Overzicht

Zomervakantie, of: Klecks verzameld I

Detail uit 'De Theems dichtbij Marble Hill, Twickenham' (1762) van Richard Wilson

Nu de zomer in volle gang begint te komen – met verlossende onweersbuien en al – is het voor Klecks ook tijd voor een aantal weken vakantie. Daarom hebben we, naast de reeksen over Ben Lerner en, recent, over Tsjêbbe Hettiga, alle stukken verzameld waarmee we het hele oeuvre (tot nu toe) van een dichter hebben besproken. Voor wie nog niet genoeg te lezen heeft op het strand.

SchroomruilMichel Bartosik

Van deze Vlaamse pink poet bespraken we het verzameld werk Schroomruil dat in 2013 bij het Poëziecentrum verscheen (de vierde bespreking ooit). Schroomruil is een prachtige uitgave voor een toch vrij onbekende dichter, die vroeg stierf en maar drie bundels publiceerde. In het stuk proberen we een lezing te geven van wat er met Bartosiks poëzie gebeurde toen hij over de dood van zijn vader ging schrijven. (HHtN)

> ‘En strek onbeschaamd vertrouwend’ – Door de dood van een vader

Bespreking

‘Een gedicht maken / dat groter is dan past’ – Over hopen op waar je vertrouwen in hebt

Detail uit 'Vier bomen' van Egon Schiele (1917)

Aurelius Augustinus begint zijn Belijdenissen met een gebed waarin hij God vraagt bij hem binnen te komen, hem te vullen. Hij wil zo dicht mogelijk bij God zijn. Augustinus bidt zo in de volle wetenschap van de moeilijkheden die dat verlangen tekenen. Waar zou God, eeuwig en alomvattend, zich immers op moeten houden in een eindig mens? Augustinus gaat, al biddend, een aantal mogelijke antwoorden na op die vraag – hij belijdt, zogezegd, ook zijn ideeën – maar hij eindigt uiteindelijk toch weer met een bede: ‘Het huis van mijn ziel is te klein om u binnen te laten, maak het ruimer.’

De antwoorden die Augustinus heeft, zijn blijkbaar niet zeker genoeg om zijn gebed overbodig te maken. Enerzijds roept hij: ‘Alles is uit u, alles is door u en alles is in u. Zo is het, ja Heer, zo is het!’ En anderzijds blijft hij die God die overal is toch bidden om eindelijk ruimte te maken voor zichzelf. Twijfelt Augustinus dan of hij God wel echt in zijn hart heeft gesloten? Waarschijnlijk – maar ik denk niet dat deze gebed over zulke twijfels gaat. Dit is denk ik geen uitzondering; we krijgen hier iets mee van het verband tussen geloven en bidden. Tussen iets als vertrouwen en hopen, als we het meer seculier willen vertalen. Namelijk: je bidt juist voor waar je in gelooft.

Geloven is, los van of dat nou in God is of in iemands liefde voor jou, een activiteit. Je moet voortduren blijven geloven. En dat is waar iets als een gebed een rol begint te spelen. Of misschien niet het gebed als een genre, maar het vragende en onbevestigde karakter van het gebed. Als een vraag die ruimte maakt voor de toekomst.

In die hoedanigheid vind ik het gebed tenminste terug in veel van de poëzie die ik lees. Een dichtregel heeft het vermogen om ruimte te laten voor meer dan wat er verwoord kan worden, voor wat we kunnen benoemen, om een vraag te laten bestaan.

Bespreking

‘we jaagden altijd al op elkaar in onszelf’ – Hoe liefde vergaat in Charlotte van den Broecks Nachtroer

Piet Mondriaan - Compositie met rood, geel en blauw (1942)

In haar essay Twee gaten (Gids #6, 2016) noemt Lieke Marsman het gedeelde bed ‘de plek bij uitstek waar ons symbiotische liefdesideaal werkelijkheid wordt’. Dat bed is tegelijk de plek waar duidelijk wordt dat zo’n verlangen naar eenwording niet volledige vervuld kan worden, want ‘zodra de dag aanbreekt gaat ieder zijns weegs.’ Wat onder de lakens een en hetzelfde zou kunnen zijn, dat Shakespeareaanse beest met de twee ruggen, splits ’s ochtends weer op in twee afzonderlijke personen.

Charlotte van den Broecks plaatst haar tweede bundel Nachtroer (2017) in de lijn van gedachten als die van Marsman als ze die in Opiums radioprogramma afzet tegen haar eersteling Kameleon (2015): ‘In de eerste bundel was het een zoektocht naar symbiose, met het eigen lichaam, met andere lichamen. Dat was heel hoopvol. En nu is die symbiose toch wel gefaald in de tweede bundel.’ Dit wordt al duidelijk in het eerste gedicht van de openingsafdeling, waarin niet alleen het bed, maar heel het huis wordt verdeeld tussen scheidende geliefden ‘in bananendozen en bezittelijk voornaamwoorden / de boekenkast in links en rechts’.

Zo begint de reconstructie van een ontbonden relatie.

Opinie

‘Wat is dat “ik” dat in mij doet?’ – Het probleem van het ‘ik’ in engagement

Op de 34e Nacht van de Poëzie droeg Dichter des Vaderlands Anne Vegter een gedicht voor dat ze geschreven had aan het eind van het parlementaire jaar 2015. De Cultuurpers noemt het een ‘groot statement’, volgens Literair Nederland was Vegter ‘zeker geëngageerd’ ‘met onontkoombare scherpte’, NRC opent met regels uit Vegters gedicht in een stuk dat de hoge hoeveelheid engagement van de avond benadrukt. Het gedicht schildert Nederland af als getroffen door oorlog of aanslagen, met ‘ontploffingen bij benzinestations’, een ‘grote brand’ in Utrecht, lijken in grachten die worden aangevreten door honden, mensen onder puin, gaswolken boven Overijssel. ‘[D]e Veluwe staat in brand’ en ‘iedereen rent’. ‘Het is onveilig voor meisjes. / In de nacht worden ze uit de rijen geplukt.’

Het heet ‘De overkant’, en sluit af met de volgende regels:

Waar is de overheid?
Er zouden tientallen boten klaarliggen om Nederlanders naar de overkant te brengen.
We zijn met duizenden.
Onze boten bezwijken bijna onder het gewicht van de mensen.
Er glijden lichamen over de randen van de boten.
Er keren boten terug.
Met levenden en doden.
Waar is de overkant?
Er is geen overkant.
We drijven verder.
We spoelen over de hele wereld aan.
Niemand zit op vluchtelingen te wachten.
Gelukszoekers.
Zo worden we genoemd.

Bespreking

‘Als ik mezelf ervan beschuldig paradoxaal te zijn’ – Over angst

Ze zegt het zelf en de Elsevier herhaalde het laatst nog maar eens, dus het is zo goed als zeker: Lieke Marsman schrijft over angst. Of laat ik iets preciezer zijn, in haar tweede bundel, De eerste letter (2014), speelt angst een grote rol. Zo’n rol dat bijna niemand ergens anders over kon schrijven toen de gedichten verschenen. En blijkbaar kunnen we dat nog steeds niet, want ik ga het hier ook weer doen. Waar komt al die aandacht voor dat thema vandaan? In feite gaat maar één van de afdelingen specifiek over angst. Er staan ook heel goede ruzie en break-up gedichten in de bundel. Is het een generatie-ding? Marsman schrijft wel op een soort exemplarische manier over hyperbewustzijn, naïviteit en angst, op een manier die herkenbaar is voor een flinke groep jonge volwassenen. Maar de herkenbaarheid van de problemen of gevoelens die ze beschrijft is volgens mij niet de belangrijkste eigenschap van haar werk. Of je zou moeten zeggen dat ze herkenbaar maakt wat we, tot we het gedicht lazen, nog niet zo over onszelf hadden begrepen. Lees maar eens hoe ze over angst schrijft.