Bespreking

‘En strek onbeschaamd vertrouwend’ – Door de dood van een vader

Achterin Boekhandel Atheneum in Amsterdam, in de hoek met de poëziekast, vond ik een aantal jaren terug een dikke, zwarte, harde bundel: de verzamelde gedichten van Michel Bartosik, Schroomruil (2013). Ik wist niet, zoals waarschijnlijk weinig mensen dat weten, wie hij was. En dat was waarschijnlijk zo gebleven, ware het niet dat deze verzameling prachtig is uitgegeven (heldere druk, goed bezorgd, simpele, stijlvolle omslag). Een gewillig doel voor mijn impulsen.

Bartosik publiceerde tussen 1975 en 2003 vier-en-een-halve dichtbundel (de vijfde bestond voor de helft uit de vierde) en stierf in 2008 op zestigjarige leeftijd. Het nawoord van Erik Spinoy beslaat ongeveer een vierde van de zwarte pil en gaat uitgebreid in op het leven van de dichter en op zijn werk. Hij plaatst de abstracte gedichten over het onzegbare binnen het gezamenlijke oeuvre van de zogenaamde pink poets uit Vlaanderen en in het verlengde van Celan. Maar Spinoy wijst op één ding in het bijzonder: hoe Bartosiks gedichten veranderen na – of door – de dood van zijn vader.