Bespreking

‘je huid is een instrument dat huivert’ – Foto’s en poses in Vicky Franckens Röntgenfotomodel

Detail uit de 'eerste' medische röntgenfoto: de hand van Wilhelm Röntgens vrouw, Anna Bertha Ludwig

Tijdens het herhaaldelijk lezen van Vicky Franckens pas verschenen debuut Röntgenfotomodel begon ik me af te vragen wat ik versta onder ‘beeldende poëzie’.

Wat maakt een regel tot een beeld?

Hoewel we in dagelijkse gesprekken ook beschrijvingen gebruiken, draagt het feit dat een beschrijving in een gedicht staat bij aan de mogelijkheid tot een poëtisch beeld  – waarvan ik een preciezere definitie verder uit zou willen stellen. Dat de omgeving van een beschrijving bijdraagt is volgens mij wat duidelijk wordt wanneer kunstenaars readymades gebruiken. Misschien is het goed te beginnen bij readymades.

Bespreking

‘There’s no such thing as non sequitur / When you’re in love.’ – Over verantwoordelijk lezen

Detail uit 'Ballet Skirt or Electric Light' – Georgia O'Keeffe

Deze maand staat Klecks in het teken van Ben Lerner, wiens recent uitgegeven essay, The Hatred of Poetry, in het Nederlands verschijnt als Waarom we poëzie haten. Ben Lerner is bekend als de auteur van drie dichtbundels – The Lichtenberg Figures, Angle of Yaw en Mean Free Path – en twee (ook in het Nederlands vertaalde) romans, Leaving the Atocha Station en 10:04. Na een introductie tot de ideeën uit Lerners essay, zetten we de maand voort met een bespreking van Lerner’s derde dichtbundel.

Ben Lerners ideeën over poëzie blijven niet bij het lezen van gecanoniseerde dichters als Emily Dickinson of hedendaagse dichters als Claudia Rankine. Hij heeft zijn ideeën over de virtualiteit van het poëtische tegenover het werkelijke gedicht ook in de praktijk gebracht. Maar in mijn lezing van Mean Free Path wil ik het niet laten bij het aanwijzen van een aantal interessante principes. Zoals Lerner in zijn essay laat zien, kunnen ze ook sterk politieke of ethische effecten teweeg brengen.

Haiku

Aan de poort van vroeger – Het moment en de geschiedenis in Bashō’s haiku

Hoewel de haiku inmiddels al ongeveer een eeuw aan bekendheid wint in het westen, blijft het lastig de vorm te vertalen of begrijpen zonder dat hij veel verliest van wat hem – volgens mij – de moeite waard maakt. De meeste westerse ‘definities’ komen ongeveer overeen met wat Ellen Deckwitz in Olijven moet je leren lezen schrijft: ‘Ter opfrissing: een haiku betreft een beschrijving van het moment, doorgaans geschreven in regels van vijf, zeven en weer vijf lettergrepen.’

Op twee manieren vormt zo’n samenvatting een struikelblok. Aan de ene kant omdat wat er staat wel ongeveer klopt, maar onvolledig is: alsof je iemand zou vragen een sonnet te schrijven na enkel gezegd te hebben dat zoiets uit 14 regels bestaat. Aan de andere kant omdat wat er staat wel ongeveer klopt, maar als je je niet bewust bent van cultuurverschillen, je niet doorhebt hoe het klopt (of hoe het ook niet klopt).

Ik wil een paar van die problemen graag verhelderen aan de hand van een van de haiku van Bashō.

Bespreking

‘Ik geloof in de dood’ – Van rouw & zombiewording

In 2013 debuteerde Maarten van der Graaff (1987) met Vluchtautogedichten, waarvoor hij in 2014 de C. Buddingh’-prijs ontving. Twee jaar later, in 2015, publiceerde hij Dood werk. Die laatste bundel bestaat uit twee afdelingen, één met lijsten, één met geklokte gedichten.

Het klokken is niet beperkt tot de gedichten daar. ‘In 2013’, ‘in 2014’, ‘in 2015’ – ik klok net vlug een stuk van Van der Graaffs leven. Van zijn leven? Van zijn leven in de mate waarin hij zich opschrijft, waarin hij zich literair produceert of literair geproduceerd wordt, wat eigenlijk vooral wil zeggen: zijn leven in de mate waarin hij dood is. Die notie komt ook langs in het vierentwintigste geklokte gedicht (‘waarin sectie wordt gepleegd’): ’20:28 Ik ben al dood en teken op / hoe ik heb geleefd.’

Hoe kunnen we Maarten van der Graaffs dood begrijpen?