Bespreking

‘ik bedoel zij maken een wereld / die hun werd onthouden / door hem te bevolken’ – Over nalatenschap, restanten, overleven en -leveren

Detail uit 'A view of Vesuvius from Posillipo, Naples', Joseph Wright of Derby

Ik zag laatst A Ghost Story, een trage film over rouw, voortleven, herinneren (enzovoort). Casey Affleck speelt het grootste deel van de film een zwijgend lakenspook dat ziet hoe zijn vriendin na een tijdje vertrekt uit het huis waar ze samen woonden, hoe een ander gezin intrekt, ook weer weggaat. Op een zeker moment wordt er in dat huis een feestje gevierd door een stel jonge mensen, en houdt een bebuikte, bebaarde gast na zijn zoveelste biertje een monoloog over, ja, iets als: de zin van het leven, niveau tiener-die-een-half-kantje-Nietzsche-heeft-gelezen-en-nu-de-wereld-snapt.

De strekking is zo’n beetje: God bestaat niet en we gaan allemaal dood, dus niets heeft zin. Met name kinderen en kunstwerken niet. (Op naar het volgende biertje.)

Het is altijd een beetje een tegenstrijdige beweging: heel graag de zinloosheid willen evangeliseren. Toch is de vraag misschien het vragen waard: waarom het gedicht? Waar schrijf je het voor? Voor wie? Moet het overleven? Hoe lang? (Enzovoort.) (In mijn achterhoofd echoot een zin uit Jeroen Mettes’ poëtica bij ‘N30’: ‘Het probleem is dat een gedicht niet kan worden gerechtvaardigd. Er is geen excuus voor.’)