Bespreking

‘Een vorm van ondergang, maar gloeiend’ – Ester Naomi Perquin en het verhongerende, messiaanse gedicht

Giovanni Lanfrancon – Detail

In januari verscheen Ester Naomi Perquins vierde bundel, Meervoudig afwezig, en sinds twee weken is ze ook onze nieuwe Dichter des Vaderlands. Als ze die rol een soortgelijke invulling weet te geven als haar Rotterdamse stadsdichterschap – waar ik in oktober al over schreef, toen ik al Perquins werk tot dan toe besprak – staat ons de komende twee jaar nog veel goeds te wachten.

In het interview dat naar aanleiding van haar benoeming verscheen in het NRC, gaf ze het volgende antwoord op de vraag of het belang van taal wordt onderschat:

Steeds meer mensen hebben, of gebruiken, een heel beperkt jargon. Ik hoorde dat ooit van een psychotherapeut, die veel ongelukkige mensen sprak. Een groot deel van zijn clientèle, ook hoogopleide mensen dus, drukte zich uit in termen als ‘kut’ of ‘toppie’. Meer smaken waren er niet. Wanneer dat de enige stemmingen zijn die je tot je beschikking hebt, dan beperkt dat je. En dan valt je stemming al gauw naar ‘kut’.

Bespreking

‘Een gedicht maken / dat groter is dan past’ – Over hopen op waar je vertrouwen in hebt

Detail uit 'Vier bomen' van Egon Schiele (1917)

Aurelius Augustinus begint zijn Belijdenissen met een gebed waarin hij God vraagt bij hem binnen te komen, hem te vullen. Hij wil zo dicht mogelijk bij God zijn. Augustinus bidt zo in de volle wetenschap van de moeilijkheden die dat verlangen tekenen. Waar zou God, eeuwig en alomvattend, zich immers op moeten houden in een eindig mens? Augustinus gaat, al biddend, een aantal mogelijke antwoorden na op die vraag – hij belijdt, zogezegd, ook zijn ideeën – maar hij eindigt uiteindelijk toch weer met een bede: ‘Het huis van mijn ziel is te klein om u binnen te laten, maak het ruimer.’

De antwoorden die Augustinus heeft, zijn blijkbaar niet zeker genoeg om zijn gebed overbodig te maken. Enerzijds roept hij: ‘Alles is uit u, alles is door u en alles is in u. Zo is het, ja Heer, zo is het!’ En anderzijds blijft hij die God die overal is toch bidden om eindelijk ruimte te maken voor zichzelf. Twijfelt Augustinus dan of hij God wel echt in zijn hart heeft gesloten? Waarschijnlijk – maar ik denk niet dat deze gebed over zulke twijfels gaat. Dit is denk ik geen uitzondering; we krijgen hier iets mee van het verband tussen geloven en bidden. Tussen iets als vertrouwen en hopen, als we het meer seculier willen vertalen. Namelijk: je bidt juist voor waar je in gelooft.

Geloven is, los van of dat nou in God is of in iemands liefde voor jou, een activiteit. Je moet voortduren blijven geloven. En dat is waar iets als een gebed een rol begint te spelen. Of misschien niet het gebed als een genre, maar het vragende en onbevestigde karakter van het gebed. Als een vraag die ruimte maakt voor de toekomst.

In die hoedanigheid vind ik het gebed tenminste terug in veel van de poëzie die ik lees. Een dichtregel heeft het vermogen om ruimte te laten voor meer dan wat er verwoord kan worden, voor wat we kunnen benoemen, om een vraag te laten bestaan.

Bespreking

‘we jaagden altijd al op elkaar in onszelf’ – Hoe liefde vergaat in Charlotte van den Broecks Nachtroer

Piet Mondriaan - Compositie met rood, geel en blauw (1942)

In haar essay Twee gaten (Gids #6, 2016) noemt Lieke Marsman het gedeelde bed ‘de plek bij uitstek waar ons symbiotische liefdesideaal werkelijkheid wordt’. Dat bed is tegelijk de plek waar duidelijk wordt dat zo’n verlangen naar eenwording niet volledige vervuld kan worden, want ‘zodra de dag aanbreekt gaat ieder zijns weegs.’ Wat onder de lakens een en hetzelfde zou kunnen zijn, dat Shakespeareaanse beest met de twee ruggen, splits ’s ochtends weer op in twee afzonderlijke personen.

Charlotte van den Broecks plaatst haar tweede bundel Nachtroer (2017) in de lijn van gedachten als die van Marsman als ze die in Opiums radioprogramma afzet tegen haar eersteling Kameleon (2015): ‘In de eerste bundel was het een zoektocht naar symbiose, met het eigen lichaam, met andere lichamen. Dat was heel hoopvol. En nu is die symbiose toch wel gefaald in de tweede bundel.’ Dit wordt al duidelijk in het eerste gedicht van de openingsafdeling, waarin niet alleen het bed, maar heel het huis wordt verdeeld tussen scheidende geliefden ‘in bananendozen en bezittelijk voornaamwoorden / de boekenkast in links en rechts’.

Zo begint de reconstructie van een ontbonden relatie.

Bespreking

‘je huid is een instrument dat huivert’ – Foto’s en poses in Vicky Franckens Röntgenfotomodel

Detail uit de 'eerste' medische röntgenfoto: de hand van Wilhelm Röntgens vrouw, Anna Bertha Ludwig

Tijdens het herhaaldelijk lezen van Vicky Franckens pas verschenen debuut Röntgenfotomodel begon ik me af te vragen wat ik versta onder ‘beeldende poëzie’.

Wat maakt een regel tot een beeld?

Hoewel we in dagelijkse gesprekken ook beschrijvingen gebruiken, draagt het feit dat een beschrijving in een gedicht staat bij aan de mogelijkheid tot een poëtisch beeld  – waarvan ik een preciezere definitie verder uit zou willen stellen. Dat de omgeving van een beschrijving bijdraagt is volgens mij wat duidelijk wordt wanneer kunstenaars readymades gebruiken. Misschien is het goed te beginnen bij readymades.

Bespreking

‘exorbitant, as a secret must be’ – Hoe verleidelijk te blijven

Full disclosure: ik heb Milton’s Paradise Lost (1663) niet uitgelezen. Mijn aantekeningen houden ergens in Boek V op. Dit gebrek aan uithoudingsvermogen heeft me er niet van weerhouden de volgende regels te lezen in Boek IV. Aan het woord is de engel Gabriël die gadeslaat hoe Adam en Eva, nog niet verleid, in het paradijs in elkaars armen verstrengeld liggen te slapen: ‘Sleep on / Blest pair; and O yet happiest if ye seek / No happier state, and know to know no more.’ Binnen de context van de epiek verwijst dit adagium vooral naar de verleiding van Eva door de slang en van Adam door Eva om te eten van de boom van kennis. Meer allegorisch gelezen, klinkt het als een goede raad aan ieder die gelukkig wil zijn – of, in ieder geval, aan ieder die zijn geluk niet op het spel wil zetten voor de mogelijkheid op meer.

Overzicht

Klecks-bundelvooruitzicht 2017 – Maart, april en mei

Isaac Levitan - Bloeiende appelbomen (1896)

De toch wel grootste traditie ter wereld is het schrijven van lijstjes in december, omdat al het lopende proza al is verschoten, elk mooie bruggetje tussen twee soort-van-verwante alinea’s in de voorgaande maanden al is verbruikt. Wie zijn wij om daarvan af te wijken? Klecks blikt vooruit naar de bundels die ons in 2017 hopen te overdonderen. Wat hebben uitgevers inmiddels aangekondigd? Eerder beken we al de bundels die gepland staan voor januari, daarna voor februari – vandaag sluiten we af met de verwachtingen voor maart, april en mei.

Maart

catullus_thumbCatullus, Lesbia: Verzen van liefde en spot

Paul Claes heeft zich na (onder andere) Herakleitos en Baudelaire gewaagd aan de liefdesverzen van Catullus. Deze verzen ‘vol passie en wanhoop’ schreef Catullus als verliefde student in Rome, nadat hij voor een oudere, getrouwde vrouw was gevallen die hij, aldus de aanbieding, zowel ‘verafgoodde’ als ‘verguisde’. Anders dan de titel van de verzameling doet vermoeden – die overigens ‘mannenverslindster’ betekent volgens de aanbieding – bevat Lesbia ook spotgedichten waarmee Catullus rivalen en tegenstanders op hun plek zette. Zo bestookte hij Caesar met ‘scabreuze scheldwoorden’, ‘schuttingtaal’ die hem ‘tot een voorloper van onze stand-upcomedians’ maakte.

Er valt dus niet alleen wat te smachten maar ook te lachen in deze verzameling. En wie een grap graag nog een keer hoort, maar dan in het Latijn, zal blij zijn met het nieuws dat ook Catullus’ originelen zijn opgenomen. Claes leidt zijn vertalingen ook nog in. (HHtN)

roode_thumbAlexis de Roode, Een steen openvouwen

‘Na de liefde (Geef mij een wonder), het landschap (Stad en land) en de tijd (Gratis tijd voor iedereen) richt hij zich in zijn vierde bundel, tegen beter weten in, op het thema goed en kwaad’, aldus Podium in de aankondiging van Een steen openvouwen. We mogen daarmee uitkijken naar ‘zowel de duisterste als de meest gelouterde gedichten’ die De Roode tot nu toe schreef, en dat enerzijds in de vorm van ‘sardonische kantoorgedichten’, en anderzijds in gedichten die geënt zijn op de recente wereldgebeurtenissen.

De Roode is Gildemeester van het Utrechts stadsdichtersgilde, laureaat van het C.C.S. Crone-stipendium, en werd al in meer dan 70 bloemlezingen opgenomen. Eerder dit jaar publiceerde hij samen met Daniël Dee en Benne van der Velde een bloemlezing hekeldichten, Ik proef iets wat bedorven is. (RtN)

Overzicht

Klecks-bundelvooruitzicht 2017 – Februari

Valerius de Saedeleer – Een winterlandschap

De toch wel grootste traditie ter wereld is het schrijven van lijstjes in december, omdat al het lopende proza al is verschoten, elk mooie bruggetje tussen twee soort-van-verwante alinea’s in de voorgaande maanden al is verbruikt. Wie zijn wij om daarvan af te wijken? Klecks blikt vooruit naar de bundels die ons in 2017 hopen te overdonderen. Wat hebben uitgevers inmiddels aangekondigd? Hier verzamelden we de bundels van januari al, vandaag is februari aan de beurt.

Maar eerst een januaribundel die we in het vorige bericht over het hoofd zagen, omdat ‘ie in de brochure blijkbaar buiten de boot gevallen was. Met dank aan Maarten Praamstra voor het bespeuren.

Charlotte van den Broeck, Nachtroer

Met haar debuutbundel Kameleon won Van den Broeck in 2015 de Herman de Coninck Debuutprijs. Waar die bundel ging over toenadering tot het eigen, meisjes- en vrouwenlichaam, daar reist de dichter in haar tweede bundel Nachtroer in een schijnbaar tegenovergestelde richting. Volgens de aankondiging onderzoekt Van den Broeck daarin ‘een diep verlangen naar ontheemding, verdwijning, naar een opgaan in de permanente stroom van het tomeloze leven’. Het wordt nog interessant om te zien of deze twee projecten niet juist in elkaars verlengde liggen. Dat wil zeggen, op welke manier “toenadering” en “verdwijning” dezelfde beweging zouden kunnen beschrijven. (HHtN)

Overzicht

Klecks-bundelvooruitzicht 2017 – Januari

Abraham Johannes Couwenberg - IJsvermaak op een stadsgracht

De toch wel grootste traditie ter wereld is het schrijven van lijstjes in december, omdat al het lopende proza al is verschoten, elk mooie bruggetje tussen twee soort-van-verwante alinea’s in de voorgaande maanden al is verbruikt. Wie zijn wij om daarvan af te wijken? Klecks blikt vooruit naar de bundels die ons in 2017 hopen te overdonderen. Wat hebben uitgevers inmiddels aangekondigd? Vandaag spitten we januari door, in de loop van de week de rest.

Hans Andreus - Verzamelde gedichtenHans Andreus, Verzamelde gedichten

Naar aanleiding van de gedichtenweek publiceert Prometheus het verzamelde dichtwerk van drie dichters, waaronder dat van Hans Andreus, die doorgaans tot de vijftigers gerekend wordt en eigenlijk Johan Wilhelm van der Zant heette. Hij debuteerde in de poëzie met Muziek voor kijkdieren, in 1951, en zijn laatste bundel was Holte van licht in 1976.

Naast poëzie schreef Andreus veel meer – onder andere een flinke hoeveelheid kinderboeken. (RtN)

Vicky Franken - RöntgenfotomodelVicky Francken, Röntgenfotomodel

Toen Meander haar tien jaar geleden vroeg waar ze, wat uitgeven betreft, nog op wachtte, antwoordde Francken dat ze eerst helemaal tevreden wilde zijn met wat ze op papier zette. ‘Eerder gebeurt er niets.’ In januari gebeurt er iets: haar debuutbundel Röntgenfotomodel verschijnt bij De Bezige Bij.

De aankondiging meldt dat in de bundel een lichaam ‘tegen het licht gehouden’ zal worden, ‘om te onderzoeken wat eraan schort, om te bepalen waar het licht doorlaat. Het lijf blijkt sterker dan gedacht.’ Francken won eerder al Write Now! publieksprijs en Meander Dichtersprijs, en ontving daarnaast de Hollands Maandblad Schrijversbeurs voor haar poëzie. Het maakt benieuwd. (RtN)

Bespreking

‘likers / wissen waar reality / de waarheid is’ – Over het interpreteren van sociale media

Detail uit 'Les Demoiselles d'Avignon' - Pablo Picasso (1907)

Eerder dit jaar berichtte Time over het eerste grote onderzoek naar de effecten van sociale media op lichaamsbeeld en eetpatronen. Het resultaat? Er bestaat een sterke associatie tussen het gebruik van (visueel georiënteerde) sociale media en problemen rondom lichaamsbeeld, zoals bijvoorbeeld anorexia. In haar bundel Als je een meisje bent (2015) schrijft Maartje Smits over zulke problemen, die kunnen ontstaan binnen de afstand tussen zelf, zelfbeeld en ideaal, zoals in deze strofe:

zij drinkt ik wacht slik
tot zij slikt wacht
drinkt
weer slik ik wacht week mijn tong
zij
 drinkt me weg ik wacht
tot er genoeg tot ze slikt ik slok
tot we weg kunnen voeren vergeten
uitslikken wat tussen ons drong

Elke slok ‘weerstandsthee’, zoals we eerder in dit gedicht ‘14 theelepeltjes’ lezen, creëert afstand tussen zelfbeeld en ideaal. Sterker nog, wie neemt de slokken? Zíj, niet ik – het zelf staat aan de kant van het ideaal, dat niet drinkt, dat niet eet. Een vervreemding die alles te maken heeft met representatie, met hoe we een beeld van onszelf vormen. Binnen sociale media draait het voor een groot deel om dat zelf en hoe we het reprecenteren aan anderen maar eventueel ook aan onszelf.

Smits gedichten gaan subtiel en genuanceerd in op die relatie tussen representatie, werkelijkheid en waarheid in een wereld met internet en sociale media. Om die nuances te zien moeten we echter niet te vlug lezen, een risico dat sommige recensenten wel lopen in hun receptie van Smits bundel.

Bespreking

Echtheid

Detail uit 'El pescador' – Joaquín Sorolla y Bastida

Deze maand staat Klecks in het teken van Ben Lerner, wiens recent uitgegeven essay, The Hatred of Poetry, in het Nederlands verschijnt als Waarom we poëzie haten. Ben Lerner is bekend als de auteur van drie dichtbundels – The Lichtenberg Figures, Angle of Yaw en Mean Free Path – en twee (ook in het Nederlands vertaalde) romans, Leaving the Atocha Station en 10:04. Na een introductie tot de ideeën uit Lerners essay, een bespreking van Lerners poëzie, en een blik op het werk van zijn grote invloed Allen Grossman, sluiten we vandaag de maand af met een stuk over zijn eerste roman.

Veel van wat Lerner in The Hatred of Poetry uitwerkt, is in een bepaalde vorm al terug te vinden in zijn eerste roman. Leaving the Atocha Station gaat over Adam Gordon, een Amerikaanse dichter die met een beurs een jaar lang in Madrid verblijft. Hij denkt na over, krijgt te maken met en beleeft de thema’s van Hatred: de spanning tussen het werkelijke en het virtuele, tussen dichterschap en werk, de moeilijkheid poëzie als iets politieks te zien. Op een zeker moment citeert Adam de titel van het gedicht waar Hatred mee opent.