Opinie

Geen vorm (“Waarop lijkt een gedicht nog?”) – Gedachten bij het vrije vers, het prozagedicht en het instituut

Rupi Kaur

In 1917 ontkent T.S. Eliot het bestaan van het vrije vers. ‘Het wordt aangenomen,’ schrijft hij, ‘dat het vrije vers bestaat.’ Die illusie moet de wereld uit. Als het vrije vers bestaat, als het een werkelijke vorm is, moet er, stelt hij, een positieve definitie van bestaan. ‘En ik kan het enkel negatief definiëren als (1) afwezigheid van patronen, (2) afwezigheid van rijm of (3) afwezigheid van metrum.’

Daaraan moest ik denken toen op 10 augustus Erik Jurgens een brief instuurde naar het NRC, naar aanleiding van een gedicht van de Dichter des Vaderlands, Ester Naomi Perqun, bij een stuk over Mein Kampf. ‘Zoals zo vaak, tegenwoordig, vraag ik mij af waarom deze tekst ‘gedicht’ mag heten. Er zit geen metrum in, geen rijm, geen binnenrijm, geen structuur, niets wat op een gedicht lijkt. Het is meer een korte ‘column’.’

(Grappig feit: het volgende gedicht dat Perquin schreef rijmde weer intens veel. Ze heeft de feedback blijkbaar meegenomen.)

Hoewel Jurgens zich dit ‘tegenwoordig’ afvraagt, houden de kenmerken die hij noemt het dus al meer dan honderd jaar vol. Metrum, (binnen)rijm, structuur – dezelfde die Eliot verzinnen kan. En het blijft misschien een eerlijke vraag. Blijkbaar kunnen er al een eeuw mensen bestaan die zich afvragen waarom iets nog door mag gaan voor gedicht. En dat dichters en letterkundigen de vraag vaak maar laten voor wat hij is, voorkomt niet dat ze van bijvoorbeeld Tim Hofman of Rupi Kaur soms graag toch even opmerken dat het hier niet om poëzie gaat, of hoogstens, als ze gul zijn, om heel slechte. Om dat te doen moet je toch – zou je zeggen – kunnen vertellen waarom. Waarop lijkt een (goed) gedicht dan wél? Waar herken je die dingen aan?