Bespreking

‘To burn the actual off’ – Ben Lerners The Hatred of Poetry

Deze maand staat Klecks in het teken van Ben Lerner, wiens recent uitgegeven essay, The Hatred of Poetry, in het Nederlands verschijnt als Waarom we poëzie haten. Ben Lerner is bekend als de auteur van drie dichtbundels – The Lichtenberg Figures, Angle of Yaw en Mean Free Path – en twee (ook in het Nederlands vertaalde) romans, Leaving the Atocha Station en 10:04. We beginnen de maand met een bespreking van het essay, en de thema’s die Lerner daarin aansnijdt.

Het essay opent met een gedicht van Marianne Moore, “Poetry”, dat na een heel aantal langere varianten eindigde als dit gedicht van drie regels:

I, too, dislike it.
Reading it, however, with a perfect contempt for it, one discovers in
it, after all, a place for the genuine.

Even nadat hij het vers noemt, vraagt Lerner het volgende:

What kind of art assumes the dislike of its audience and what kind of artist aligns herself with that dislike, even encourages it? An art hated from without and within. What kind of art has as a condition for its possibility a perfect contempt? And then, even reading contemptuously, you don’t achieve the genuine. You can only clear a place for it—you still don’t encounter the actual poem, the genuine article.

Een kunstvorm die zijn eigen minachting vereist als voorwaarde voor zijn werking, wat kan dat zijn? In feite kan Lerners essay gelezen worden als een lange interpretatie en uitwerking van Moore’s gedicht en de vragen die het oproept.

Bespreking

De Hopper-belijdenissen IV: ‘the / quiet she / may / be’

Edward Hopper - The Barber Shop (1931)

In een overdenking van wat tijd is, neemt de categorie van ‘de toekomst’ een belangrijke maar ook enigmatische plaats in. De toekomst is dat waar we op rekenen – de volgende zonsopgang, de wasmachine die over een uur klaar is – en tegelijk staat de toekomst ook voor absolute mogelijkheid. De toekomst komt met de seconde dichterbij – de timer van de oven telt af – en tegelijk is de toekomst als zodanig altijd nog niet.

Ook in mijn lezing van Anne Carsons gedichtenserie Hopper: Confessions komen we aan bij deze categorie. Deze gedichten – die ik probeer te lezen als manieren om na te denken over wat tijd is – gingen eerder over wanneer het nu is en vervolgens voor hoe lang dat heden dan duurt. Daarbij kwam het verleden eerder in het spel dan de toekomst – het was tot nu toe belangrijker voor Carson om, lijkt het, om te gaan met het voorbijgaan van de tijd.

Een aanhoudende wind of een straal zonlicht bleken in de vorige aflevering figuren die Carson gebruikt om na te denken over hoe tijd duurt. De tijd blaast als ‘a / wind / of / autumn piercing our bones’, om Carsons ‘Office at Night’ maar te citeren. De wind van de tijd is steeds nieuw en tegelijk hetzelfde, aanhoudende blazen. Tijd gaat voorbij, heden wordt aanhoudend verleden, maar wat duurt is die beweging zelf, waarin tijd zich door ons uitstrekt. Waarvandaan blaast die wind van de tijd anders dan uit de toekomst?

Bespreking

‘Geachte bedachte / zie ons aan’ – Visioenen, het onbeschrijfelijke en de grap

Detail uit 'Lezende mannen' of 'De lezing' ('La Lectura') – Francisco Goya

Deze week verscheen Het moet nog ergens liggen, de nieuwe dichtbundel van Joke van Leeuwen. Op de voorkant zien we een kruk met verbogen poten, getekend door Van Leeuwen zelf, en in de bundel vinden we nog twee vreemde stoelen – de eerste balanceert bijvoorbeeld op één ‘been’.

Door die verbuigingen beginnen de poten op poten te lijken. Ik bedoel natuurlijk: als van dieren. Maar misschien kun je het ook bekijken zoals ik het zeg: door de vervreemding leer je de poten als poten zien – noch van een kruk, noch van een dier. Of andersom: als van beide.

Hoe het ook zij, de manier waarop de afbeeldingen je leren kijken verschilt niet veel van een paar momenten in de bundel zelf. En ook het figuur van de stoel komt terug, in het eerste gedicht, ‘Binnenkomst’, dat aan de vier afdelingen van de bundel voorafgaat:

Bespreking

De Hopper-belijdenissen III: ‘I think of myself as being particularly baffled’

Edward Hopper - Room in Brooklyn (1932)

Deze derde aflevering van mijn lezing van Anne Carsons Hopper: Confessions (Men in the Off Hours, 2000) begint als een soort intermezzo. Ik wil een stap terug zetten. Er komt nogal wat ter sprake in de close reading van Carsons gedichten, allerlei overwegingen die ik nu eens eerst in een breder kader wil plaatsen. Op die manier kunnen we misschien beter begrijpen waar Anne Carson precies staat in deze soms best wel overweldigende stroom aan ideeën. Zo krijgen we misschien ook een beter beeld van wat er precies op het spel staan in het lezen van deze gedichten, in het nadenken over tijd.

Bespreking

‘“Wat nu als ik het ben?” Zo inwisselbaar namelijk ben ik best.’ – Engagement en het ‘ik’ bij Perquin

Detail uit 'Portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw' – Jan van Eyck

Twee weken geleden schreef ik over de problematiek van identiteit in engagement, toegespitst op de uitsluitende werking die vermeend universele woorden kunnen hebben. Ik zette een aantal dichters, in wiens gedichten het ‘ik’ en zijn functies worden doorgewerkt, af tegen een naïeve vorm van engagement, die steunt op een eigen en vooral toegeëigend ‘ik’.

In dit stuk zou ik daar op verder willen gaan. Omdat ik het besef van de werkingen van het ‘ik’ tot nu toe een problematiek heb genoemd, zou het idee kunnen ontstaan dat het vooral een probleem is dat moet worden opgelost. Dat is echter alleen het geval vanuit het ‘naïeve’ oogpunt – dat immers aan die werkingen ‘voorbij wil gaan’, en het daarom als obstakel zal moeten ervaren als het benoemd wordt. Dat de werkingen van het ‘ik’ ook juist kunnen worden ingezet, als een soort gereedschap, wil ik naar voren brengen aan de hand van het werk van Ester Naomi Perquin.

Bespreking

De Hopper-belijdenissen II: ‘Girl de luxe’

In de vorige aflevering van De Hopper-belijdenissen liet Anne Carson ons het onvervulde nu zien in haar lezing van Edward Hoppers Nighthawks. Een man en een vrouw zitten aan de bar van een Amerikaanse diner. Het is middernacht. Hij wil met haar wegvluchten, maar zij doet moeilijk – een impasse. Niet meer thuis en nog niet weg, op het punt hun leven te veranderen, gaat de tijd voorbij, zonder vlucht, zonder terugkeer. Hun verleden leidt nog nergens heen, hun toekomst bevat slechts de mogelijkheid van een nieuw leven. Ondertussen blijft elk volgende moment van hun heden onbenut, het gaat voorbij voordat er iets kan gebeuren. We kennen dit heden wel, we brengen het zelf vaak wachtend door. Op die manier legt Edward Hopper dit onvervulde nu vast in dat beroemde schilderij van een zo goed als leeg restaurant. Of dat is ten minste hoe Carson ons naar dat werk leert kijken.

Vandaaruit komen we aan bij ‘Automat’, het tweede gedicht uit Carsons gedichtencyclus Hopper: Confessions (Men in the Off Hours, 2000).

Opinie

‘Wat is dat “ik” dat in mij doet?’ – Het probleem van het ‘ik’ in engagement

Op de 34e Nacht van de Poëzie droeg Dichter des Vaderlands Anne Vegter een gedicht voor dat ze geschreven had aan het eind van het parlementaire jaar 2015. De Cultuurpers noemt het een ‘groot statement’, volgens Literair Nederland was Vegter ‘zeker geëngageerd’ ‘met onontkoombare scherpte’, NRC opent met regels uit Vegters gedicht in een stuk dat de hoge hoeveelheid engagement van de avond benadrukt. Het gedicht schildert Nederland af als getroffen door oorlog of aanslagen, met ‘ontploffingen bij benzinestations’, een ‘grote brand’ in Utrecht, lijken in grachten die worden aangevreten door honden, mensen onder puin, gaswolken boven Overijssel. ‘[D]e Veluwe staat in brand’ en ‘iedereen rent’. ‘Het is onveilig voor meisjes. / In de nacht worden ze uit de rijen geplukt.’

Het heet ‘De overkant’, en sluit af met de volgende regels:

Waar is de overheid?
Er zouden tientallen boten klaarliggen om Nederlanders naar de overkant te brengen.
We zijn met duizenden.
Onze boten bezwijken bijna onder het gewicht van de mensen.
Er glijden lichamen over de randen van de boten.
Er keren boten terug.
Met levenden en doden.
Waar is de overkant?
Er is geen overkant.
We drijven verder.
We spoelen over de hele wereld aan.
Niemand zit op vluchtelingen te wachten.
Gelukszoekers.
Zo worden we genoemd.

Bespreking

De Hopper-belijdenissen I: ‘now we know more now less’

In de komende weken wil ik een verzameling gedichten van Anne Carson lezen. Ze komen uit Men in the Off Hours (2000) en heten Hopper: Confessions. Zoals die titel al samenvat, ensceneert Carson in deze gedichten een soort ontmoeting tussen de Amerikaanse schilder Edward Hopper en de kerkvader Augustinus. Dit is geen unieke praktijk voor Carson, die in dezelfde bundel de Griekse historicus Thucydides en Virginia Woolf leest over hun idee van oorlog en die Roland Barthes recentelijk een laat geboren presocratisch filosoof noemde (in The Albertine Workout (2014)). Mij interesseerde deze specifieke afdeling van Men in the Off Hours meteen omdat ik bij Boek 4 ben in mijn trage lezing van Augustinus’ Confessiones – spoiler: zijn beste vriend is net gestorven. Van Hopper wist ik daarentegen nog niet dat zijn werk me erg aansprak in de manier waarop hij stille momenten onderzoekt.

Voor het lezen van deze gedichten, die steeds de titel dragen van een bepaald werk van de schilder, mocht ik een eind vooruit bladeren in Augustinus’ belijdenissen, naar Boek 11. Daaruit citeert Carson steeds onder elk gedicht. In deze stukken zal ik steeds een of twee gedichten lezen, om zo recht te doen aan de manier waarop Carson de schilderijen verwerkt. Ondertussen werken we langzaam uit wat Carson ondertussen uitwerkt, over tijd en het moment.

Haiku

Aan de poort van vroeger – Het moment en de geschiedenis in Bashō’s haiku

Hoewel de haiku inmiddels al ongeveer een eeuw aan bekendheid wint in het westen, blijft het lastig de vorm te vertalen of begrijpen zonder dat hij veel verliest van wat hem – volgens mij – de moeite waard maakt. De meeste westerse ‘definities’ komen ongeveer overeen met wat Ellen Deckwitz in Olijven moet je leren lezen schrijft: ‘Ter opfrissing: een haiku betreft een beschrijving van het moment, doorgaans geschreven in regels van vijf, zeven en weer vijf lettergrepen.’

Op twee manieren vormt zo’n samenvatting een struikelblok. Aan de ene kant omdat wat er staat wel ongeveer klopt, maar onvolledig is: alsof je iemand zou vragen een sonnet te schrijven na enkel gezegd te hebben dat zoiets uit 14 regels bestaat. Aan de andere kant omdat wat er staat wel ongeveer klopt, maar als je je niet bewust bent van cultuurverschillen, je niet doorhebt hoe het klopt (of hoe het ook niet klopt).

Ik wil een paar van die problemen graag verhelderen aan de hand van een van de haiku van Bashō.

Bespreking

‘Als ik een werkelijke vin wil’ – Over voorstelling en verwarring

Ruth Lasters won de Herman de Coninckprijs met haar tweede bundel Lichtmeters (2015). Het juryrapport beschrijft de gedichten uit die bundel als “scenario’s die een vraag uitwerken die velen zich regelmatig stellen, zonder haar daadwerkelijk te beantwoorden: ‘Wat als?’” Via die scenario’s en vragen, kan Lasters heel abstracte thema’s en ideeën te behandelen binnen een concrete voorstelling. Op die manier kan ze bijvoorbeeld bij uitstek verlangen beschrijven en onderzoeken.