Bespreking

‘op dit hân-skip hear en fiel ik ferheard oan / en sjoch it wurdt freonskip’ – Poëzie als een handelend spreken

Bileam en de engel – Detail van een illustratie uit de Holman Bijbel (1890)

In Tusken de bedriuwen troch is âlderdom (1981) opent Tsjêbbe Hettinga een gedicht met de volgende regels:

nei de lange boatreis ta it fleis bin ik by har belâne
lân lyk in minske wetterich widzjend en fol geheimen noch
fee en flinter de winter de baas befolkje it fredich fjild
en as kabouter op dit hân-skip hear en fiel ik ferheard oan

en sjoch it wurdt freonskip

[na de lange bootreis naar het vlees ben ik bij hen beland
land als een mens waterig wiegend en vol geheimen nog
vee en vlinder de winter de baas bevolken het vredige veld
en als kabouter op dit handschap hoor en voel ik verwondering

en zie het wordt vriendschap]

En daarin beginnen al een aantal onderwerpen waarover ik het zou willen hebben. Laat ik ze voor nu samenvatten in twee ideeën: 1) dat van een handschap, van het land als een handschap, en 2) dat van een blinde die ons vraagt te zien, een blinde die ons zegt: zie het wordt vriendschap. Met die blinde bedoel ik niet Hettinga, of óók, maar daar gaat het me niet om – ik bedoel dat het gedicht niet zien kan waar het ons op wil wijzen.

Bespreking

‘en iedereen lag in een deuk’ – Poëzie en punchlines in Griffioen (en Wijnberg)

Jan Steen – Detail uit Dorpsschool

Eind 2015 verscheen Wijk, het debuut van Jonathan Griffioen, dat afgelopen lente werd genomineerd voor de C. Buddingh-prijs. Een deel van de regels (of fragmenten van regels) kreeg ik eerder te lezen, nadat ik Griffioen leerde kennen tijdens het finaleweekeind van Write Now! 2012. Het voelt dan ook soms vreemd de bundel in zijn ‘uiteindelijke’ vorm te lezen: hier en daar spoken nog schimmen van gedichten rond die, in zekere zin, niet meer bestaan. Anders gezegd: ik ben me bij het lezen van Wijk bewuster dat bepaalde associaties door anderen niet zullen worden gemaakt, bewust van mijn persoonlijke context – hoewel die bij welke andere bundel dan ook een rol zal spelen.

Tegelijkertijd is poëzie misschien bij uitstek het soort taalgebruik dat zoiets zou moeten kunnen overleven – en daarin komt het overeen met een goede grap. (Een grap maakt op een soortgelijke manier gebruik van het impliciete, terwijl dat impliciete op een bepaalde manier gedeeld moet worden, wil de grap werken.) In ‘Wanneer wordt het grappig op iets te wachten?’, een gedicht uit Nachoem Wijnbergs Nog een grap, lezen we ook over het omgekeerde:

Ik herinnerde mij
dat het grappiger was,
maar je moet veel weten
om het grappig te vinden,
en bijna niemand weet meer zoveel.

Een grap in poëzie komt soms over als gevaarlijk. Het komt voor dat mensen iets ‘geen poëzie meer vinden’ omdat het ‘te grappig’ is, te veel op een mop lijkt, doet lachen. Ik weet niet of ik erachter kom waar dat ‘m in zit, maar ik ben wel benieuwd: wat doen grappen in en met een gedicht? Wat doen ze in Wijk?