Bespreking

‘Een gedicht maken / dat groter is dan past’ – Over hopen op waar je vertrouwen in hebt

Detail uit 'Vier bomen' van Egon Schiele (1917)

Aurelius Augustinus begint zijn Belijdenissen met een gebed waarin hij God vraagt bij hem binnen te komen, hem te vullen. Hij wil zo dicht mogelijk bij God zijn. Augustinus bidt zo in de volle wetenschap van de moeilijkheden die dat verlangen tekenen. Waar zou God, eeuwig en alomvattend, zich immers op moeten houden in een eindig mens? Augustinus gaat, al biddend, een aantal mogelijke antwoorden na op die vraag – hij belijdt, zogezegd, ook zijn ideeën – maar hij eindigt uiteindelijk toch weer met een bede: ‘Het huis van mijn ziel is te klein om u binnen te laten, maak het ruimer.’

De antwoorden die Augustinus heeft, zijn blijkbaar niet zeker genoeg om zijn gebed overbodig te maken. Enerzijds roept hij: ‘Alles is uit u, alles is door u en alles is in u. Zo is het, ja Heer, zo is het!’ En anderzijds blijft hij die God die overal is toch bidden om eindelijk ruimte te maken voor zichzelf. Twijfelt Augustinus dan of hij God wel echt in zijn hart heeft gesloten? Waarschijnlijk – maar ik denk niet dat deze gebed over zulke twijfels gaat. Dit is denk ik geen uitzondering; we krijgen hier iets mee van het verband tussen geloven en bidden. Tussen iets als vertrouwen en hopen, als we het meer seculier willen vertalen. Namelijk: je bidt juist voor waar je in gelooft.

Geloven is, los van of dat nou in God is of in iemands liefde voor jou, een activiteit. Je moet voortduren blijven geloven. En dat is waar iets als een gebed een rol begint te spelen. Of misschien niet het gebed als een genre, maar het vragende en onbevestigde karakter van het gebed. Als een vraag die ruimte maakt voor de toekomst.

In die hoedanigheid vind ik het gebed tenminste terug in veel van de poëzie die ik lees. Een dichtregel heeft het vermogen om ruimte te laten voor meer dan wat er verwoord kan worden, voor wat we kunnen benoemen, om een vraag te laten bestaan.