Bespreking

De Hopper-belijdenissen IV: ‘the / quiet she / may / be’

Edward Hopper - The Barber Shop (1931)

In een overdenking van wat tijd is, neemt de categorie van ‘de toekomst’ een belangrijke maar ook enigmatische plaats in. De toekomst is dat waar we op rekenen – de volgende zonsopgang, de wasmachine die over een uur klaar is – en tegelijk staat de toekomst ook voor absolute mogelijkheid. De toekomst komt met de seconde dichterbij – de timer van de oven telt af – en tegelijk is de toekomst als zodanig altijd nog niet.

Ook in mijn lezing van Anne Carsons gedichtenserie Hopper: Confessions komen we aan bij deze categorie. Deze gedichten – die ik probeer te lezen als manieren om na te denken over wat tijd is – gingen eerder over wanneer het nu is en vervolgens voor hoe lang dat heden dan duurt. Daarbij kwam het verleden eerder in het spel dan de toekomst – het was tot nu toe belangrijker voor Carson om, lijkt het, om te gaan met het voorbijgaan van de tijd.

Een aanhoudende wind of een straal zonlicht bleken in de vorige aflevering figuren die Carson gebruikt om na te denken over hoe tijd duurt. De tijd blaast als ‘a / wind / of / autumn piercing our bones’, om Carsons ‘Office at Night’ maar te citeren. De wind van de tijd is steeds nieuw en tegelijk hetzelfde, aanhoudende blazen. Tijd gaat voorbij, heden wordt aanhoudend verleden, maar wat duurt is die beweging zelf, waarin tijd zich door ons uitstrekt. Waarvandaan blaast die wind van de tijd anders dan uit de toekomst?

Bespreking

De Hopper-belijdenissen III: ‘I think of myself as being particularly baffled’

Edward Hopper - Room in Brooklyn (1932)

Deze derde aflevering van mijn lezing van Anne Carsons Hopper: Confessions (Men in the Off Hours, 2000) begint als een soort intermezzo. Ik wil een stap terug zetten. Er komt nogal wat ter sprake in de close reading van Carsons gedichten, allerlei overwegingen die ik nu eens eerst in een breder kader wil plaatsen. Op die manier kunnen we misschien beter begrijpen waar Anne Carson precies staat in deze soms best wel overweldigende stroom aan ideeën. Zo krijgen we misschien ook een beter beeld van wat er precies op het spel staan in het lezen van deze gedichten, in het nadenken over tijd.

Bespreking

De Hopper-belijdenissen II: ‘Girl de luxe’

In de vorige aflevering van De Hopper-belijdenissen liet Anne Carson ons het onvervulde nu zien in haar lezing van Edward Hoppers Nighthawks. Een man en een vrouw zitten aan de bar van een Amerikaanse diner. Het is middernacht. Hij wil met haar wegvluchten, maar zij doet moeilijk – een impasse. Niet meer thuis en nog niet weg, op het punt hun leven te veranderen, gaat de tijd voorbij, zonder vlucht, zonder terugkeer. Hun verleden leidt nog nergens heen, hun toekomst bevat slechts de mogelijkheid van een nieuw leven. Ondertussen blijft elk volgende moment van hun heden onbenut, het gaat voorbij voordat er iets kan gebeuren. We kennen dit heden wel, we brengen het zelf vaak wachtend door. Op die manier legt Edward Hopper dit onvervulde nu vast in dat beroemde schilderij van een zo goed als leeg restaurant. Of dat is ten minste hoe Carson ons naar dat werk leert kijken.

Vandaaruit komen we aan bij ‘Automat’, het tweede gedicht uit Carsons gedichtencyclus Hopper: Confessions (Men in the Off Hours, 2000).

Bespreking

De Hopper-belijdenissen I: ‘now we know more now less’

In de komende weken wil ik een verzameling gedichten van Anne Carson lezen. Ze komen uit Men in the Off Hours (2000) en heten Hopper: Confessions. Zoals die titel al samenvat, ensceneert Carson in deze gedichten een soort ontmoeting tussen de Amerikaanse schilder Edward Hopper en de kerkvader Augustinus. Dit is geen unieke praktijk voor Carson, die in dezelfde bundel de Griekse historicus Thucydides en Virginia Woolf leest over hun idee van oorlog en die Roland Barthes recentelijk een laat geboren presocratisch filosoof noemde (in The Albertine Workout (2014)). Mij interesseerde deze specifieke afdeling van Men in the Off Hours meteen omdat ik bij Boek 4 ben in mijn trage lezing van Augustinus’ Confessiones – spoiler: zijn beste vriend is net gestorven. Van Hopper wist ik daarentegen nog niet dat zijn werk me erg aansprak in de manier waarop hij stille momenten onderzoekt.

Voor het lezen van deze gedichten, die steeds de titel dragen van een bepaald werk van de schilder, mocht ik een eind vooruit bladeren in Augustinus’ belijdenissen, naar Boek 11. Daaruit citeert Carson steeds onder elk gedicht. In deze stukken zal ik steeds een of twee gedichten lezen, om zo recht te doen aan de manier waarop Carson de schilderijen verwerkt. Ondertussen werken we langzaam uit wat Carson ondertussen uitwerkt, over tijd en het moment.