zou laten. (Ik heb geen idee hoeveel vrijheid een recensent zou hebben zo’n beoordeling te weigeren.) Laat ik, voordat ik verder ga, ook benadrukken dat ik in zekere zin opkijk naar mensen die zich in staat voelen tot het op zo’n manier beoordelen van poëzie, in dit geval van een geheel oeuvre. Hoewel ik achter de ideeën staan waarmee er hier op Klecks stukken geplaatst worden, is het natuurlijk evengoed te zien als een vlucht om poëzie meer te bespreken dan echt te recenseren. Desalniettemin rijst de vraag: hoe moet je zo’n enorme hoeveelheid poëzie in zo’n kleine ruimte behandelen?

Bespreking

‘And yet:’ – Over relativisme, oprechtheid en ironie

Detail uit 'Jeanne d'Arc' (1879) van Jules Bastien-Lepage

Alle bezoekers van de laatste Gidslezing, gegeven door Ben Lerner, konden een cahier mee naar huis nemen met daarin een lang gedicht van Lerner, inclusief vertaling en een inleiding door Piet Gerbrandy: The Dark Threw Patches Upon Me Also. De lezing vormde een mooie gelegenheid voor De Gids om zowel op papier als online over de Amerikaanse dichter de publiceren, wat onder andere een mooi lang stuk van weer Gerbrandy opleverde, waarin hij No Art (2017) leest, Lerners recent verzamelde poëtische oeuvre.

Lerner gaf, in zijn vlugge maar erg verstaanbare Amerikaans, een indrukwekkende lezing, waarin hij ook weer blijk gaf van zijn blijvende interesse in authenticiteit en maatschappelijk engagement. Gerbrandy stipt die onderwerpen ook aan in zijn stuk en zijn inleiding. Het zijn begrippen die, samen met bijvoorbeeld ironie, inmiddels al even centraal staan binnen wat je het literaire gesprek zou kunnen noemen – of zeg maar gerust het culturele gesprek. In zijn lange gedicht problematiseert bijvoorbeeld Lerner de oprechtheid waarmee we voor een gemeenschap zouden kunnen spreken.

Binnen dat gesprek, ook in de manier waarop Lerner veelal wordt gelezen, is postmodern relativisme of al dan niet postmoderne ironie vaak de antagonist. En dat perspectief is een beetje gevaarlijk. Het neigt er namelijk naar de problematiek van een dichter als Lerner terug te brengen tot een sociaal-culturele modegril, in plaats van een fundamenteel probleem van denken, taal en literatuur. Waarbij het probleem ook is dat die twee niet per se gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn.

Bespreking

‘Misslagen bestaan niet’ – Over naïviteit in De geluiden van Paul Meeuws

Detail van 'Verkrampte hand' (1885) van Auguste Rodin

De meeste bundels die we lezen op Klecks, lezen we omdat ze onze interesse hebben gegrepen, op de een of andere manier. Met Paul Meeuws De geluiden (2016) ligt dat anders. Na de Buddingh-nominatie, die voor ons een verrassing was, vond ik dat een bespreking niet uit kon blijven. Blijkbaar was dit een van de beste debuten van dit jaar, die moest ik toch op een interessante manier kunnen bespreken.

Ik wil niet impliceren dat het zo moeilijk is om Meeuws interessant te lezen. Er zat mij alleen iets in de weg, iets dat ik denk ik een plek heb kunnen geven in mijn ervaring van de gedichten, maar iets dat wel ook bepalend is geworden voor die ervaring. Tijdens het lezen van De geluiden zat me een bepaalde nostalgie dwars die me tekenend leek voor Meeuws’ bundel. Een bepaalde idealisering van het verleden als een periode waarin de wereld eenduidiger was, een eenheid. Een puurder vroeger.

Bespreking

‘Wie is het die loog: / mijn hoofd of mijn oog?’ – Over kinderpoëzie, herkenbaarheid, intensivering en Shakespeare

Detail uit een Superguppie-illustratie door Fleur van der Weel

Min of meer naar aanleiding van dit stuk in het NRC, ben ik de afgelopen tijd eens de ‘kinderpoëzie’ ingedoken. Dat plaats ik meteen maar tussen aanhalingstekens, want intuïtief zie ik niet helemaal hoe ik die van ‘gewone’ of ‘volwassen’ poëzie zou moeten onderscheiden. Is volwassen poëzie ‘moeilijker’? Moeilijker hoe? Ik heb niet het idee dat ik, wanneer ik poëzie lees, primair bezig ben met een intellectuele oefening die ingewikkelder of minder ingewikkeld zou kunnen. Een gedicht kan zich misschien de ene keer makkelijker prijsgeven dan de andere, maar die verwoording moet ons niet misleiden te denken dat het punt van een gedicht is om te ‘ontdekken’ wat het ‘achterhoudt’. (Daar schreef ik eerder over, in de context van recensenten die Nachoem M. Wijnbergs poëzie maar al te gemakkelijk ‘geheimzinnig’ vinden.)

Een van mijn langer standhoudende intuïties is het idee dat een gedicht de taal intensiveert. Wat ik daarmee bedoel is dat poëzie geen essentieel andere manier van spreken is dan ons dagelijkse taalgebruik, maar dat poëzie op een strategische manier gebruikmaakt van de mogelijkheden die binnen die dagelijkse taal al bestaan. Er zit een bepaalde moeilijkheid in het aanwijzen van die strategieën, omdat het niet altijd een kwestie is van een van het gedicht los te denken ‘vorm’, iets dat je zou kunnen abstraheren om het vervolgens ‘nog eens’ met een ander gedicht te proberen.

Hoe het ook zij, ik merkte dat de ‘kinderpoëzie’, zoals het NRC kopte, inderdaad soms ‘beter’ zou moeten kunnen – iets waar we het weinig over hebben, hier op Klecks, omdat de stukken hier niet primair uit moeten zijn op een waardeoordeel. Waar het ‘m voor mij in zat, was het feit dat veel van de poëzie naar mijn idee enkel een poging deed herkenbaar te zijn – en dat staat misschien lijnrecht tegenover die intensivering waar ik het net over heb. Het is misschien dan ook beter niet te spreken over ‘beter’ of ‘slechter’, maar simpelweg te benoemen dat veel van de gedichten weinig voor me lijken te doen.