Bespreking, Opinie

‘Hettinga weigert.’ – Over autobiografie, projectie, en het bespreken van levenswerk

Detail uit een scherm van Hasegawa Tōhaku, afbeelding van dennenbomen.

Op zaterdag 13 mei plaatste de Volkskrant naar mijn weten als het eerste landelijke dagblad een recensie van Het vaderpaard / It faderpaard, het recent verschenen verzamelde werk van Tsjêbbe Hettinga. De recensie is geschreven door Maria Barnas, neemt de helft van bladzijde 23 van Sir Edmund in beslag – op de bovenste helft siert een foto van schapen in een door mist bedekt weiland. Hij telt 507 woorden, waarvan 59 aan geciteerde poëzie. Naast de recensie staat informatie over het boek; vertaler(s), uitgeverij, verkoopprijs, het aantal bladzijden (832), het genre, de titel, en gelukkig ook het aantal sterren dat deze bundeling gedichten verdient.

Hoe beoordeel je het werk van een man die, beginnend bij zijn vierentwintigste levensjaar, tot na zijn vierenzestigste – zijn laatste bundel werd postuum op zijn computer gevonden – poëzie publiceerde?

Bijvoorbeeld met een score van 3 uit 5.

Laat ik meteen zeggen aan te nemen dat Barnas die sterren liever ook achterwege zou laten. (Ik heb geen idee hoeveel vrijheid een recensent zou hebben zo’n beoordeling te weigeren.) Laat ik, voordat ik verder ga, ook benadrukken dat ik in zekere zin opkijk naar mensen die zich in staat voelen tot het op zo’n manier beoordelen van poëzie, in dit geval van een geheel oeuvre. Hoewel ik achter de ideeën staan waarmee er hier op Klecks stukken geplaatst worden, is het natuurlijk evengoed te zien als een vlucht om poëzie meer te bespreken dan echt te recenseren. Desalniettemin rijst de vraag: hoe moet je zo’n enorme hoeveelheid poëzie in zo’n kleine ruimte behandelen?

Opinie

‘Wat is dat “ik” dat in mij doet?’ – Het probleem van het ‘ik’ in engagement

Op de 34e Nacht van de Poëzie droeg Dichter des Vaderlands Anne Vegter een gedicht voor dat ze geschreven had aan het eind van het parlementaire jaar 2015. De Cultuurpers noemt het een ‘groot statement’, volgens Literair Nederland was Vegter ‘zeker geëngageerd’ ‘met onontkoombare scherpte’, NRC opent met regels uit Vegters gedicht in een stuk dat de hoge hoeveelheid engagement van de avond benadrukt. Het gedicht schildert Nederland af als getroffen door oorlog of aanslagen, met ‘ontploffingen bij benzinestations’, een ‘grote brand’ in Utrecht, lijken in grachten die worden aangevreten door honden, mensen onder puin, gaswolken boven Overijssel. ‘[D]e Veluwe staat in brand’ en ‘iedereen rent’. ‘Het is onveilig voor meisjes. / In de nacht worden ze uit de rijen geplukt.’

Het heet ‘De overkant’, en sluit af met de volgende regels:

Waar is de overheid?
Er zouden tientallen boten klaarliggen om Nederlanders naar de overkant te brengen.
We zijn met duizenden.
Onze boten bezwijken bijna onder het gewicht van de mensen.
Er glijden lichamen over de randen van de boten.
Er keren boten terug.
Met levenden en doden.
Waar is de overkant?
Er is geen overkant.
We drijven verder.
We spoelen over de hele wereld aan.
Niemand zit op vluchtelingen te wachten.
Gelukszoekers.
Zo worden we genoemd.

Opinie

Doorheengaan, voorbijgaan – Na ‘het’ postmodernisme

Dit jaar verscheen Dichters van het nieuwe millenium, onder redactie van Jeroen Dera, Sarah Posman en Kila van der Starre – via Facebook kreeg ik er het een en ander van mee. Wat me benieuwd maakte waren vooral ook (negatieve) reacties van mensen op de inleiding, of zelfs maar op de titel. Ik heb net als die mensen inmiddels de titel en de inleiding gelezen, dus zie ik mijn kans schoon om ook een mening te hebben – maar dan over die reacties zelf.