Bespreking

‘Political problems are structurally identical with problems of representation’ – Over waar poëzie politiek wordt

Joseph Mallord William Turner - The Hero of a Hundred Fights (1847)

Deze maand staat Klecks in het teken van Ben Lerner, wiens recent uitgegeven essay, The Hatred of Poetry, in het Nederlands verschijnt als Waarom we poëzie haten. Ben Lerner is bekend als de auteur van drie dichtbundels – The Lichtenberg Figures, Angle of Yaw en Mean Free Path – en twee (ook in het Nederlands vertaalde) romans, Leaving the Atocha Station en 10:04. Na een introductie tot de ideeën uit Lerners essay en een bespreking van Lerners poëzie, kijken we vandaag naar het werk van zijn intellectuele vader: de dichter-criticus Allen Grossman.

Ben Lerner maakt er geen geheim van dat hij zijn poëzie-theoretische mosterd haalt bij dichter-denker Allen Grossman. Al voor Lerner het essay publiceerde, liet hij diens naam veelvuldig vallen in interviews. Grossmans ideeën over de virtualiteit van poëzie – dat een gedicht een poging is voorbij het menselijke, tijdelijke en wezenlijke te gaan  zijn voor Lerner een belangrijk uitgangspunt, voor zowel zijn poëzie als romans. Vandaag gaan we daarom dieper in op Grossmans poëziekritiek. We lezen een van zijn laatste essays om de criticus in actie te zien. Daarbij dwalen we ook nog even af naar de poëtica van Rutger Kopland, die in het licht van Grossmans denken een interessant politieke bijklank krijgt.

Opinie

‘Wat is dat “ik” dat in mij doet?’ – Het probleem van het ‘ik’ in engagement

Op de 34e Nacht van de Poëzie droeg Dichter des Vaderlands Anne Vegter een gedicht voor dat ze geschreven had aan het eind van het parlementaire jaar 2015. De Cultuurpers noemt het een ‘groot statement’, volgens Literair Nederland was Vegter ‘zeker geëngageerd’ ‘met onontkoombare scherpte’, NRC opent met regels uit Vegters gedicht in een stuk dat de hoge hoeveelheid engagement van de avond benadrukt. Het gedicht schildert Nederland af als getroffen door oorlog of aanslagen, met ‘ontploffingen bij benzinestations’, een ‘grote brand’ in Utrecht, lijken in grachten die worden aangevreten door honden, mensen onder puin, gaswolken boven Overijssel. ‘[D]e Veluwe staat in brand’ en ‘iedereen rent’. ‘Het is onveilig voor meisjes. / In de nacht worden ze uit de rijen geplukt.’

Het heet ‘De overkant’, en sluit af met de volgende regels:

Waar is de overheid?
Er zouden tientallen boten klaarliggen om Nederlanders naar de overkant te brengen.
We zijn met duizenden.
Onze boten bezwijken bijna onder het gewicht van de mensen.
Er glijden lichamen over de randen van de boten.
Er keren boten terug.
Met levenden en doden.
Waar is de overkant?
Er is geen overkant.
We drijven verder.
We spoelen over de hele wereld aan.
Niemand zit op vluchtelingen te wachten.
Gelukszoekers.
Zo worden we genoemd.