Bespreking

‘Wie is het die loog: / mijn hoofd of mijn oog?’ – Over kinderpoëzie, herkenbaarheid, intensivering en Shakespeare

Detail uit een Superguppie-illustratie door Fleur van der Weel

Min of meer naar aanleiding van dit stuk in het NRC, ben ik de afgelopen tijd eens de ‘kinderpoëzie’ ingedoken. Dat plaats ik meteen maar tussen aanhalingstekens, want intuïtief zie ik niet helemaal hoe ik die van ‘gewone’ of ‘volwassen’ poëzie zou moeten onderscheiden. Is volwassen poëzie ‘moeilijker’? Moeilijker hoe? Ik heb niet het idee dat ik, wanneer ik poëzie lees, primair bezig ben met een intellectuele oefening die ingewikkelder of minder ingewikkeld zou kunnen. Een gedicht kan zich misschien de ene keer makkelijker prijsgeven dan de andere, maar die verwoording moet ons niet misleiden te denken dat het punt van een gedicht is om te ‘ontdekken’ wat het ‘achterhoudt’. (Daar schreef ik eerder over, in de context van recensenten die Nachoem M. Wijnbergs poëzie maar al te gemakkelijk ‘geheimzinnig’ vinden.)

Een van mijn langer standhoudende intuïties is het idee dat een gedicht de taal intensiveert. Wat ik daarmee bedoel is dat poëzie geen essentieel andere manier van spreken is dan ons dagelijkse taalgebruik, maar dat poëzie op een strategische manier gebruikmaakt van de mogelijkheden die binnen die dagelijkse taal al bestaan. Er zit een bepaalde moeilijkheid in het aanwijzen van die strategieën, omdat het niet altijd een kwestie is van een van het gedicht los te denken ‘vorm’, iets dat je zou kunnen abstraheren om het vervolgens ‘nog eens’ met een ander gedicht te proberen.

Hoe het ook zij, ik merkte dat de ‘kinderpoëzie’, zoals het NRC kopte, inderdaad soms ‘beter’ zou moeten kunnen – iets waar we het weinig over hebben, hier op Klecks, omdat de stukken hier niet primair uit moeten zijn op een waardeoordeel. Waar het ‘m voor mij in zat, was het feit dat veel van de poëzie naar mijn idee enkel een poging deed herkenbaar te zijn – en dat staat misschien lijnrecht tegenover die intensivering waar ik het net over heb. Het is misschien dan ook beter niet te spreken over ‘beter’ of ‘slechter’, maar simpelweg te benoemen dat veel van de gedichten weinig voor me lijken te doen.