Bespreking

‘Om naar een passerende trein te kijken’ – Over opmerkelijkheid

Uitsnede van Paul Gauguins tomaten

Het is geen jonge bundel meer, maar vorig jaar werd Remarques (1997) van Franse dichteres Nathalie Quintane voor het eerst naar het Nederlands vertaald, als Opmerkingen. De bundel bestaat enkel en alleen uit drie afdelingen van observaties van een zin of een, twee, steeds gescheiden door een witregel. Denk dan aan de gewoonste dingen – dat een droog washandje helemaal stijf wordt, bijvoorbeeld.

Als je echter langer nadenkt over wat je leest en wat het betekent om er bij na te denken, blijkt er poëtisch best wat op het spel te staan.

Niet meer dan een opmerking

Niet even frequent als de vraag of deze of gene poëzie wel goed is, maar toch best wel vaak, wordt er gevraagd of dit of dat überhaupt wel poëzie is. Sleutelfrases: “gebrek aan …”, “erg prozaïsch”, “anekdotisch”. “Waar is het ritme?” “Is dit nou alleen een verhaaltje?” (Gek genoeg blijkt slechte poëzie vaak ook geen poëzie te zijn.) Ik moet vaak, als de vraag wordt gesteld, aan een paar regels denken die Anne Carson in Red Doc> (2013) over de kwestie schreef:

what is the difference between
prose and poetry you know the old analogies prose
is a house poetry a man in flames running
quite fast through it

Regels waarvan ik veel niet begrijp, maar ten minste wel dat iemand ophoudt een rennende, brandende man te zijn als ik hem tackle met een blusdeken (en de beste intenties). Poëzie is wild, ze staat niet lang genoeg stil om vast te grijpen.

In het geval van dit stuk zou je die vraag – is het poëzie? – kunnen stellen bij een werk van de Franse schrijfster Nathalie Quintane: Opmerkingen. Maarten Buser durfde te vragen. Het probleem is namelijk dat haar gedichten precies dat zijn wat ze heten te zijn, opmerkingen:

Er is een insect met een klein plokje tegen de voorruit te pletter gevlogen.

Als de achterbak opengaat, neemt hij mijn hand mee.

Ondersteboven bereikt een tafel zijn maximale stabiliteit.

Je kunt ze uitleggen als constateringen. Elke opmerking neemt iets waar, een gebeurtenis, een regelmatigheid, een eigenschap. Wat er opgemerkt wordt, is dan ook meteen duidelijk, aangezien de opmerking er zo goed als in bestaat dat te communiceren. Het insect dat tegen het voorruit te pletter vloog, deed dat met een klein plokje. Je hand wordt meegenomen door de opengaande achterbak. Een tafel is ondersteboven het stabielst. Elke notitie lijkt atomair, lijkt op zichzelf te staan. Een opmerking is niet meer dan een opmerking.

Dat klinkt niet toevallig als een negatieve waardering. (Slechte poëzie is geen poëzie. En ook: poëzie moet altijd meer zijn dan wat ze lijkt.) Quintanes notities zijn niet ongrijpbaar, rennen noch branden, het zijn veeleer perfect doorzichtige ruitjes op een stukje van de wereld, volkomen begrijpelijk. Als we echter iets langer nadenken over wat een opmerking is – geen ervaring meer maar nog geen redenatie – dan gaan we iets beter zien hoe poëzie in zekere zin altijd “opmerkelijk” is: zo doorzichtig dat je er niet naar maar alleen doorheen kunt kijken. En op die manier ongrijpbaar.

Dat nadenken gaan we dus maar proberen te doen.

Verantwoordelijk voor verdere interpretatie

Een tafel omdraaien, neerzetten op zijn blad en die stabiliteit ervaren, dat is iets anders dan vervolgens opmerken dat je een tafel op die manier het stabielst neer kunt zetten. En zoiets opmerken is weer iets anders dan vervolgens bedenken waarom die positie zo stabiel is. Quintane merkt dit onderscheid zelf ook op als ze opmerkt dat ze bij een spoorwegovergang stopt met denken ‘om naar de passerende trein te kijken.’ Het ervaren van de wereld, zoals het bekijken van een trein, is zo anders dan het overdenken van de wereld dat Quintane het niet tegelijkertijd kan doen.

Quintane noteert ook dit: ‘Hoogtelijnen zijn uit te leggen door een aardappel in schijfjes te snijden.’ Daarmee legt ze niet uit hoe je met een aardappel hoogtelijnen uitlegt en ze beschrijft op deze manier ook niet hoe het voelt om op dat idee te komen. Dat zijn twee hele andere dingen. (Op dezelfde manier als ik dit nu al een paar keer herhaal, confronteren Quintanes opmerkingen ons steeds weer met hun uniciteit.)

Ik kan me er een voorstelling bij maken, bij zowel de ervaring van een soort openbaring als bij de verdere uitleg. Quintane zit, bijvoorbeeld, met een klein kind aan tafel naar een wandelkaart te kijken. Ze wijst op de lijnen, kijk, zo weten we hoe hoog het hier is. Waarom? Ja, nou – o kijk. In een hoek staat een kistje met aardappels. Er steekt er eentje uit, de punt omhoog. Ze rommelt in een la naar een mes. Bij het aanrecht snijdt ze de aardappel doormidden, in de breedte. Dan komt ze weer zitten en snijdt ze de aardappel voor de neus van het kind in dikke plakken, steeds kleinere, richting de punt. Kijk, elk plakje zou zijn eigen lijn hebben. Ze wijst van een stuk aardappel naar de kaart.

Wat volgt op de waarneming van die mogelijkheid (de opmerking) is de interpretatie ervan. “Hoogtelijnen zijn uit te leggen door een aardappel in schijfjes te snijden, omdat …” En door juist alleen de constateringen te verzamelen, kunnen Quintanes opmerkingen ons bewust maken van de grens die we overschrijden door te interpreteren. Het atomaire karakter van de opmerking, die weerbarstig niet anders dan zichzelf is, zorgt dat het denken door ons moet worden gedaan.

Opmerkingen stellen ons voor de vraag wat we verder met ze moeten.

Bij deze notitie – ‘Als je naar een raam loopt om een wasem te zien ontstaan, is dat niet altijd om te bevestigen dat je leeft’ – kun je, wellicht meer nog dan bij aardappels en hoogtelijnen, verder denken. Dus: soms adem je wel op een raam om de condens ervan te zien. Waarom dan? Of waarom soms niet? Wasem is mogelijk een bevestiging, mogelijk iets om in te tekenen, mogelijk een manier om iets te verbergen. De richtingen die je verder inslaat tijdens het denken over een opmerking, kies jij.  En dat is volgens mij waarom Quintanes notities ons ongemakkelijk kunnen maken. Wij alleen zijn verantwoordelijk voor verdere interpretatie.

Opmerkingen stellen ons voor de vraag wat we verder met ze moeten. Ze zeggen wat ze zeggen en daarmee is het gedaan. Anderzijds, als we dan toch proberen verder te gaan, ervaren we die transgressie des te duidelijker. Maar die vrij extreme ervaring van verantwoordelijkheid lijkt ergens het tegenovergestelde te zijn van hoe het is om poëzie te lezen. Een gedicht lezen draait toch juist om ruimte, om ambiguïteit – om het punt waarop we in onze lezing geen onderscheid meer kunnen maken tussen wat het gedicht betekent en hoe de lezer het interpreteert?

Misschien wel. Maar dat we soms geen onderscheid meer kunnen maken tussen wat er in een gedicht staat en wat we erin lezen, betekent niet dat we niet meer verantwoordelijk zijn voor onze interpretatie. Want er bestaat dus wel een verschil – we ervaren het bij het lezen van Quintanes opmerkingen.

In die zin opmerkelijk

Want: poëzie is ongrijpbaar maar in een gedicht staat alleen wat erin staan kan. Ellen Deckwitz zegt het zo in haar recente introductie tot poëzielezen, Olijven moet je leren lezen (2016): ‘alleen wat er staat telt, en hoe je daarop doordenkt.’ Daarmee bedoel ik te zeggen dat wat het gedicht precies poëtisch maakt moeilijk aan te wijzen is, maar het gedicht zelf zegt slechts wat het kan zeggen, niet meer. Poëzie is dus in die zin “opmerkelijk” dat ze niet is wat we zien, maar waardoorheen we kijken. Een gedicht biedt een uniek perspectief op een stukje van de wereld. Een heel toepasselijk woord eigenlijk: poëzie biedt uitzicht op dit of dat in het bijzonder, op iets opmerkelijks.

Dat betekent niet dat wat er in een gedicht staat niet diffuus of meerduidig kan zijn. Sommige dingen moeten tegelijk gezegd worden. Sommige dingen kun je niet zomaar zeggen. We moeten denk ik af van de gedachte dat je niet iets kunt zeggen dat van zichzelf dubbel is. Quintane merkt het volgende op:

Hoe minder deuren er zijn, hoe minder vertrekken.

Niet elk gedicht heeft evenveel deuren. Misschien zijn de notities in Opmerkingen steeds een enkele deur. Is dat te weinig om een gedicht te zijn? Ik weet het niet. Het hangt er wellicht vanaf waartoe die toegang biedt, tot welk contact met welke werkelijkheden.

Quintane kan zulke bijzonder simpele dingen opmerken:

Het velletje van de tomaat houdt de tomaat in zijn vel.

Een waarneming die klaar is voor een bespiegeling op wat een barrière is, waarvoor we in dit geval kunnen vertrekken vanuit zoiets concreets als een enkele tomaat. Er zijn genoeg vragen en gedachten bij te bedenken. De barrière die het vel van een tomaat is, heeft iets kwetsbaars. Maar: elke barrière is kwetsbaar. Hij hoeft maar ergens te knappen, breken of scheuren. Wat is daarvoor nodig? Geweld. Voor zowel het breken van een muur naar vrijheid als het doorprikken van de leugen van een geliefde is geweld nodig. Een stormram. Een naald.

Hebben we het nu nog over wat Quintane opmerkt? We hebben het ten minste over wat we kunnen zien en denken dankzij haar opmerking.

Nathalie Quintane (vert. Kiki Coumans)
Opmerkingen
(Bleiswijk: Uitgeverij Vleugels, 2015)

De website van Nathalie Quintane
De website van Uitgeverij Vleugels

Gepubliceerd door Harm Hendrik ten Napel

Harm Hendrik ten Napel (1991) komt uit Friesland, en is via Groningen in Nijmegen terecht gekomen. Daar studeerde hij recent af in de filosofie. In 2013 publiceerde hij een bundel zeer korte verhalen bij Lemniscaat, Ze vraagt: Is dit je kamer. Hij is naast schrijver en filosoof ook boekverkoper.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *