Algemeen, Overzicht

Genomineerden C. Buddingh’-Prijs 2017 bekendgemaakt

Detail uit een landschap van Béla Spányi,

De genomineerden voor de C. Buddingh’-Prijs 2017 – prijs voor het beste debuut verschenen in de periode van 1 maart 2016 tot 28 februari 2017 – zijn bekendgemaakt. De jury stelt dat 2016 een rijk jaar was, wat poëtische debuten betreft, met name door toedoen van kleine uitgeverijen; de grote hebben ‘weinig of geen debuten’ uitgebracht, schrijven ze. Het heeft geleid tot ‘degelijke bundels, vormelijk en muzikaal en soms tot voldragen poëzie die openstaat voor het experiment en blijk geeft van een bijzonder gevoel voor taal waarmee de tijd van nu gepeild wordt.’

Met die gedachte in het achterhoofd is de wellicht opvallend afwezige Hannah van Binsbergens Kwaad gesternte, waaraan de VSB Poëzieprijs 2017 werd toegekend. De jury van de Buddingh – dit jaar bestaande uit Mischa Andriessen, Ton Naaijkens, Maud Vanhauwaert – heeft echter precies vier debuten genomineerd die allemaal in 2017 verschenen zijn, en zodoende überhaupt niet ingezonden waren voor de VSB. Daarmee is misschien tactisch het probleem verholpen van de intuïtief toch lastige verhouding tussen een prijs voor het beste debuut en een prijs voor de beste bundel überhaupt (al valt te hopen dat zulke overwegingen überhaupt niet hebben meegespeeld).

Drie van de vier genomineerde debuten werden al door Klecks besproken, en op 30 april plaatsten we ook een bespreking van de vierde.

Bespreking

‘waar is la última?’ – De urgentie van de vertaling in Tijl Nuyts’ Anagrammen van een blote keizer

Een detail uit 'Bileam en de ezel' (1626) van Rembrandt van Rijn

De achterflap van Tijl Nuyts’ (1993) debuutbundel stelt ‘dat Anagrammen van een blote keizer de kunst van het heldere denken tot lyrische hoogten voert.’ Dat zijn zorgvuldig gekozen woorden, waarin een vlugge lezer zich nog wel eens zou kunnen vergissen. Misschien verwacht je namelijk op basis van zo’n tagline een abstracte, conceptuele poëzie, opgebouwd uit precies geformuleerde stellingen. Maar die ‘lyrische hoogten’ zijn geen krachtterm, veeleer een beschrijving. En met die lyriek is Nuyts wel degelijk na aan het denken, maar het is een denken van een wereld aan verschil. Verschillen tussen mensen, gedachten en talen – en ga zo maar even door.

Het is bovenal een lyriek die een verhaal vertelt – hoe tegenstrijdig dat ook mag klinken voor iemand die een beetje onderlegt is in het verschil tussen lyrische en narratieve poëzie. Nuyts voert personages op en ontwikkelt ze, zij zijn het die spreken, denken en voelen. Zoiets schrijft Nuyts ook het gedicht ‘La última’:

in de mond van een personage dat niet de dichter is
klinken woorden van vrouwen, knechten, dronkaards
als duiven die koeren tussen de takken

Al het denken dat de gedichten doen, gebeurt via deze personages, die zich ergens ophouden tussen vleesgeworden concepten en gemythologiseerde bekenden. Een gedicht uit de bundel voelt daarom enerzijds aan als een verhalend denken en anderzijds als een soort geabstraheerde anekdote. Misschien kunnen we dit zelfs in een meer literatuurwetenschappelijke zin samenvatten als de spanning tussen lyriek en narratief.

Op deze manier staan wij lezers, om het met een citaat van Wittgenstein te zeggen, ‘als de os voor de pas geverfde staldeur.’ En dat lijkt precies de plek te zijn waar Nuyts ons wil hebben.