Bespreking

‘“Wat nu als ik het ben?” Zo inwisselbaar namelijk ben ik best.’ – Engagement en het ‘ik’ bij Perquin

Detail uit 'Portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw' – Jan van Eyck

Twee weken geleden schreef ik over de problematiek van identiteit in engagement, toegespitst op de uitsluitende werking die vermeend universele woorden kunnen hebben. Ik zette een aantal dichters, in wiens gedichten het ‘ik’ en zijn functies worden doorgewerkt, af tegen een naïeve vorm van engagement, die steunt op een eigen en vooral toegeëigend ‘ik’.

In dit stuk zou ik daar op verder willen gaan. Omdat ik het besef van de werkingen van het ‘ik’ tot nu toe een problematiek heb genoemd, zou het idee kunnen ontstaan dat het vooral een probleem is dat moet worden opgelost. Dat is echter alleen het geval vanuit het ‘naïeve’ oogpunt – dat immers aan die werkingen ‘voorbij wil gaan’, en het daarom als obstakel zal moeten ervaren als het benoemd wordt. Dat de werkingen van het ‘ik’ ook juist kunnen worden ingezet, als een soort gereedschap, wil ik naar voren brengen aan de hand van het werk van Ester Naomi Perquin.

Opinie

‘Wat is dat “ik” dat in mij doet?’ – Het probleem van het ‘ik’ in engagement

Op de 34e Nacht van de Poëzie droeg Dichter des Vaderlands Anne Vegter een gedicht voor dat ze geschreven had aan het eind van het parlementaire jaar 2015. De Cultuurpers noemt het een ‘groot statement’, volgens Literair Nederland was Vegter ‘zeker geëngageerd’ ‘met onontkoombare scherpte’, NRC opent met regels uit Vegters gedicht in een stuk dat de hoge hoeveelheid engagement van de avond benadrukt. Het gedicht schildert Nederland af als getroffen door oorlog of aanslagen, met ‘ontploffingen bij benzinestations’, een ‘grote brand’ in Utrecht, lijken in grachten die worden aangevreten door honden, mensen onder puin, gaswolken boven Overijssel. ‘[D]e Veluwe staat in brand’ en ‘iedereen rent’. ‘Het is onveilig voor meisjes. / In de nacht worden ze uit de rijen geplukt.’

Het heet ‘De overkant’, en sluit af met de volgende regels:

Waar is de overheid?
Er zouden tientallen boten klaarliggen om Nederlanders naar de overkant te brengen.
We zijn met duizenden.
Onze boten bezwijken bijna onder het gewicht van de mensen.
Er glijden lichamen over de randen van de boten.
Er keren boten terug.
Met levenden en doden.
Waar is de overkant?
Er is geen overkant.
We drijven verder.
We spoelen over de hele wereld aan.
Niemand zit op vluchtelingen te wachten.
Gelukszoekers.
Zo worden we genoemd.