Bespreking

‘op dit hân-skip hear en fiel ik ferheard oan / en sjoch it wurdt freonskip’ – Poëzie als een handelend spreken

Bileam en de engel – Detail van een illustratie uit de Holman Bijbel (1890)

In Tusken de bedriuwen troch is âlderdom (1981) opent Tsjêbbe Hettinga een gedicht met de volgende regels:

nei de lange boatreis ta it fleis bin ik by har belâne
lân lyk in minske wetterich widzjend en fol geheimen noch
fee en flinter de winter de baas befolkje it fredich fjild
en as kabouter op dit hân-skip hear en fiel ik ferheard oan

en sjoch it wurdt freonskip

[na de lange bootreis naar het vlees ben ik bij hen beland
land als een mens waterig wiegend en vol geheimen nog
vee en vlinder de winter de baas bevolken het vredige veld
en als kabouter op dit handschap hoor en voel ik verwondering

en zie het wordt vriendschap]

En daarin beginnen al een aantal onderwerpen waarover ik het zou willen hebben. Laat ik ze voor nu samenvatten in twee ideeën: 1) dat van een handschap, van het land als een handschap, en 2) dat van een blinde die ons vraagt te zien, een blinde die ons zegt: zie het wordt vriendschap. Met die blinde bedoel ik niet Hettinga, of óók, maar daar gaat het me niet om – ik bedoel dat het gedicht niet zien kan waar het ons op wil wijzen.

Bespreking

‘een piepkleine dolk / die weerstand biedt’ – Chus Pato’s gedichten als ruïnes, ter nagedachtenis

'Leda en de zwaan' (c. 1563) van Cornelis Bos, naar een vernietigd schilderij van Michelangelo

Chus Pato, een dichteres uit Galicië, Spanje, schreef in 2012 een korte blog voor Poetry International, waar ze dat jaar ook voordroeg. In die blogpost, met de titel Poetry and the remainder, karakteriseert ze gedichten op deze manier:

I consider the poem to be a remainder, a remnant. A poem is what remains, the most resistent zone of a language. I consider a poem to be a fragment of a language that inscribes itself in the wake of a catastrophe (catastrophe is always linguistic).

En dit herformuleert ze zo in de concluderende alinea:

Any poem is an impossibility of language that does not end, a remain, a survivor, something that has appeared. It is always unfinshed, unconcluded, and free.

Een gedicht is, volgens Pato, dat wat in wordt geschreven in de wake van een catastrofe. Het is dat wat overblijft van een ramp. Het resteert, als een ruïne en monument; ‘common grave’ is een term die ze iets eerder in het stukje gebruikt. Pato noteert hier, denk ik, een minimale poëtica. Als deze opmerking niet al voor alle poëzie geldt – iets waar we mogelijk nog over na kunnen denken – dan tenminste voor die van haar.

Bespreking

‘exorbitant, as a secret must be’ – Hoe verleidelijk te blijven

Full disclosure: ik heb Milton’s Paradise Lost (1663) niet uitgelezen. Mijn aantekeningen houden ergens in Boek V op. Dit gebrek aan uithoudingsvermogen heeft me er niet van weerhouden de volgende regels te lezen in Boek IV. Aan het woord is de engel Gabriël die gadeslaat hoe Adam en Eva, nog niet verleid, in het paradijs in elkaars armen verstrengeld liggen te slapen: ‘Sleep on / Blest pair; and O yet happiest if ye seek / No happier state, and know to know no more.’ Binnen de context van de epiek verwijst dit adagium vooral naar de verleiding van Eva door de slang en van Adam door Eva om te eten van de boom van kennis. Meer allegorisch gelezen, klinkt het als een goede raad aan ieder die gelukkig wil zijn – of, in ieder geval, aan ieder die zijn geluk niet op het spel wil zetten voor de mogelijkheid op meer.

Bespreking

‘En strek onbeschaamd vertrouwend’ – Door de dood van een vader

Achterin Boekhandel Atheneum in Amsterdam, in de hoek met de poëziekast, vond ik een aantal jaren terug een dikke, zwarte, harde bundel: de verzamelde gedichten van Michel Bartosik, Schroomruil (2013). Ik wist niet, zoals waarschijnlijk weinig mensen dat weten, wie hij was. En dat was waarschijnlijk zo gebleven, ware het niet dat deze verzameling prachtig is uitgegeven (heldere druk, goed bezorgd, simpele, stijlvolle omslag). Een gewillig doel voor mijn impulsen.

Bartosik publiceerde tussen 1975 en 2003 vier-en-een-halve dichtbundel (de vijfde bestond voor de helft uit de vierde) en stierf in 2008 op zestigjarige leeftijd. Het nawoord van Erik Spinoy beslaat ongeveer een vierde van de zwarte pil en gaat uitgebreid in op het leven van de dichter en op zijn werk. Hij plaatst de abstracte gedichten over het onzegbare binnen het gezamenlijke oeuvre van de zogenaamde pink poets uit Vlaanderen en in het verlengde van Celan. Maar Spinoy wijst op één ding in het bijzonder: hoe Bartosiks gedichten veranderen na – of door – de dood van zijn vader.