Bespreking

‘je kind smelt / dat is ook de natuur’ – Maartje Smits onderzoekt persoonlijk wat er van de natuur overblijft

Filmstill uit 'poldernostalgie' (2016) van Maartje Smits

Als God de schepping heeft voltooid, stelt hij de dieren die hij heeft gemaakt stuk voor stuk voor aan de eerste mens, Adam, zodat hij ze een naam kan geven. ‘En zoals de mens elk levend wezen noemen zou, zo zou het heten,’ Genesis 2:19. Zo zullen ze heten – maar voor wie? De meeste dieren trekken zich weinig aan van de soortnamen die wij ze geven. Geen wonder dat God meteen na deze doopmarathon een tweede mens schept.

Maartje Smits stelt die vraag naar de namen scherp in haar nieuwe bundel Hoe ik een bos begon in mijn badkamer (2017). Ze schets de situatie van de laatste mens, een vrouw die nooit meer baren zal in een van de laatste gedichten uit de bundel. De vrouw heeft melkklieren ‘waar generaties in zijn verschrompeld’. Dit is de laatste strofe van het gedicht:

dit is toch geen plek om uit te sterven
de laatste mens tekent hokjes in het zand
om zich thuis te voelen
ze kent alle namen van dieren en andere
begrippen die in onbruik zijn geraakt

Bespreking

‘op dit hân-skip hear en fiel ik ferheard oan / en sjoch it wurdt freonskip’ – Poëzie als een handelend spreken

Bileam en de engel – Detail van een illustratie uit de Holman Bijbel (1890)

In Tusken de bedriuwen troch is âlderdom (1981) opent Tsjêbbe Hettinga een gedicht met de volgende regels:

nei de lange boatreis ta it fleis bin ik by har belâne
lân lyk in minske wetterich widzjend en fol geheimen noch
fee en flinter de winter de baas befolkje it fredich fjild
en as kabouter op dit hân-skip hear en fiel ik ferheard oan

en sjoch it wurdt freonskip

[na de lange bootreis naar het vlees ben ik bij hen beland
land als een mens waterig wiegend en vol geheimen nog
vee en vlinder de winter de baas bevolken het vredige veld
en als kabouter op dit handschap hoor en voel ik verwondering

en zie het wordt vriendschap]

En daarin beginnen al een aantal onderwerpen waarover ik het zou willen hebben. Laat ik ze voor nu samenvatten in twee ideeën: 1) dat van een handschap, van het land als een handschap, en 2) dat van een blinde die ons vraagt te zien, een blinde die ons zegt: zie het wordt vriendschap. Met die blinde bedoel ik niet Hettinga, of óók, maar daar gaat het me niet om – ik bedoel dat het gedicht niet zien kan waar het ons op wil wijzen.

Bespreking

‘Wurdt wjerljocht byldtaal’ – Over de droom in het late werk van Tsjêbbe Hettinga

Detail uit 'Jacobs droom' (1614) - Domenico Fetti

De dood heeft een eind gemaakt aan Tsjêbbe Hettinga’s oeuvre. Dat wil zeggen: er komen geen gedichten meer bij, we kunnen hoogstens nog onbekend werk ontdekken. Zo’n overzicht – op het omslag van It faderpaard (2017) staat het absolute ‘Alle gedichten’ – is verleidelijk. De compleetheid ervan maakt het aanlokkelijk om Hettinga’s dichterschap ook samen te vatten en een definitief oordeel te vellen over zijn werk. Maar de dood, hoe beslist ook, beëindigt wel maar voltooit niets.

Bespreking, Opinie

‘Hettinga weigert.’ – Over autobiografie, projectie, en het bespreken van levenswerk

Detail uit een scherm van Hasegawa Tōhaku, afbeelding van dennenbomen.

Op zaterdag 13 mei plaatste de Volkskrant naar mijn weten als het eerste landelijke dagblad een recensie van Het vaderpaard / It faderpaard, het recent verschenen verzamelde werk van Tsjêbbe Hettinga. De recensie is geschreven door Maria Barnas, neemt de helft van bladzijde 23 van Sir Edmund in beslag – op de bovenste helft siert een foto van schapen in een door mist bedekt weiland. Hij telt 507 woorden, waarvan 59 aan geciteerde poëzie. Naast de recensie staat informatie over het boek; vertaler(s), uitgeverij, verkoopprijs, het aantal bladzijden (832), het genre, de titel, en gelukkig ook het aantal sterren dat deze bundeling gedichten verdient.

Hoe beoordeel je het werk van een man die, beginnend bij zijn vierentwintigste levensjaar, tot na zijn vierenzestigste – zijn laatste bundel werd postuum op zijn computer gevonden – poëzie publiceerde?

Bijvoorbeeld met een score van 3 uit 5.

Laat ik meteen zeggen aan te nemen dat Barnas die sterren liever ook achterwege zou laten. (Ik heb geen idee hoeveel vrijheid een recensent zou hebben zo’n beoordeling te weigeren.) Laat ik, voordat ik verder ga, ook benadrukken dat ik in zekere zin opkijk naar mensen die zich in staat voelen tot het op zo’n manier beoordelen van poëzie, in dit geval van een geheel oeuvre. Hoewel ik achter de ideeën staan waarmee er hier op Klecks stukken geplaatst worden, is het natuurlijk evengoed te zien als een vlucht om poëzie meer te bespreken dan echt te recenseren. Desalniettemin rijst de vraag: hoe moet je zo’n enorme hoeveelheid poëzie in zo’n kleine ruimte behandelen?

Bespreking

‘And yet:’ – Over relativisme, oprechtheid en ironie

Detail uit 'Jeanne d'Arc' (1879) van Jules Bastien-Lepage

Alle bezoekers van de laatste Gidslezing, gegeven door Ben Lerner, konden een cahier mee naar huis nemen met daarin een lang gedicht van Lerner, inclusief vertaling en een inleiding door Piet Gerbrandy: The Dark Threw Patches Upon Me Also. De lezing vormde een mooie gelegenheid voor De Gids om zowel op papier als online over de Amerikaanse dichter de publiceren, wat onder andere een mooi lang stuk van weer Gerbrandy opleverde, waarin hij No Art (2017) leest, Lerners recent verzamelde poëtische oeuvre.

Lerner gaf, in zijn vlugge maar erg verstaanbare Amerikaans, een indrukwekkende lezing, waarin hij ook weer blijk gaf van zijn blijvende interesse in authenticiteit en maatschappelijk engagement. Gerbrandy stipt die onderwerpen ook aan in zijn stuk en zijn inleiding. Het zijn begrippen die, samen met bijvoorbeeld ironie, inmiddels al even centraal staan binnen wat je het literaire gesprek zou kunnen noemen – of zeg maar gerust het culturele gesprek. In zijn lange gedicht problematiseert bijvoorbeeld Lerner de oprechtheid waarmee we voor een gemeenschap zouden kunnen spreken.

Binnen dat gesprek, ook in de manier waarop Lerner veelal wordt gelezen, is postmodern relativisme of al dan niet postmoderne ironie vaak de antagonist. En dat perspectief is een beetje gevaarlijk. Het neigt er namelijk naar de problematiek van een dichter als Lerner terug te brengen tot een sociaal-culturele modegril, in plaats van een fundamenteel probleem van denken, taal en literatuur. Waarbij het probleem ook is dat die twee niet per se gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn.

Bespreking

‘Misslagen bestaan niet’ – Over naïviteit in De geluiden van Paul Meeuws

Detail van 'Verkrampte hand' (1885) van Auguste Rodin

De meeste bundels die we lezen op Klecks, lezen we omdat ze onze interesse hebben gegrepen, op de een of andere manier. Met Paul Meeuws De geluiden (2016) ligt dat anders. Na de Buddingh-nominatie, die voor ons een verrassing was, vond ik dat een bespreking niet uit kon blijven. Blijkbaar was dit een van de beste debuten van dit jaar, die moest ik toch op een interessante manier kunnen bespreken.

Ik wil niet impliceren dat het zo moeilijk is om Meeuws interessant te lezen. Er zat mij alleen iets in de weg, iets dat ik denk ik een plek heb kunnen geven in mijn ervaring van de gedichten, maar iets dat wel ook bepalend is geworden voor die ervaring. Tijdens het lezen van De geluiden zat me een bepaalde nostalgie dwars die me tekenend leek voor Meeuws’ bundel. Een bepaalde idealisering van het verleden als een periode waarin de wereld eenduidiger was, een eenheid. Een puurder vroeger.

Bespreking

‘Wie is het die loog: / mijn hoofd of mijn oog?’ – Over kinderpoëzie, herkenbaarheid, intensivering en Shakespeare

Detail uit een Superguppie-illustratie door Fleur van der Weel

Min of meer naar aanleiding van dit stuk in het NRC, ben ik de afgelopen tijd eens de ‘kinderpoëzie’ ingedoken. Dat plaats ik meteen maar tussen aanhalingstekens, want intuïtief zie ik niet helemaal hoe ik die van ‘gewone’ of ‘volwassen’ poëzie zou moeten onderscheiden. Is volwassen poëzie ‘moeilijker’? Moeilijker hoe? Ik heb niet het idee dat ik, wanneer ik poëzie lees, primair bezig ben met een intellectuele oefening die ingewikkelder of minder ingewikkeld zou kunnen. Een gedicht kan zich misschien de ene keer makkelijker prijsgeven dan de andere, maar die verwoording moet ons niet misleiden te denken dat het punt van een gedicht is om te ‘ontdekken’ wat het ‘achterhoudt’. (Daar schreef ik eerder over, in de context van recensenten die Nachoem M. Wijnbergs poëzie maar al te gemakkelijk ‘geheimzinnig’ vinden.)

Een van mijn langer standhoudende intuïties is het idee dat een gedicht de taal intensiveert. Wat ik daarmee bedoel is dat poëzie geen essentieel andere manier van spreken is dan ons dagelijkse taalgebruik, maar dat poëzie op een strategische manier gebruikmaakt van de mogelijkheden die binnen die dagelijkse taal al bestaan. Er zit een bepaalde moeilijkheid in het aanwijzen van die strategieën, omdat het niet altijd een kwestie is van een van het gedicht los te denken ‘vorm’, iets dat je zou kunnen abstraheren om het vervolgens ‘nog eens’ met een ander gedicht te proberen.

Hoe het ook zij, ik merkte dat de ‘kinderpoëzie’, zoals het NRC kopte, inderdaad soms ‘beter’ zou moeten kunnen – iets waar we het weinig over hebben, hier op Klecks, omdat de stukken hier niet primair uit moeten zijn op een waardeoordeel. Waar het ‘m voor mij in zat, was het feit dat veel van de poëzie naar mijn idee enkel een poging deed herkenbaar te zijn – en dat staat misschien lijnrecht tegenover die intensivering waar ik het net over heb. Het is misschien dan ook beter niet te spreken over ‘beter’ of ‘slechter’, maar simpelweg te benoemen dat veel van de gedichten weinig voor me lijken te doen.

Bespreking

‘een piepkleine dolk / die weerstand biedt’ – Chus Pato’s gedichten als ruïnes, ter nagedachtenis

'Leda en de zwaan' (c. 1563) van Cornelis Bos, naar een vernietigd schilderij van Michelangelo

Chus Pato, een dichteres uit Galicië, Spanje, schreef in 2012 een korte blog voor Poetry International, waar ze dat jaar ook voordroeg. In die blogpost, met de titel Poetry and the remainder, karakteriseert ze gedichten op deze manier:

I consider the poem to be a remainder, a remnant. A poem is what remains, the most resistent zone of a language. I consider a poem to be a fragment of a language that inscribes itself in the wake of a catastrophe (catastrophe is always linguistic).

En dit herformuleert ze zo in de concluderende alinea:

Any poem is an impossibility of language that does not end, a remain, a survivor, something that has appeared. It is always unfinshed, unconcluded, and free.

Een gedicht is, volgens Pato, dat wat in wordt geschreven in de wake van een catastrofe. Het is dat wat overblijft van een ramp. Het resteert, als een ruïne en monument; ‘common grave’ is een term die ze iets eerder in het stukje gebruikt. Pato noteert hier, denk ik, een minimale poëtica. Als deze opmerking niet al voor alle poëzie geldt – iets waar we mogelijk nog over na kunnen denken – dan tenminste voor die van haar.

Bespreking

‘en wij ouder werden en lichamen achterlieten en lichamen opnamen’ – Worden net als net in het werk van Thomas Möhlmann

Detail uit 'De raaf wordt beroofd van de veren waarmee hij zich had getooid' (1671) – Melchior d'Hondecoeter

In een oud interview met Remco Ekkers liet Thomas Möhlmann het volgende optekenen:

Het is moeilijk om dit uit te leggen, zonder dat het heel plat klinkt, want het is in principe een heel duidelijk idee: er is meer werkelijkheid om ons heen dan die we direct ervaren. Door daar beter naar te kijken of door daar van uit te gaan, kun je het pas zien, maar het is net nog lastiger dan dat. Het gaat er om steeds te proberen stil te staan bij datgene dat net voorbij ligt aan wat je denkt of wat je zien kunt, vanuit de vooronderstelling dat het zich daar ook daadwerkelijk bevindt.

En in een interview na het verschijnen van zijn debuut, De vloeibare jongen, in Lava 11.3, vertelde hij dat het hem in gedichten ging

om het eigen universum dat je in de taal kunt creëren, een aannemelijk universum dat door lichte verdraaiingen gaat knarsen. Het gaat me om het niet opzichtig verklooien van de werkelijkheid, het spanningsveld dat daardoor ontstaat.

Hij legde daar uit dat puur al door de daad van het schrijven, gedichten zich loswerken van datgene dat voor het schrijven de aanzet vormde. Het gedicht werkt binnen zulke opvattingen als een vorm van uitstellen of vertragen – en het is goed om te beseffen dat ook zulke ingrepen de werkelijkheid verdraaien, niet precies intact laten. Gedichten als vormen van weerstand tegen de directe ervaring, tegen het idee dat we heel de tijd als vanzelfsprekend simpelweg zien hoe het zit.

Bespreking

‘En wat in godsnaam kan mijn kleine / met een tiental metaforen’ – Idwer de la Parra over wat een vader zijn kinderen geeft

Detail uit 'Kruisiging' (1490) van Carlo Crivelli

Once more the storm is howling, and half hid
Under this cradle-hood and coverlid
My child sleeps on.  There is no obstacle
But Gregory’s wood and one bare hill
Whereby the haystack- and roof-levelling wind,
Bred on the Atlantic, can be stayed;
And for an hour I have walked and prayed
Because of the great gloom that is in my mind.

Dit is de eerste strofe van misschien wel het bekendste gedicht over vaderschap uit de Engelse literatuur, ‘A Prayer for My Daughter’ van W.B. Yeats. Onder een storm die zijn gemoed en karakter externaliseert, piekert de dichter over de meest archetypische vraag van het ouderschap: wat wil ik voor mijn kind en hoe kan in het haar geven? Het antwoord dat hij geeft, schijnt mij toe als het typische antwoord van een vader. In de rol van opvoeder en verantwoordelijke besluit de onstuimige Yeats dat hij een rustig leven wil voor zijn dochter, dat ze een bestendige plek voor zichzelf vindt, dat ze vriendelijk zal zijn en goedlachs, een groene laurier op een goede plek:

O may she live like some green laurel
Rooted in one dear perpetual place

De druilerige en donderende Yeats hoopt, simpeler gezegd, dat zijn dochter hebben kan wat hij niet had. Dat ze een ander leven zal leiden dan hij.

Idwer de la Parra lijkt ook een onrustig, ongericht leven achter de rug te hebben. Dan hebben we het, voor de duidelijkheid, over het poëtische ik uit zijn debuutbundel Grond (2016). Dat leven bracht ook, soms per ongeluk lijkt het, kinderen voort. De la Parra vraagt, directer dan Yeats: ‘Hoe te leven? // Wat mijn zoon te zeggen?’ Specifieker nog, in een gedicht waarin hij zijn dochter troost, als zij inmiddels alweer is vergeten waarom ze huilde, vraagt de dichter: ‘Kan ik haar geven wat ik / zelf niet had?’