Bespreking

De zeer oude zong

Is het een gedicht waarover iemand het nog zou kunnen hebben, Luceberts ‘De zeer oude zingt’? Sommige gedichten of dichtregels zijn misschien zo bekend geworden, heeft ‘iedereen’ al zo sterk ingeprent, dat we elkaar niet echt meer horen praten als we het erover proberen te hebben. Net als het feit dat je misschien Koplands ‘Jonge sla’ niet meer kunt voordragen zonder dan vooral het totaal doodgelezen-zijn van dat gedicht ten gehore te brengen.

Laat ik dat dan maar als uitgangspunt nemen, dat ik het niet (meer) over ‘De zeer oude zingt’ kan hebben. Als dat niet kan, maar ik schrijf alsof ik het doe, dan heb ik het over iets anders – misschien is dat nog iets waard. Want als zoiets, die onleesbaarheid door overexposure, iets is dat in principe elk gedicht had en zou kunnen overkomen, gaat niet elk gedicht daar dan (onder andere) over? Over hoe het zichzelf onleesbaar maakt?

Bespreking

Notities bij Rebecca Farivar, Correct Animal

Een paar jaar geleden struikelde ik over een paar gedichten op het internet, smalle, simpele gedichten. Na enig zoeken vond ik een bundeltje bij een kleine uitgeverij in Portland. Nu ik het weer uit de kast haal, ontdek ik dat ik van veel bladwijzers (die ik meestal gewoon laat zitten bij gedichten die ik tof vind) niet weet of ze bij de linker of rechter bladzijde hoorden. Ik kan me nog steeds wel inbeelden waarom ik dit tof vond – ik ben sowieso een sucker voor collecties kleine voorwerpen (zie ook verzamelingen netsuke of Kafka’s Zürau-aforismen) – tegelijkertijd weet ik niet of ik, afgezien van wat ik op internet zou vinden, nu nog een bundel uit Oregon over zou laten vliegen.

Een paar opmerkingen bij het herlezen van Correct Animal, van Rebecca Farivar.

Bespreking

‘En strek onbeschaamd vertrouwend’ – Door de dood van een vader

Achterin Boekhandel Atheneum in Amsterdam, in de hoek met de poëziekast, vond ik een aantal jaren terug een dikke, zwarte, harde bundel: de verzamelde gedichten van Michel Bartosik, Schroomruil (2013). Ik wist niet, zoals waarschijnlijk weinig mensen dat weten, wie hij was. En dat was waarschijnlijk zo gebleven, ware het niet dat deze verzameling prachtig is uitgegeven (heldere druk, goed bezorgd, simpele, stijlvolle omslag). Een gewillig doel voor mijn impulsen.

Bartosik publiceerde tussen 1975 en 2003 vier-en-een-halve dichtbundel (de vijfde bestond voor de helft uit de vierde) en stierf in 2008 op zestigjarige leeftijd. Het nawoord van Erik Spinoy beslaat ongeveer een vierde van de zwarte pil en gaat uitgebreid in op het leven van de dichter en op zijn werk. Hij plaatst de abstracte gedichten over het onzegbare binnen het gezamenlijke oeuvre van de zogenaamde pink poets uit Vlaanderen en in het verlengde van Celan. Maar Spinoy wijst op één ding in het bijzonder: hoe Bartosiks gedichten veranderen na – of door – de dood van zijn vader.

Bespreking

‘Niets meer dan afstand’

Vorig jaar verscheen Meer mensen dan reddingsvesten, de vierde bundel van C. Buddingh’-winnaar Willem Thies. De bundel bestaat uit vier afdelingen, waarvan de eerste, ‘Quitte’, beschrijft hoe binnen een relatie afstand ontstaat en weer afneemt – misschien niet precies ontstaat, niet afneemt, maar in elk geval: verandert.

Vanzelfsprekendheid zelf is waarin je je thuis kunt voelen, waarin je zonder onderbreking kunt bewegen.

Bespreking

‘Om naar een passerende trein te kijken’ – Over opmerkelijkheid

Het is geen jonge bundel meer, maar vorig jaar werd Remarques (1997) van Franse dichteres Nathalie Quintane voor het eerst naar het Nederlands vertaald, als Opmerkingen. De bundel bestaat enkel en alleen uit drie afdelingen van observaties van een zin of een, twee, steeds gescheiden door een witregel. Denk dan aan de gewoonste dingen – dat een droog washandje helemaal stijf wordt, bijvoorbeeld.

Als je echter langer nadenkt over wat je leest en wat het betekent om er bij na te denken, blijkt er poëtisch best wat op het spel te staan.

Bespreking

‘Ik geloof in de dood’ – Van rouw & zombiewording

In 2013 debuteerde Maarten van der Graaff (1987) met Vluchtautogedichten, waarvoor hij in 2014 de C. Buddingh’-prijs ontving. Twee jaar later, in 2015, publiceerde hij Dood werk. Die laatste bundel bestaat uit twee afdelingen, één met lijsten, één met geklokte gedichten.

Het klokken is niet beperkt tot de gedichten daar. ‘In 2013’, ‘in 2014’, ‘in 2015’ – ik klok net vlug een stuk van Van der Graaffs leven. Van zijn leven? Van zijn leven in de mate waarin hij zich opschrijft, waarin hij zich literair produceert of literair geproduceerd wordt, wat eigenlijk vooral wil zeggen: zijn leven in de mate waarin hij dood is. Die notie komt ook langs in het vierentwintigste geklokte gedicht (‘waarin sectie wordt gepleegd’): ’20:28 Ik ben al dood en teken op / hoe ik heb geleefd.’

Hoe kunnen we Maarten van der Graaffs dood begrijpen?