Bespreking

‘Een vorm van ondergang, maar gloeiend’ – Ester Naomi Perquin en het verhongerende, messiaanse gedicht

Giovanni Lanfrancon – Detail

In januari verscheen Ester Naomi Perquins vierde bundel, Meervoudig afwezig, en sinds twee weken is ze ook onze nieuwe Dichter des Vaderlands. Als ze die rol een soortgelijke invulling weet te geven als haar Rotterdamse stadsdichterschap – waar ik in oktober al over schreef, toen ik al Perquins werk tot dan toe besprak – staat ons de komende twee jaar nog veel goeds te wachten.

In het interview dat naar aanleiding van haar benoeming verscheen in het NRC, gaf ze het volgende antwoord op de vraag of het belang van taal wordt onderschat:

Steeds meer mensen hebben, of gebruiken, een heel beperkt jargon. Ik hoorde dat ooit van een psychotherapeut, die veel ongelukkige mensen sprak. Een groot deel van zijn clientèle, ook hoogopleide mensen dus, drukte zich uit in termen als ‘kut’ of ‘toppie’. Meer smaken waren er niet. Wanneer dat de enige stemmingen zijn die je tot je beschikking hebt, dan beperkt dat je. En dan valt je stemming al gauw naar ‘kut’.

Bespreking

De Hopper-belijdenissen IV: ‘the / quiet she / may / be’

Edward Hopper - The Barber Shop (1931)

In een overdenking van wat tijd is, neemt de categorie van ‘de toekomst’ een belangrijke maar ook enigmatische plaats in. De toekomst is dat waar we op rekenen – de volgende zonsopgang, de wasmachine die over een uur klaar is – en tegelijk staat de toekomst ook voor absolute mogelijkheid. De toekomst komt met de seconde dichterbij – de timer van de oven telt af – en tegelijk is de toekomst als zodanig altijd nog niet.

Ook in mijn lezing van Anne Carsons gedichtenserie Hopper: Confessions komen we aan bij deze categorie. Deze gedichten – die ik probeer te lezen als manieren om na te denken over wat tijd is – gingen eerder over wanneer het nu is en vervolgens voor hoe lang dat heden dan duurt. Daarbij kwam het verleden eerder in het spel dan de toekomst – het was tot nu toe belangrijker voor Carson om, lijkt het, om te gaan met het voorbijgaan van de tijd.

Een aanhoudende wind of een straal zonlicht bleken in de vorige aflevering figuren die Carson gebruikt om na te denken over hoe tijd duurt. De tijd blaast als ‘a / wind / of / autumn piercing our bones’, om Carsons ‘Office at Night’ maar te citeren. De wind van de tijd is steeds nieuw en tegelijk hetzelfde, aanhoudende blazen. Tijd gaat voorbij, heden wordt aanhoudend verleden, maar wat duurt is die beweging zelf, waarin tijd zich door ons uitstrekt. Waarvandaan blaast die wind van de tijd anders dan uit de toekomst?