Bespreking

De Hopper-belijdenissen II: ‘Girl de luxe’

In de vorige aflevering van De Hopper-belijdenissen liet Anne Carson ons het onvervulde nu zien in haar lezing van Edward Hoppers Nighthawks. Een man en een vrouw zitten aan de bar van een Amerikaanse diner. Het is middernacht. Hij wil met haar wegvluchten, maar zij doet moeilijk – een impasse. Niet meer thuis en nog niet weg, op het punt hun leven te veranderen, gaat de tijd voorbij, zonder vlucht, zonder terugkeer. Hun verleden leidt nog nergens heen, hun toekomst bevat slechts de mogelijkheid van een nieuw leven. Ondertussen blijft elk volgende moment van hun heden onbenut, het gaat voorbij voordat er iets kan gebeuren. We kennen dit heden wel, we brengen het zelf vaak wachtend door. Op die manier legt Edward Hopper dit onvervulde nu vast in dat beroemde schilderij van een zo goed als leeg restaurant. Of dat is ten minste hoe Carson ons naar dat werk leert kijken.

Vandaaruit komen we aan bij ‘Automat’, het tweede gedicht uit Carsons gedichtencyclus Hopper: Confessions (Men in the Off Hours, 2000).

Opinie

‘Wat is dat “ik” dat in mij doet?’ – Het probleem van het ‘ik’ in engagement

Op de 34e Nacht van de Poëzie droeg Dichter des Vaderlands Anne Vegter een gedicht voor dat ze geschreven had aan het eind van het parlementaire jaar 2015. De Cultuurpers noemt het een ‘groot statement’, volgens Literair Nederland was Vegter ‘zeker geëngageerd’ ‘met onontkoombare scherpte’, NRC opent met regels uit Vegters gedicht in een stuk dat de hoge hoeveelheid engagement van de avond benadrukt. Het gedicht schildert Nederland af als getroffen door oorlog of aanslagen, met ‘ontploffingen bij benzinestations’, een ‘grote brand’ in Utrecht, lijken in grachten die worden aangevreten door honden, mensen onder puin, gaswolken boven Overijssel. ‘[D]e Veluwe staat in brand’ en ‘iedereen rent’. ‘Het is onveilig voor meisjes. / In de nacht worden ze uit de rijen geplukt.’

Het heet ‘De overkant’, en sluit af met de volgende regels:

Waar is de overheid?
Er zouden tientallen boten klaarliggen om Nederlanders naar de overkant te brengen.
We zijn met duizenden.
Onze boten bezwijken bijna onder het gewicht van de mensen.
Er glijden lichamen over de randen van de boten.
Er keren boten terug.
Met levenden en doden.
Waar is de overkant?
Er is geen overkant.
We drijven verder.
We spoelen over de hele wereld aan.
Niemand zit op vluchtelingen te wachten.
Gelukszoekers.
Zo worden we genoemd.

Bespreking

De Hopper-belijdenissen I: ‘now we know more now less’

In de komende weken wil ik een verzameling gedichten van Anne Carson lezen. Ze komen uit Men in the Off Hours (2000) en heten Hopper: Confessions. Zoals die titel al samenvat, ensceneert Carson in deze gedichten een soort ontmoeting tussen de Amerikaanse schilder Edward Hopper en de kerkvader Augustinus. Dit is geen unieke praktijk voor Carson, die in dezelfde bundel de Griekse historicus Thucydides en Virginia Woolf leest over hun idee van oorlog en die Roland Barthes recentelijk een laat geboren presocratisch filosoof noemde (in The Albertine Workout (2014)). Mij interesseerde deze specifieke afdeling van Men in the Off Hours meteen omdat ik bij Boek 4 ben in mijn trage lezing van Augustinus’ Confessiones – spoiler: zijn beste vriend is net gestorven. Van Hopper wist ik daarentegen nog niet dat zijn werk me erg aansprak in de manier waarop hij stille momenten onderzoekt.

Voor het lezen van deze gedichten, die steeds de titel dragen van een bepaald werk van de schilder, mocht ik een eind vooruit bladeren in Augustinus’ belijdenissen, naar Boek 11. Daaruit citeert Carson steeds onder elk gedicht. In deze stukken zal ik steeds een of twee gedichten lezen, om zo recht te doen aan de manier waarop Carson de schilderijen verwerkt. Ondertussen werken we langzaam uit wat Carson ondertussen uitwerkt, over tijd en het moment.

Haiku

Aan de poort van vroeger – Het moment en de geschiedenis in Bashō’s haiku

Hoewel de haiku inmiddels al ongeveer een eeuw aan bekendheid wint in het westen, blijft het lastig de vorm te vertalen of begrijpen zonder dat hij veel verliest van wat hem – volgens mij – de moeite waard maakt. De meeste westerse ‘definities’ komen ongeveer overeen met wat Ellen Deckwitz in Olijven moet je leren lezen schrijft: ‘Ter opfrissing: een haiku betreft een beschrijving van het moment, doorgaans geschreven in regels van vijf, zeven en weer vijf lettergrepen.’

Op twee manieren vormt zo’n samenvatting een struikelblok. Aan de ene kant omdat wat er staat wel ongeveer klopt, maar onvolledig is: alsof je iemand zou vragen een sonnet te schrijven na enkel gezegd te hebben dat zoiets uit 14 regels bestaat. Aan de andere kant omdat wat er staat wel ongeveer klopt, maar als je je niet bewust bent van cultuurverschillen, je niet doorhebt hoe het klopt (of hoe het ook niet klopt).

Ik wil een paar van die problemen graag verhelderen aan de hand van een van de haiku van Bashō.

Bespreking

‘Als ik een werkelijke vin wil’ – Over voorstelling en verwarring

Ruth Lasters won de Herman de Coninckprijs met haar tweede bundel Lichtmeters (2015). Het juryrapport beschrijft de gedichten uit die bundel als “scenario’s die een vraag uitwerken die velen zich regelmatig stellen, zonder haar daadwerkelijk te beantwoorden: ‘Wat als?’” Via die scenario’s en vragen, kan Lasters heel abstracte thema’s en ideeën te behandelen binnen een concrete voorstelling. Op die manier kan ze bijvoorbeeld bij uitstek verlangen beschrijven en onderzoeken.

Bespreking

‘Maar je hebt vaker iets opgegeven, als op een schaakbord’ – Van begrijpelijkheid en eigenheid; van dragen, belichamen en winst

Telkens als er een nieuwe dichtbundel van Nachoem M. Wijnberg verschijnt – en dat betekent: bijna jaarlijks – herhaalt zich tussen de opvattingen van de dichter en de reacties van een deel van de recensenten een vreemde patstelling. Recensenten grijpen veelvuldig terug op een paradoxaal termenpaar om Wijnbergs gedichten te duiden, zoals helder en raadselachtig of direct en hermetisch. Die twee zijn dan tegelijkertijd van toepassing op de gedichten, waarbij desalniettemin de term aan de ‘mystieke’ kant van het spectrum de overhand lijkt te hebben – de poëzie lijkt helder en direct maar blijft raadselachtig, hermetisch, ondoordringbaar. Het gedicht wordt dus voordat het lezen is begonnen vastgesteld als een ‘geheim’ – en dat is geen ongebruikelijke leeshouding van poëzie in het algemeen – waarbij Wijnbergs poëzie zijn geheim ‘behoudt’ ondanks de helderheid van de taal.

Ten tweede wordt vaak opgemerkt dat Wijnberg ‘naast’ dichter ook hoogleraar in de economie is. Ook die beweging is niet een unieke in het geval van Wijnberg – zodra een dichter of schrijver een opleiding heeft gevolgd aan de bètakant van de faculteiten, maar ook als hij of zij nadrukkelijk vermeldt een bepaalde sport op hoog niveau te beoefenen, wordt diens identiteit vaak in tweeën gespleten. In het geval van Wijnberg blijven de ‘gebieden’ van ‘de poëzie’ en ‘de economie’ vervolgens de rest van de recensie twee afzonderlijke werelden, die niet overlappen, maar in zijn werk (hoogstens) een wisselwerking of kruisbestuiving ondergaan.

Wijnberg zelf spreekt dit soort opvattingen in interviews meestal tegen. Zo ook in het interview dat in juli in het NRC Handelsblad verscheen, naar aanleiding van de bundel die eind vorig jaar verscheen, Van groot belang. Wijnberg zegt zelfs: ‘Als je een krantenartikel kunt lezen, kun je mijn poëzie lezen.’ Hoe kan het dat Wijnberg al een kwarteeuw door veel mensen nadrukkelijk anders gelezen wordt – en dan met name als ondoordringbaarder – dan hoe hij zegt dat hij te lezen is? Is Wijnberg de begrijpelijkheid van zijn werk al meer dan twintig jaar aan het onderschatten? Volgens mij niet.

Bespreking

Een paar gedachten over Raymond Carver en alledaags geluk

Raymond Carvers gedichten behoren tot de poëzie die ik het vaakst herlees. Ze doen me veel, en ze hebben ook een thema dat ik heel interessant vind: alledaagsheid. Nou ja – thema? Je kunt het niet echt over gewoonheid hebben zonder het uit te zonderen, centraal te stellen oftewel: op te laten vallen. Carver schrijft veeleer alledaagse gedichten, ook al gaan ze over de zwaarste thema’s. Ze tonen ondertussen iets van de gewoonheid van elke dag, van het dag-voor-dag waarmee een mensenleven plaats moet vinden, van de vluchtigheid ervan ook.

Bespreking

‘Als ik mezelf ervan beschuldig paradoxaal te zijn’ – Over angst

Ze zegt het zelf en de Elsevier herhaalde het laatst nog maar eens, dus het is zo goed als zeker: Lieke Marsman schrijft over angst. Of laat ik iets preciezer zijn, in haar tweede bundel, De eerste letter (2014), speelt angst een grote rol. Zo’n rol dat bijna niemand ergens anders over kon schrijven toen de gedichten verschenen. En blijkbaar kunnen we dat nog steeds niet, want ik ga het hier ook weer doen. Waar komt al die aandacht voor dat thema vandaan? In feite gaat maar één van de afdelingen specifiek over angst. Er staan ook heel goede ruzie en break-up gedichten in de bundel. Is het een generatie-ding? Marsman schrijft wel op een soort exemplarische manier over hyperbewustzijn, naïviteit en angst, op een manier die herkenbaar is voor een flinke groep jonge volwassenen. Maar de herkenbaarheid van de problemen of gevoelens die ze beschrijft is volgens mij niet de belangrijkste eigenschap van haar werk. Of je zou moeten zeggen dat ze herkenbaar maakt wat we, tot we het gedicht lazen, nog niet zo over onszelf hadden begrepen. Lees maar eens hoe ze over angst schrijft.

Bespreking

‘Het is niet de taak van de centrale bank om likes op Facebook te verzamelen’

Het is een veelgehoorde kreet: een stuk openen met een veelgehoorde kreet zonder daarbij ook maar enige bron te vermelden, om vervolgens in dat stuk op een rigoureuze doch gevatte manier tegen die kreet in te gaan, zodat jij je als schrijver serieus en toch gezellig af kunt zetten tegen die niet nader te benoemen (maar duidelijk minder serieuze en gezellige) groep ‘anderen’, en aantoont dat je niet, zoals zij, opgaat in de waan van de dag.

Nog een voorbeeld van een veelgehoorde kreet: dat literatuur bij uitstek haaks moet staan op de waan van de dag. Een mooi ideaal. Maar zijn we dat, op het moment, als literair bedrijf aan het bereiken? En hoe test je zoiets?

Om te zien of literatuur haaks staat op de waan van de dag, moet de kritiek misschien haaks op het haaks op de waan van de dag staan gaan staan. Ik heb daarom de volgende (toegegeven, ietwat onorthodoxe) methode gekozen: ik zal de gedichtenreeks die Alfred Schaffer gepubliceerd heeft in de Tirade die gisteren door mijn brievenbus viel, recenseren/interpreteren met aan het ene uiterste de kranten van gisteren en vandaag (in het bijzonder: het NRC Handelsblad van gisteren, en het AD en Financieel Dagblad van vandaag) en aan het andere uiterste de door de Gereformeerde Bijbelstichting op drukfouten gecorrigeerde Statenvertaling uit 1657 (dat is: De gantsche H. Schrifture, vervattende alle de Canonijcke Boecken des Ouden en des Nieuwen TESTAMENTS).

Bespreking

De zeer oude zong

Is het een gedicht waarover iemand het nog zou kunnen hebben, Luceberts ‘De zeer oude zingt’? Sommige gedichten of dichtregels zijn misschien zo bekend geworden, heeft ‘iedereen’ al zo sterk ingeprent, dat we elkaar niet echt meer horen praten als we het erover proberen te hebben. Net als het feit dat je misschien Koplands ‘Jonge sla’ niet meer kunt voordragen zonder dan vooral het totaal doodgelezen-zijn van dat gedicht ten gehore te brengen.

Laat ik dat dan maar als uitgangspunt nemen, dat ik het niet (meer) over ‘De zeer oude zingt’ kan hebben. Als dat niet kan, maar ik schrijf alsof ik het doe, dan heb ik het over iets anders – misschien is dat nog iets waard. Want als zoiets, die onleesbaarheid door overexposure, iets is dat in principe elk gedicht had en zou kunnen overkomen, gaat niet elk gedicht daar dan (onder andere) over? Over hoe het zichzelf onleesbaar maakt?