Overzicht

Zomervakantie, of: Klecks verzameld I

Detail uit 'De Theems dichtbij Marble Hill, Twickenham' (1762) van Richard Wilson

Nu de zomer in volle gang begint te komen – met verlossende onweersbuien en al – is het voor Klecks ook tijd voor een aantal weken vakantie. Daarom hebben we, naast de reeksen over Ben Lerner en, recent, over Tsjêbbe Hettiga, alle stukken verzameld waarmee we het hele oeuvre (tot nu toe) van een dichter hebben besproken. Voor wie nog niet genoeg te lezen heeft op het strand.

SchroomruilMichel Bartosik

Van deze Vlaamse pink poet bespraken we het verzameld werk Schroomruil dat in 2013 bij het Poëziecentrum verscheen (de vierde bespreking ooit). Schroomruil is een prachtige uitgave voor een toch vrij onbekende dichter, die vroeg stierf en maar drie bundels publiceerde. In het stuk proberen we een lezing te geven van wat er met Bartosiks poëzie gebeurde toen hij over de dood van zijn vader ging schrijven. (HHtN)

> ‘En strek onbeschaamd vertrouwend’ – Door de dood van een vader

Bespreking

‘en wij ouder werden en lichamen achterlieten en lichamen opnamen’ – Worden net als net in het werk van Thomas Möhlmann

Detail uit 'De raaf wordt beroofd van de veren waarmee hij zich had getooid' (1671) – Melchior d'Hondecoeter

In een oud interview met Remco Ekkers liet Thomas Möhlmann het volgende optekenen:

Het is moeilijk om dit uit te leggen, zonder dat het heel plat klinkt, want het is in principe een heel duidelijk idee: er is meer werkelijkheid om ons heen dan die we direct ervaren. Door daar beter naar te kijken of door daar van uit te gaan, kun je het pas zien, maar het is net nog lastiger dan dat. Het gaat er om steeds te proberen stil te staan bij datgene dat net voorbij ligt aan wat je denkt of wat je zien kunt, vanuit de vooronderstelling dat het zich daar ook daadwerkelijk bevindt.

En in een interview na het verschijnen van zijn debuut, De vloeibare jongen, in Lava 11.3, vertelde hij dat het hem in gedichten ging

om het eigen universum dat je in de taal kunt creëren, een aannemelijk universum dat door lichte verdraaiingen gaat knarsen. Het gaat me om het niet opzichtig verklooien van de werkelijkheid, het spanningsveld dat daardoor ontstaat.

Hij legde daar uit dat puur al door de daad van het schrijven, gedichten zich loswerken van datgene dat voor het schrijven de aanzet vormde. Het gedicht werkt binnen zulke opvattingen als een vorm van uitstellen of vertragen – en het is goed om te beseffen dat ook zulke ingrepen de werkelijkheid verdraaien, niet precies intact laten. Gedichten als vormen van weerstand tegen de directe ervaring, tegen het idee dat we heel de tijd als vanzelfsprekend simpelweg zien hoe het zit.