Opinie

Aantekeningen over kritiek

Detail uit Anders Zorn - Emma Zorn, lezend

Ik probeer eigenlijk al tijden een stuk te schrijven over de taak van de kritiek tegenover hedendaagse poëzie, omdat ik een steeds sterker gevoel heb dat de hedendaagse poëzie er niet om vraagt besproken te worden, niet in de eerste plaats – in elk geval niet zoals we dat misschien gewend zijn te doen. Dit is dat stuk nog niet – maar ik heb het idee dat ik dit stuk wel nodig heb om ook tot dat andere te komen.

Überhaupt begin ik te denken dat ik hieronder nog niet ben uitgedacht; met name over precies de vragen naar het ontstaan van smaak en canon zelf. To be continued, dus.

Aantekeningen over kritiek (deel 1)
Over smaak, over de canon

Er is geen wetenschap van het schone, alleen een kritiek, schrijft Kant ergens. Als er een wetenschap van het schone was, zou je schoonheid bepalen aan de hand van bewijzen, terwijl het schone bepaald wordt aan de hand van een smaakoordeel. En smaakoordelen vermeerderen geen kennis, zoals wetenschappelijke uitspraken dat zouden moeten doen, maar laten iets zien van de relatie tussen kennis en plezier, kennis en genot. Smaakzin is leeg of overdadig, schrijft Agamben, het ligt tussen kennis en plezier in; wetenschap kan worden begrepen en uitgelegd, plezier is een bezit waarop je geen kennis kunt funderen – en smaak houdt daar ergens het midden tussen.

Ik begon weer na te denken over smaak door een stuk van Marja Pruis, waarin ze op een gegeven moment een anekdote aanhaalt over iemand die haar vraagt waarom je een negatieve recensie schrijven zou; haar antwoord over canoniseren en definiëren wordt onderbroken door de vraag of de criticus niet simpelweg arrogant is:

‘Is het niet allemaal een kwestie van smaak?’

Het is natuurlijk waar dat als iemand ergens van genoten heeft, geen enkele criticus diegene diens genot ontnemen kan. Als je hebt genoten van een film, kan het plezier dat je tijdens het kijken had niet worden uitgewist – hoogstens de herinnering daaraan kan worden verpest.

‘Is het niet allemaal een kwestie van smaak?’

Maar smaak is misschien dus iets meer dan plezier. En het is misschien precies in dat stukje meer waar de kritiek iets probeert te doen dat niet alleen te maken heeft met het bedienen van lezers – zoals Pruis ook al opmerkt. De kritiek vervult steeds meer de rol van iemand die voorkomt dat je ooit nog iets beleeft waarvan je niet vooraf weet of je het leuk zult vinden, haalt ze een ander stuk aan. Misschien kan de kritiek iets anders doen.

Toch, het kan nooit verworden tot een wetenschap – er is geen wetenschap van het schone, enkel een kritiek. Wat houdt dat dan in?

Ik heb de afgelopen maanden, misschien al iets meer dan een jaar, veel nagedacht over de vraag wat de kritiek, en in het bijzonder de poëziekritiek, zou moeten zijn of doen. Toen ik en mijn broer Klecks oprichtten, schreven we al dat ‘goed’ of ‘slecht’ het saaiste is wat een gedicht kan zijn. Ik ben langzaamaan van mening dat de vraag of iets goed, slecht of ‘belangrijk’ is, er überhaupt niet zoveel toe doet: dat alles maakt de kritiek weer ondergeschikt aan een soort pleziermachine die maar voorkomen zou dat je ooit niet geniet van wat je ziet, leest of hoort. Dat is kwalijk, denk ik, omdat je dan blijft bij wat je kent. Of ja, dat is kwalijk voor de kritiek – verder gun ik ieder zijn eindeloze playlist lievelingsliedjes. Ik bedoel gewoon dat de kritiek iets anders is dan een cafégesprek met vrienden.

Oscar Wilde schrijft ergens, ik weet niet precies meer hoe of waar, dat kritiek de enige dragelijke vorm is van autobiografie. Harold Bloom schrijft dat de ware kritiek zichzelf herkent als vorm van memoires. Daarin klinkt iets door van hoe de criticus geen wetenschapper is: er komt, in de beleving van kunst, altijd ook een ‘ik’ bij kijken, dat die kunst beleeft; het smaakoordeel is niet objectief zoals een rekensom dat is. Maar dat betekent omgekeerd niet dat het ‘maar een mening’ is, geloof ik. Dat er noodzakelijk een individu komt kijken bij de beleving van kunst, betekent niet opeens dat het allemaal maar subjectief is wat daar gebeurt.

Of ja, dat is kwalijk voor de kritiek – verder gun ik ieder zijn eindeloze playlist lievelingsliedjes

Ik moet denken aan wat Barthes schrijft in Het plezier van de tekst. Op plezier kun je, zoals Agamben al zei, geen kennis funderen. Barthes schreef dat ook al: het plezier kan niet zeggen, dit is goed, dat is slecht; het losse plezier vormt geen ‘kritiek’, kan niet analyseren, het kan enkel zeggen: Dit! Ja! Sterker nog, schrijft hij, het zegt: ‘Dit is het voor mij!’ En dat ‘voor mij’ is niet subjectief, schrijft hij – waarna een voetnootloze Nietzsche-verwijzing volgt, die het allemaal niet veel duidelijker maakt.

Zeven jaar later, in Camera Lucida (hoe is die titel vertaald?) komt dat Nietzscheaanse ‘voor mij’ weer voorbij, wanneer hij dit schrijft:

Een ongemak waaraan ik altijd had geleden: de hinder een gescheurd subject te zijn tussen twee talen, de ene expressief, de andere kritisch.

Zijn kritische taal lijkt steeds te reductief, lijkt het plezier dat er óók moet zijn alsmaar te vergeten. Barthes verlangt een taal de dingen die hij beschouwt niet steeds weer zo reduceert.

Dus besloot ik mijn onderzoek [naar de fotografie] te beginnen met maar een paar foto’s, de foto’s waarvan ik zeker wist dat ze voor mij bestonden. Niets te maken met een corpus: slechts enkele lichamen. In dit (tenslotte) gebruikelijke debat tussen wetenschap en subjectiviteit [‘Is het niet allemaal een kwestie van smaak?’], was ik aangekomen bij deze vreemde notie: waarom zou er niet, op een of andere manier, een nieuwe wetenschap voor elk voorwerp bestaan?

Dat is dus een positie tussen wetenschap en subjectiviteit: de plek voor de criticus bij uitstek. En hier wordt meteen iets duidelijker wat dat ‘voor mij’ te betekenen heeft: in plaats van een heel ‘corpus’ te nemen, allerlei foto’s te vergaren om zijn ideeën op te funderen, neemt hij enkel een paar foto’s die voor hem bestaan, die hij als (kunst)foto’s ervaart, waarvan hij genieten kan.

De reden dat er geen ‘nieuwe wetenschap’ voor elk voorwerp bestaan kan, is denk ik echter dat je toch altijd weer gebruik maakt van woorden die ook elders hun betekenis hebben, toch altijd weer gebruik moet maken van taal die niet alleen het ding dat je beoordeelt kan beschrijven, maar ook een soortgelijk ding – er ontstaan altijd vergelijkingen, de dingen gaan zich tot elkaar verhouden.

Of, anders gezegd: Barthes’ wetenschap bestaat wel, maar precies alleen voor hem. Wij mogen meelezen, maar als er iets staat wat niet klopt, komt dat omdat wij niet dezelfde ervaringen van dezelfde foto’s hebben. (Dat heeft hij ook zelf wel door: in het boek laat hij één foto achterwege omdat hij zeker weet dat het voor ons, de lezers, maar een gewone familiefoto zou zijn.) Iedereen die Camera Lucida leest merkt echter wel dat je wel iets hebt aan de dingen die Barthes zegt; het is niet zo moeilijk een deel van zijn begrippen over te nemen, te leren kijken zoals hij kijkt, zij het niet altijd naar dezelfde foto’s.

Daniel Mendelsohn, die door Pruis wordt aangehaald, zegt iets soortgelijks: doordat critici hun eigen denkproces als een soort voorstelling uiteenzetten – de manier waarop ze hun smaak uitoefenen – laten ze je al merken dat je best tot een ander kritisch oordeel komen kunt. Maar ze leren je lezen, kijken, luisteren.

Het kunstwerk bestaat oog in oog met een ‘jij’

Wat volgens mij van belang is bij Barthes, is de zin in het midden: ‘Geen corpus, slechts enkele lichamen.’ Met andere woorden, wat Barthes hier besluit te doen is zich expliciet niet te verhouden tot de canon, maar de foto’s te nemen waar hij van geniet – inclusief familiekiekjes.

En ik begin een functie van de criticus te zien in iemand die, in principe, precies zoals Barthes te werk gaat, maar die nu eenmaal erg genieten kan van een bepaalde vorm van kunst of cultuur. Dat wil zeggen, die een behoorlijke hoeveelheid ‘lichamen’ heeft waarop diens begrip van die kunstvorm gebaseerd is.

Ik bedoel dit: je kunt onmogelijk eerst volledig leren wat een muziekstuk is, en er daarna voor het eerst een horen. Je kunt onmogelijk eerst volledig leren wat een schilderij is, en daarna pas je eerste zien. Het horen van zo’n stuk, zien van zo’n ding, hoort bij dat wat er te begrijpen valt, ook als het geen enkele concrete kennis toevoegt. Kunst is altijd kunst voor mij – voor iemand, voor een luisteraar, lezer, kijker. Het kunstwerk bestaat oog in oog met een ‘jij’. Wat Mendelsohn ook schrijft: de glimpen die critici geven van hun smaak en passie ‘laten zien wat kunst en cultuur voor een mens kunnen doen’ (mijn nadruk).

Ik stelde me eigenlijk deze situatie voor: Een tiener koopt, vanwege het omslag, in 2013 Walter van den Bergs Van dode mannen win je niet, en is helemaal lyrisch over het jij-perspectief. Ik bedoel: geniet van dat perspectief, is misschien enthousiast omdat ie niet wist dat dat mocht, kon, of zo goed kon werken. Terwijl dat boek natuurlijk niet het eerste is, en ook niet het tweede, dat zo’n perspectief hanteert. Als jong mens rol je nu eenmaal altijd langs een zijweg de kunst in, je begint nooit aan het begin, want dat is er niet, je begint gewoon ergens.

Met andere woorden, Van dode mannen win je niet is niet het boek dat het jij-perspectief ter wereld bracht – maar is dat voor sommige mensen wel.

Een criticus is misschien iemand die, wanneer dat boek verschijnt, niet versteld zal staan vanwege dat perspectief. Iemand die, wat betreft bekendheid met een bepaalde kunstvorm, al iets volwassener is, gevormder. Misschien iemand die vertellen kan dat dat perspectief lang niet altijd zo’n effect heeft, maar in dit geval wel, en dus in dit geval erg van het boek kon genieten. De criticus kan bijvoorbeeld zeggen: het werkt hier zo goed omdat het gebruiken van een jij-perspectief zowel de intimiteit als de dreiging van de stiefvader voelbaar maakt, dat was met een ander perspectief veel minder sterk naar voren gekomen. Daarna zou de criticus kunnen zeggen: je moet dit boek dus lezen – en dat is wat recenseren bijna volledig geworden is, het antwoord op de vraag of je iets wel of niet moet lezen.

Maar dat is geen noodzakelijk vervolg. Pruis haalt Mendelsohn aan, die nooit het idee had dat een criticus hem probeerde over te halen iets te doen of te vinden: de criticus leerde hem kijken, liet hem opmerken wat hij anders niet had gezien:

En zo komt Daniel Mendelsohn bij de waarde van de criticus, ofwel degene wiens kennis en smaak leiden tot een betekenisvol oordeel. ‘Betekenisvol’ is het sleutelwoord hier. Als je alleen maar sterk reageert op een werk, ben je geen criticus. Je bent ook geen criticus als je alleen maar heel veel weet, en niet het temperament hebt om een leek ergens warm voor te maken. Uiteindelijk is de criticus iemand die aanslaat op een nieuw specimen van het genre waarin hij is geïnteresseerd, in wie de honger ontstaat om betekenis te geven aan dat nieuwe ding, die het wil analyseren en interpreteren, die het iets wil laten betekenen.

Ik moet daarbij denken aan een paar gedachten van Claude Lévi-Strauss, die ergens opmerkt dat de wereld niet geleidelijk begonnen kan zijn te betekenen. Er heeft een (biologische) omslag plaatsgevonden, wij zijn het soort wezens geworden waarvoor de wereld betekenisvol is. (Ook hier weer: de kunst is iets voor een jij, voor iemand die het betekenisvol bekijkt.) Ik weet eigenlijk niet of de wereld niet geleidelijk kan beginnen betekenisvol te worden, of dat zo helder is, maar ik geloof wel dat de ervaring van het betekenisvolle altijd voorloopt op de betekenis die we zeggen dat iets heeft: er is een bepaald overschot van betekenisvolheid, en daaraan wil precies de criticus betekenis geven.

‘Een nieuw specimen van het genre’, daar slaat volgens Mendelsohn en Pruis de criticus op aan. En daar klinkt opnieuw wat bij Barthes ook al langskwam: een corpus, enkele lichamen. Barthes maakt de fotografie in Camera Lucida tot zijn fotografie, hij is daar geen fotografiecriticus, hij schuift nog iets dichter in de richting van de autobiografie. Tegelijk is hij niet simpelweg iemand die alleen maar sterk op foto’s reageert, hij probeert wel na te denken terwijl hij blijft kijken, stelt de vraag waarom hij zo sterk op sommige foto’s reageert.

Ware kritiek is een vorm van memories, van autobiografie, omdat het ervaren van een ‘nieuw specimen’ van een bepaald genre enkel mogelijk is tegen een achtergrond van andere exemplaren; critici worden beperkt door hun toch altijd ook beperkte kennen van het veld. Idealiter is die beperkte kennis minder beperkt dan die van een niet-criticus; een criticus maakt het tot werk om veel van een bepaalde kunstvorm tot zich te nemen.

Een criticus is, met andere woorden, iemand voor wie niet alles zomaar nieuw overkomt. Voor wie sommige nieuwe boeken, schilderijen, enzovoort, al ‘bekend’ zijn, zelfs al bekijk je ze nog maar net, omdat je sneller herkent wat je elders al hebt leren kennen. Met andere woorden – en dat kwam in Pruis’ anekdote eigenlijk al voorbij – een criticus verhoudt zich tot een canon, tot iets wat, met betrekking tot de kunstdiscipline, als bekend mag worden verondersteld.

Geen onbetwist begrip, de canon – want wie daar wel en vooral wie daar niet in komt heeft lang niet altijd te maken met gebrek aan prestatie of waarde. Maar dát er een canon bestaat, zij het een wat los-vaste, lijkt me moeilijk te betwisten. Er zijn meer exposities van Rembrandt van Rijn dan van Emmanuel de Witte. Die laatste is dan wel weer iemand die je misschien snel tegenkomt als je specifiek gaat kijken naar schilderijen van kerkinterieurs. Het oeuvre van Haruki Murakami ligt in meer boekhandels klaar om te worden gekocht dan dat van Shuntaro Tanikawa, en Murakami wordt breder vertaald. Wat er betwist kan worden is niet zozeer het bestaan van de canon, of van reputaties, maar of die terecht zijn, en of er misschien meer aandacht moet komen voor nog andere mensen, ander werk.

Precies dáár bevindt zich het speelveld van de criticus, niet in het café waar je het met je vrienden over de laatste Hollywood-blockbuster hebt

Zowel Pruis als Bloom merken op dat men hen amper vraagt naar leestips, als men weet dat ze criticus zijn; ze krijgen de vraag – zoals Bloom het zegt – ‘welke levende dichter men zou moeten lezen.’ En hoe je ook antwoordt, zegt Bloom, je bent als criticus niet zomaar bezig met leestips, maar met canonvorming, met het beantwoorden van een vraag die hij, puntje bij paaltje, van een droevig belang noemt: “Which poet shall live?”

De grond onder Blooms kritiek is een flinke dosis doodsangst, en ik weet niet of ik die deel, maar ik kan hem desondanks wel volgen. Bloom schrijft de noodzaak van canoniseren toe aan het niet oneindige culturele geheugen van een maatschappij. Je zou ook kunnen zeggen: er bestaat nu eenmaal onvermijdelijk een canon, dus we moeten het erover hebben. De gedachte dat over smaak niet te twisten valt laat buiten beschouwing dat wat jij aan schilderijen bekijkt bepaald wordt door wat er aan de muren van musea hangt, en dat anderen dus al besloten hebben welke muurruimte waarvoor wordt gebruikt: het twisten is al begonnen. En precies dáár bevindt zich het speelveld van de criticus, niet in het café waar je het met je vrienden over de laatste Hollywood-blockbuster hebt.

Een criticus is nooit iemand die jou je plezier ontnemen kan, alsof je niet meer zou genieten waarvan je toch al genoten hebt. Het zou arrogant zijn als een criticus vindt dat diens genot beter of meer terecht is dan het jouwe. Maar het is evengoed arrogant om te denken dat iedereen die een film bekijkt met evenveel autoriteit kan spreken over de waarde ervan als film – dat wil zeggen, hoe die film overeind blijft staan tegenover andere films. De reden dat een criticus je iets kan aanraden is niet omdat diens mening beter is, maar omdat de criticus er al werk van gemaakt heeft véél te lezen, zien, horen. Het is de kwantiteit van diens ervaring waar je iets aan hebt, niet de kwaliteit. En het geven van tips is dus, voor de criticus, niet de hoofdzaak. Een criticus probeert vooral iets onmogelijks te doen: het gesprek aangaan over hoe de beperkte ruimte die de kunsten onvermijdelijk hebben waardevol besteed kan worden. Dat is pas arrogant als je vergeet dat dat gesprek, zoals Bloom al schrijft, een noodzakelijk gesprek is. Noodzakelijk vanwege onze beperkte middelen, onze eindigheid.

Dus ja, het oordeel van de criticus heeft te maken met smaak. Nee, het is niet maar een mening. Ja, het zou arrogant zijn als een criticus denkt dat diens genot en ervaring belangrijker of relevanter zijn dan dat van een ander, maar omgekeerd is het arrogant dat iedereen die maar iets ervaart denkt iets te kunnen zeggen over een heel veld.

De criticus houdt nu eenmaal erg van een bepaalde kunstvorm. En je bent niet simpelweg criticus, maar filmcriticus, of literatuurcriticus, of misschien zelfs gespecialiseerder een criticus van kinderliteratuur, of van romcoms. Bijna iedereen heeft vast wel eens een recensie gelezen en gedacht: ja, maar dán is dit gewoon niks voor jou – een liefdeloze recensie van iemand die iets niet waarderen kan door een beperkte blik.

En soms lees je een negatieve recensie waardoor je bijvoorbeeld een boek toch graag leest. Ook dáár gaat de gesprekspartner van Pruis dus de mist in. Ik herinner me een recensie waarin de criticus zich afvroeg waarom iemand die woorden haat de moeite zou doen zoveel ervan op een rij te zetten – en na een lange, introspectieve recensie kwam de conclusie: ‘Ik ben van mening dat dit boek verschrikkelijk is, en ik er esthetisch en filosofisch tégen ben.’ Het was, in mijn ogen, een érg goede recensie, omdat iemand zich zo overduidelijk met het boek had ingelaten, zo overduidelijk had proberen te verhouden tot het werk, dat de waarde ervan kon blijken ongeacht of diegene het goed of slecht vond. Meerdere mensen reageerden dat ze het boek waren gaan kopen.

Of dat is wat een recensie, in het beste geval en wat mij betreft, zou kunnen zijn. Dit alles is dus, in feite, recensiekritiek. 

Dat is misschien het probleem van sterrenrecensies: je kunt iets precies waarderen om de reden waarom een ander het haat. Ook dáárom is het onzin om van de criticus te verlangen dat die voor jou filtert wat je wel of niet moet willen lezen, horen, zien. Juist omdat de criticus ook maar een mens is, en de kritiek geen wetenschap, is een criticus in het beste geval iemand die zich simpelweg volledig overgeeft aan dat wat er besproken moet worden, en iemand die daar vervolgens – noem het autobiografisch – verslag van doet. Op geen enkel moment hoeft er een mening langs te komen, hoewel dat er vast deels uit zal volgen. In de eerste plaats is een recensie een verslag van een leven, van wat een bepaald werk met een leven deed. Dat verslag is, zo goed en zo kwaad als dat kan, waarachtig. En geïnformeerd door smaak, door verstand en genot. Aan de hand van dat verslag kun je geïntrigeerd raken, of niet – als het goed geschreven is, ongeacht wat de criticus zelf vond.

Of dat is wat een recensie, in het beste geval en wat mij betreft, zou kunnen zijn. Dit alles is dus, in feite, recensiekritiek. Ik heb een mening over hoe de ruimte die er voor recensies bestaat gebruikt zou kunnen worden zodat die ruimte waardevoller wordt.

De kritiek vervangt het gesprek met je vrienden niet. En ik vind goede gesprekken met vrienden – over films, boeken, muziek – in principe belangrijker dan de kritiek. Maar omgekeerd kunnen die gesprekken maar gedeeltelijk de plaats van de kritiek innemen, want waarover wij het met elkaar hebben is op een bepaalde manier tot ons gekomen. Sommige dingen hebben al aandacht gekregen, zijn al doorgegeven. Natuurlijk is het fijn als je ergens per zuiver toeval over struikelt, een al decennia ongelezen boek uit een kast pakt en het prachtig vindt – maar de aandacht wordt al verdeeld, is al verdeeld. En het is gezond als mensen met veel overgave voor een genre of discipline het daarover hebben – en dat doen op publieke plaatsen, op internet of in dagbladen. Juist omdat het gaat om kritiek, niet om wetenschap – juist omdat het gaat om iets dat alleen maar geïnformeerd kan zijn door individuele mensenlevens. Juist omdat het gaat over de waarde van dingen die, zelfs al kan het niet, moet worden betwist.

Haiku

Aan de poort van vroeger – Het moment en de geschiedenis in Bashō’s haiku

Hoewel de haiku inmiddels al ongeveer een eeuw aan bekendheid wint in het westen, blijft het lastig de vorm te vertalen of begrijpen zonder dat hij veel verliest van wat hem – volgens mij – de moeite waard maakt. De meeste westerse ‘definities’ komen ongeveer overeen met wat Ellen Deckwitz in Olijven moet je leren lezen schrijft: ‘Ter opfrissing: een haiku betreft een beschrijving van het moment, doorgaans geschreven in regels van vijf, zeven en weer vijf lettergrepen.’

Op twee manieren vormt zo’n samenvatting een struikelblok. Aan de ene kant omdat wat er staat wel ongeveer klopt, maar onvolledig is: alsof je iemand zou vragen een sonnet te schrijven na enkel gezegd te hebben dat zoiets uit 14 regels bestaat. Aan de andere kant omdat wat er staat wel ongeveer klopt, maar als je je niet bewust bent van cultuurverschillen, je niet doorhebt hoe het klopt (of hoe het ook niet klopt).

Ik wil een paar van die problemen graag verhelderen aan de hand van een van de haiku van Bashō.