Bespreking

‘en iedereen lag in een deuk’ – Poëzie en punchlines in Griffioen (en Wijnberg)

Jan Steen – Detail uit Dorpsschool

Eind 2015 verscheen Wijk, het debuut van Jonathan Griffioen, dat afgelopen lente werd genomineerd voor de C. Buddingh-prijs. Een deel van de regels (of fragmenten van regels) kreeg ik eerder te lezen, nadat ik Griffioen leerde kennen tijdens het finaleweekeind van Write Now! 2012. Het voelt dan ook soms vreemd de bundel in zijn ‘uiteindelijke’ vorm te lezen: hier en daar spoken nog schimmen van gedichten rond die, in zekere zin, niet meer bestaan. Anders gezegd: ik ben me bij het lezen van Wijk bewuster dat bepaalde associaties door anderen niet zullen worden gemaakt, bewust van mijn persoonlijke context – hoewel die bij welke andere bundel dan ook een rol zal spelen.

Tegelijkertijd is poëzie misschien bij uitstek het soort taalgebruik dat zoiets zou moeten kunnen overleven – en daarin komt het overeen met een goede grap. (Een grap maakt op een soortgelijke manier gebruik van het impliciete, terwijl dat impliciete op een bepaalde manier gedeeld moet worden, wil de grap werken.) In ‘Wanneer wordt het grappig op iets te wachten?’, een gedicht uit Nachoem Wijnbergs Nog een grap, lezen we ook over het omgekeerde:

Ik herinnerde mij
dat het grappiger was,
maar je moet veel weten
om het grappig te vinden,
en bijna niemand weet meer zoveel.

Een grap in poëzie komt soms over als gevaarlijk. Het komt voor dat mensen iets ‘geen poëzie meer vinden’ omdat het ‘te grappig’ is, te veel op een mop lijkt, doet lachen. Ik weet niet of ik erachter kom waar dat ‘m in zit, maar ik ben wel benieuwd: wat doen grappen in en met een gedicht? Wat doen ze in Wijk?

Bespreking

‘Een gedicht maken / dat groter is dan past’ – Over hopen op waar je vertrouwen in hebt

Detail uit 'Vier bomen' van Egon Schiele (1917)

Aurelius Augustinus begint zijn Belijdenissen met een gebed waarin hij God vraagt bij hem binnen te komen, hem te vullen. Hij wil zo dicht mogelijk bij God zijn. Augustinus bidt zo in de volle wetenschap van de moeilijkheden die dat verlangen tekenen. Waar zou God, eeuwig en alomvattend, zich immers op moeten houden in een eindig mens? Augustinus gaat, al biddend, een aantal mogelijke antwoorden na op die vraag – hij belijdt, zogezegd, ook zijn ideeën – maar hij eindigt uiteindelijk toch weer met een bede: ‘Het huis van mijn ziel is te klein om u binnen te laten, maak het ruimer.’

De antwoorden die Augustinus heeft, zijn blijkbaar niet zeker genoeg om zijn gebed overbodig te maken. Enerzijds roept hij: ‘Alles is uit u, alles is door u en alles is in u. Zo is het, ja Heer, zo is het!’ En anderzijds blijft hij die God die overal is toch bidden om eindelijk ruimte te maken voor zichzelf. Twijfelt Augustinus dan of hij God wel echt in zijn hart heeft gesloten? Waarschijnlijk – maar ik denk niet dat deze gebed over zulke twijfels gaat. Dit is denk ik geen uitzondering; we krijgen hier iets mee van het verband tussen geloven en bidden. Tussen iets als vertrouwen en hopen, als we het meer seculier willen vertalen. Namelijk: je bidt juist voor waar je in gelooft.

Geloven is, los van of dat nou in God is of in iemands liefde voor jou, een activiteit. Je moet voortduren blijven geloven. En dat is waar iets als een gebed een rol begint te spelen. Of misschien niet het gebed als een genre, maar het vragende en onbevestigde karakter van het gebed. Als een vraag die ruimte maakt voor de toekomst.

In die hoedanigheid vind ik het gebed tenminste terug in veel van de poëzie die ik lees. Een dichtregel heeft het vermogen om ruimte te laten voor meer dan wat er verwoord kan worden, voor wat we kunnen benoemen, om een vraag te laten bestaan.

Bespreking

‘Maar je hebt vaker iets opgegeven, als op een schaakbord’ – Van begrijpelijkheid en eigenheid; van dragen, belichamen en winst

Telkens als er een nieuwe dichtbundel van Nachoem M. Wijnberg verschijnt – en dat betekent: bijna jaarlijks – herhaalt zich tussen de opvattingen van de dichter en de reacties van een deel van de recensenten een vreemde patstelling. Recensenten grijpen veelvuldig terug op een paradoxaal termenpaar om Wijnbergs gedichten te duiden, zoals helder en raadselachtig of direct en hermetisch. Die twee zijn dan tegelijkertijd van toepassing op de gedichten, waarbij desalniettemin de term aan de ‘mystieke’ kant van het spectrum de overhand lijkt te hebben – de poëzie lijkt helder en direct maar blijft raadselachtig, hermetisch, ondoordringbaar. Het gedicht wordt dus voordat het lezen is begonnen vastgesteld als een ‘geheim’ – en dat is geen ongebruikelijke leeshouding van poëzie in het algemeen – waarbij Wijnbergs poëzie zijn geheim ‘behoudt’ ondanks de helderheid van de taal.

Ten tweede wordt vaak opgemerkt dat Wijnberg ‘naast’ dichter ook hoogleraar in de economie is. Ook die beweging is niet een unieke in het geval van Wijnberg – zodra een dichter of schrijver een opleiding heeft gevolgd aan de bètakant van de faculteiten, maar ook als hij of zij nadrukkelijk vermeldt een bepaalde sport op hoog niveau te beoefenen, wordt diens identiteit vaak in tweeën gespleten. In het geval van Wijnberg blijven de ‘gebieden’ van ‘de poëzie’ en ‘de economie’ vervolgens de rest van de recensie twee afzonderlijke werelden, die niet overlappen, maar in zijn werk (hoogstens) een wisselwerking of kruisbestuiving ondergaan.

Wijnberg zelf spreekt dit soort opvattingen in interviews meestal tegen. Zo ook in het interview dat in juli in het NRC Handelsblad verscheen, naar aanleiding van de bundel die eind vorig jaar verscheen, Van groot belang. Wijnberg zegt zelfs: ‘Als je een krantenartikel kunt lezen, kun je mijn poëzie lezen.’ Hoe kan het dat Wijnberg al een kwarteeuw door veel mensen nadrukkelijk anders gelezen wordt – en dan met name als ondoordringbaarder – dan hoe hij zegt dat hij te lezen is? Is Wijnberg de begrijpelijkheid van zijn werk al meer dan twintig jaar aan het onderschatten? Volgens mij niet.